Korte toelichting op in de website kubisme genoemde personen.

Hieronder staan enkele gegevens van personen die worden genoemd in de website, maar waaraan (nog) geen webpagina kon worden gewijd wegens te weinig gegevens of weinig binding met het kubisme.

Jacques Paul Bonjean (1899-1990)

Jacques Paul Bonjean werd op 3 april 1899 in Parijs geboren. Op 21 oktober 1925 trouwde Bonjean met Germaine Catherine Lipmann en het echtpaar kreeg twee kinderen. Op 15 november 1927 stichtte Bonjean samen met Maurice Sachs de uitgeverij La Maison des quatre chemins. Bij de uitgeverij verscheen werken van Max Jacob en Jean Cocteau. Vanuit zijn woning in de Rue de Lisbonne begon Bonjean te handelen in schilderijen.

Na een conflict met Sachs startte Bonjean in de Rue la Boétie de Galerie Jacques Bonjean, aanvankelijk met Pierre Colle en vanaf 1928 met de latere couturier Christian Dior (1905-1957). In 1931 stapte Dior uit de galerie wegens zijn gezondheid en ging Bonjean alleen door. Van 23 april t/m 14 mei 1932 werd in de galerie de tentoonstelling L'Epoque heroïque du Cubisme gehouden, waar werken van Picasso, Braque, Gris, Gleizes, Léger en Metzinger te zien waren.

In 1930 schilderde de Rus Pavel Tchelitchew (1898-1957), die in de periode 1923-1934 in Parijs verbleef, een portret van Germaine Bonjean, dat Bonjean op 18 mei 1931 verkocht aan het Museum of Fine Arts te Boston.

Door de wereldwijde financiële problemen en de gevolgen daarvan in Frankrijk sloot Bonjean misschien in 1932 de galerie, maar in 1934 had Dali een tentoonstelling in de galerie. In 1936 was Galerie Bonjean in de Rue d'Argenton actief, waar de schilderes Hélène de Beauvoir (1910-2001), de zus van de schrijfster Simone de Beauvoir, haar eerste tentoonstelling in de galerie had.

Bonjean overleed op 18 november 1990 in Parijs.



Charles Bourgeat

Uit o.a. correspondentie met Walter Pach is bekend, dat Charles Bourgeat werkte als galeriehouder. Op een brief van 7 mei 1932 geschreven op briefpapier van de Galerie Dru staat boven de kop gestempeld Bourgeat et van Gelder. Als afzenderadres vermeldt hij Rue La Boëtie 19 te Parijs. Dit adres wordt door Malcolm Gee aangegeven als adres voor de Galerie Bourgeat in de periode 1920-1935.

Van 12 t/m 26 juni 1930 werd in Galerie Bourgeat de tentoonstelling Dessins de Arno Breker sculpteur gehouden, waarvoor Claude Roger-Marx het voorwoord in de catalogus schreef. Van 10 t/m 26 juni 1931 had Raymond Duchamp-Villon samen met Charles Dufresne de tentoonstelling Peintures, Gouaches et Pastels de Charles Dufresne, Sculptures de Duchamp-Villon in Galerie Dru, Bourgeat et van Gelder successeurs (=opvolgers).



Walter (1872-1954) en Kate Brewster

Kate Brewster, 1930 Walter Brewster, 1930

Op 25 september 1947 overleed Kate Lancaster Brewster op 68-jarige leeftijd in Chicago. Sinds 1923 was Kate de voorzitster van de Public School Art Society, die een belangrijke rol had in het kunstonderwijs in Chicago. Haar echtgenoot Walter S. Brewster, die op 15 september 1954 op 82-jarige leeftijd overleed, was sinds 1909 al betrokken bij het Art Institute of Chicago. In 1925 werd Walter 'trustee' van het Art Institute of Chicago en vanaf 1944 vice-president. Nadat hij in 1938 met pensioen was gegaan bij de door zijn vader in 1872 begonnen effectenhandel in Chicago, hielp Walter op vele vlakken mee in het Art Institute of Chicago.

Ruim 25 jaar verzamelde het echtpaar kunst uit de negentiende en twintigste eeuw, die zij in Amerika en in Europa bij galeries of tijdens tentoonstellingen kochten. Een groot deel van de kunstverzameling werd nagelaten aan het Art Institute of Chicago. De kunstverzameling werd door Daniel Catto Rich beschreven in het artikel The Kate L. Brewster Bequest in het Bulletin of the Art Institute of Chicago van 15 september 1950. Ook enkele aan de kinderen nagelaten kunstwerken werden door de erfgenamen uitgeleend aan het Art Institute of Chicago.

In 1964 schonk zoon Edward L. Brewster de bovenstaande foto's van zijn ouders gemaakt door Man Ray in 1930 aan het Art Institute of Chicago.



Pierre Chareau (1883-1950)

Pierre Chareau werd geboren op 4 augustus 1883 in Bordeaux en ontwikkelde zich tot ontwerper van meubels, inrichtingen en gebouwen. Pierre Chareau was een Franse architect, die behoorde tot de architectuurstroming van het Nieuwe Bouwen, waarbij het gebruik van beton, staal en grote glas oppervlakken een grote rol speelde. In 1904 trouwde Chareau met de Engelse Louise Dyte (1880-1967). Chareau werd o.a. bekend door het ontwerp van het Maison de Verre samen met de Nederlandse architect Bernard Bijvoet (1889-1979). In de periode 1927-1932 werd in de Rue St. Guillaume 31 te Parijs voor de vrouwenarts Dr. Jean Dalsace een huis verbouwd tot woonhuis met praktijkruimte. Het huis, waarvan de onderste twee woonlagen werden vervangen door drie, behield de oude bovenverdieping, wegens de weigering van de oude bewoonster. Ook het interieur werd voor een groot deel door Chareau, die in 1919 met zijn ontwerpbureau was gestart, ontworpen. Zie voor het Maison de Verre het eerste gedeelte van een webpagina van een website, die gewijd is aan Bernard Bijvoet of een vijfminuten durend filmpje op YouTube.

boek, 1998

In 1940 vluchtte Pierre Chareau via Cassablanca naar New York, waar hij namens de Franse regering tentoonstellingen organiseerde. Zijn vrouw kwam pas in 1941 in New York aan. Op 24 augustus 1950 overleed Chareau in New York. Zie voor verdere informatie o.a. het door Brian Brace Taylor geschreven boek Pierre Chareau uit 1998 (ISBN: 978-3822878873).



Barbara Church

Verre et Bougeoir; afm.: 33 x 22 cm

De familie Church bezat het nevenstaande schilderij Glas en kandelaar van Georges Braque uit 1909-1910. Het schilderij, dat gekocht was bij Galerie Kahnweiler in Parijs, werd op 25 januari 1961 verkocht bij Parke Bernet in New York tijdens de veiling Estate of the late Barbara Church.

Barbara Church, 1937

Barbara en haar echtgenoot, de Amerikaanse schrijver Henry Church (1880-1947), leefden vanaf 1921 in Ville d'Avray bij Parijs. Het rijke echtpaar financierde o.a. het Franse literaire tijdschrift Mesures, dat vanaf januari 1935 driemaandelijks verscheen t/m april 1940. Redacteuren van het blad waren o.a. Michel Leiris en Jean Paulhan. Op 11 juli 1939 ontvluchtte het echtpaar het door oorlog bedreigde Frankrijk. Zie voor uitgebreide informatie het door de kleindochter van Jean Paulhan, Claire Paulhan, geschreven artikel Henry Church and the Literary Magazine Mesures: The 'American Resource' in het in 2006 verschenen boek Artists, intellectuals, and World War II: the Pontigne encounters at Mount Holyoke College, 1942-1944 onder redactie van Christopher Benfey en Karen Remmler (ISBN: 1-55849-531-2).



Sidney E. Cohn (1908?-1991)

Sidney Elliot Cohn was een advocaat, die gespecialiseerd was in arbeidsrecht. Sidney, die werkzaam was bij de firma Boudin, Cohn and Glikstein, trad bv. op voor Leonide Massine (1896-1979), die in de periode 1938-1942 artistiek directeur was van het Ballet Russe de Monte Carlo, bij gerechtelijke procedures.

In 1954 trouwde Sidney met de Roberta Seidman, die op 21 mei 1952 weduwe was geworden. Vanaf februari 1935 was Roberta getrouwd met de acteur John Garfield (1913-1952). Roberta bracht drie kleine kinderen mee in het nieuwe huwelijk, Katherine (1938-1945), David (1943-1994) en Julie (1946-). Sidney E. Cohn overleed op 25 augustus 1991 op 83-jarige leeftijd in New York. Zijn weduwe Roberta overleed eind januari 2004 op 89-jarige leeftijd.

studie Nude with drapery; afm.: 30,5 x 23,5 cm

Op 13/14 mei 1992 werd bij Sotheby's te New York 22 moderne schilderijen, tekeningen en beelden uit de nalatenschap van Sidney E. Cohn geveild. Voor de nevenstaande studie voor het schilderij Naakt met draperieën uit 1907, dat tevens op de voorkant van de catalogus stond bracht $ 687.500. De papier collé Stilleven met pijp en glas van Georges Braque werd gekocht door de Zwitserse kunsthandelaar Thomas Amman voor $ 550.000. Medebieder voor het werk was de kunstverzamelaar en -handelaar Heinz Berggruen.




Dr. André Cournand (1895-1988)

Cournand

André Frédéric Cournand werd op 24 september 1895 geboren in Parijs. Zijn medische studie werd door zijn vrijwillig dienstneming tijdens de Eerste Wereldoorlog onderbroken. Tijdens de oorlogsjaren ontmoette Cournand de schilder Jean Lurçat en via hem de kunstenaars rond de galeriehoudster Jeanne Bucher. Cournand werd bevriend met Jacques Lipchitz en ontmoette ook Jeanne Buchers dochter Sybille. Sybille (1901-1959), die getrouwd was met Gabriel Birel-Rosset, werd in 1925 weduwe en bleef achter met zoon Pierre (1924-1944). André Cournand trouwde met Sybille en het echtpaar kreeg drie dochters. Cournand wilde zich specialiseren en kreeg een stageplaats in het Bellevue Hospital te New York. Na enkele maanden kreeg hij een aanbieding om voor een langere periode in de Verenigde Staten mee te werken aan een onderzoek. Cournand nam de aanbieding aan en het gezin verhuisde in 1930 naar New York. In 1935 bezocht Jeanne Bucher het gezin van haar dochter Sybille in New York.

In 1941 werd Cournand Amerikaans staatsburger en in 1956 ontvingen Cournand, Werner Forssmann en Dickinson Richards de Nobelprijs voor Geneeskunde. In 1963 trouwde Cournand na de dood van Sybille met Ruth Fabian, maar werd in 1973 opnieuw weduwnaar. In 1975 trouwde Cournand met Dr. Beatrice Berle (1902-1993), de weduwe van de advocaat Adolf Berle (1895-1971). In 1986 verscheen van André Cournand zijn autobiografie From Roots.. To Late Budding: The Intellectual Adventures of a Medical Scientist. Op 19 februari 1988 overleed Cournand in Great Barrington (Massachusetts). Cournands archief is ondergebracht bij de Columbia University.



Nathan Cummings (1896-1985)

1981

Dankzij de website The Nathan Cummings Foundation weten we, dat Nathan Cummings geboren is in oktober 1896 in St. John (New Brunswick, Canada) Zijn joodse ouders waren afkomstig uit Litouwen. Na zijn school opleiding ging hij aan de slag als handelsreiziger voor een schoenfabrikant. In 1924 opende hij een schoenenfabriek, die in 1932 in de economische crisis ten onder ging. In 1919 trouwde Nathan met Ruth Kellert en het echtpaar kreeg drie kinderen. Eind dertiger jaren had Cummings een carière opgebouwd met het aankopen en weer verkopen van kleine bedrijven in de voedselindustrie. De aankoop van een bedrijf in Baltimore (V.S.) zorgde ervoor, dat het gezin zich vestigde in de Verenigde Staten. In de veertiger jaren ging Cummings op grote schaal levensmiddelenzaken aankopen en reorganiseren. Op 7 februari 1944 werd hij in het tijdschrift TIME de Duke of Groceries genoemd, toen hij de holding Consolidated Grocers Corporation oprichtte. Via de naam Consolidated Foods werd dat in 1984 de Sara Lee Corporation.

Picasso en Cummings

Een deel van zijn inkomen besteedde Cummings aan het aakopen van kunstwerken, een ander deel aan schenkingen aan ziekenhuizen, instellingen en musea. Op nevenstaande foto zien we Cummings samen met Picasso. Na het overlijden van zijn vrouw in 1952 schonk Cummings grote bedragen aan het Michael Reese Hospital in Chicago en het Memorial Sloan-Kettering Cancer Center in New York.

In 1949 richtte Cummings The Cummings Foundation op, waarvan de naam in 1969 werd veranderd in The Nathan Cummings Foundation, om zijn kinderen en kleinkinderen een financiële toekomst te bieden, maar ook de eis tot liefdadigheid. Bij het overlijden van Cummings op 19 februari 1985 liet hij het grootste deel van zijn bezit, dat geschat werd op $ 200 miljoen, na aan de Foundation.

Paysage; afm.: 50,5 x 73 cm

Op 4 mei 2010 werd bij Christie's te New York het nevenstaande schilderij Paysage van André Lhote geveild, dat eerder tot de kunstverzameling van Cummings had behoord. De opbrengst was $ 42.500 inclusief veilingkosten.



Philippe Dotremont (1898-1969)

De Belgische verzamelaar Philippe Dotremont is vooral bekend door zijn grote collectie werken van Amerikaanse kunstenaars, n.l. 40 van de 140 volgens het artikel Art: Buying American in de New York Times van 11 augustus 1961.

Ukkel, 1932

Denkelijk liet Dotremont niet voor het onderbrengen van zijn grote kunstverzameling in de Brusselse voorstad Ukkel, Avenue de l'echevinage 3, in 1932 een moderne woning bouwen door de architect Louis-Herman de Koninck (1896-1984). Op 19 april 1977 werd de woning een officieel monument.

Op 14 april 1965 verkocht Dotremont een aantal schilderijen via de veiling Contemporary American Paintings From the Collection of Philippe Dotremont, Brussels bij de Parke-Bernet Galleries te New York.



Frank Valentine Dudensing (1901- )

Frank Valentine Dudensing, 1937

In de New York Times van 10 maart 1918 stond een aankondiging van de trouwerij van Mej. Hortense Garside met Frank Valentine Dudensing, die kadet was bij het United States Aviation Corps en deel uitmaakte van de kunsthandel van zijn vader Dudensing & Son.

Tijdens een reis naar Europa ontmoette Dudensing Pierre Matisse en nadat Frank Valentine Dudensing in 1924 gestart was met de Dudensing Galleries in de West 44th Street 45 te New York kwam Pierre Matisse in de galerie werken. In 1926 veranderde de naam van de galerie in F. Valentine Dudensing en Pierre Matisse organiseerde in 1927 in de galerie een retrospectieve tentoonstelling van zijn vader Henri Matisse. Later werd de naam veranderd in Valentine Gallery.

In januari en februari 1942 hield de galerie een tentoonstelling van schilderijen van Piet Mondriaan. Van 22 maart t/m 30 april 1943 exposeerden Maria Martins en Piet Mondriaan onder de naam Maria: New Sculptures and Mondrian: New Paintings bij de galerie. In 1948 sloot de galerie de deuren. Het archief van de galerie werd door Roy R. Neuberger in 1958-1959 geschonken aan Archives of American Art te Washington, D.C.



Florent Fels (1893-?)

Florent Fels Action

Florent Fels woonde volgens Pierre Assouline in 1907 in de Rue Vignon, de straat waar Kahnweiler in 1907 zijn galerie opende, bij zijn grootmoeder.

Florent Fels en Marcel Sauvage startten in november 1919 met de voorbereiding voor het uitbrengen van een tijdschrift. In februari 1920 verscheen het eerste nummer van Action met als ondertitel Cahiers [individualistes] de philosophie et d'art. Het eerste nummer had een pochoir van Albert Gleizes op de omslag. Het twaalfde en laatste nummer verscheen als dubbelnummer mei-juni in 1922. Artikelen werden geleverd door Céline Arnauld, Antonin Artaud, Blaise Cendrars, Paul Dermée, Ilya Ehrenburg, Carl Einstein, Paul Eluard, Georges Gabory, Martin du Gard, Vincent Huidobro, Max Jacob, André Malraux, Martin du Gard, Benjamin Péret, Raymond Radiguet, Maurice Raynal, André Salmon, Eric Satie, Tristan Tzara en Léopold Zborowski. Ook van Guillaume Apollinaire, die in 1918 overleden was, en Alfred Jarry, die in 1907 overleden was, werden teksten opgenomen.

Fels feliciteerde Kahnweiler via zijn blad Action met de opening van Galerie Simon met de woorden Si Picasso a créé le cubisme, vous en avez assuré l'existence.. (=Als Picasso het kubisme heeft gecreëerd, hebt u het bestaan ervan gewaarborgd...)

In verband met de tentoonstelling La Section d'Or in Brussel schreef Fels een artikel in het tijdschrift Sélection. Chronique de la vie artistique (15 december 1920).



Paul de Frassari Adamidi Bey Frasheri (1904-1987)

Dankzij de website van het Saint Louis Art Museum is iets meer bekend van de kunstverzamelaar Paul de Frassari Adamidi Bey Frasheri. De in Zwitserland wonende verzamelaar was bevriend met de kunstverzamelaar Gottlieb Reber. Door financiële problemen moest Reber aan het begin van de dertiger jaren schilderijen verkopen. Reber verkocht diverse schilderijen aan Paul, die een regelmatige bezoeker was van Rebers château in Lausanne. Paul was volgens de genoemde website de zoon van de minister van financiën van de Sultan van het Ottomaanse rijk, Abdül-Hamid II (1842-1918), maar dit is onjuist. Paul was de zoon van de medicus Dr. Georges Adamidi Bey Fransheri (1856-1939), die verbonden was aan de Université de Lausanne. Ondanks zijn buitenlands verblijf als persoonlijke arts van de Khedive van Egypte, Abbas Hilmi II, werd Pauls vader op 18 maart 1914 de eerste minister van financiën van het op 28 november 1912 uitgeroepen onafhankelijke Albanië. Pas in 1913 werd Albanië door de zes grote mogendheden, n.l. Oostenrijk-Hongarije, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Rusland en Italë, erkend. Door het uitbreken van een burgeroorlog in juli 1914, de bezetting van het zuiden door Griekenland en de Eerste Wereldoorlog was het ministerschap van korte duur.

grafzerk, Nice

Op 1 maart 1971 werd bij Hôtel Drouot te Parijs de veiling Collection de son Excellence le Bey Paul Adamidi Frasheri gehouden. Paul werd begraven in het familiegraf van zijn ouders op het Cimetière Orthodoxe de Caucade in Nice.



Carlo Frua de Angeli ( -1969)

De financiën om kunst aan te kopen kwam voort uit de textielfabrieken van de familie in en rond Milaan. Zijn vader Giuseppe Frua (1855-1937), die in Duitsland in de textielindustrie werkzaam was en daarna naar Italië terugkeerde, trouwde in 1883 met Anna de Angeli. Zij was de zus van Ernesto de Angeli (1849-1907), die in 1872 in Milaan het bedrijf Ernesto de Angeli e C oprichtte dat textielstoffen maakte en bedrukte. Het bedrijf groeide en Giuseppe Frua ging na zijn huwelijk werken bij het bedrijf van zijn zwager. De naam van het bedrijf werd in 1896 veranderd in De Angeli-Frua. Daar Ernesto kinderloos was liet hij wettelijk vastleggen, dat de eerste zoon van het echtpaar Giuseppe en Anna Frua zijn achternaam als aanvulling kreeg. Zo kreeg Carlo de achternaam Frua de Angeli. Na de dood van Ernesto in 1907 groeide het bedrijf onder leiding van Giuseppe verder uit. Dit kwam misschien mede door de sociale bewogenheid van Giuseppe. Hij stichtte o.a. een verzekeringsbedrijf voor zijn werknemers en scholen om werknemers op te leiden. In begin vijftiger jaren ging het minder met het textielbedrijf en was er een langdurige bezetting wegens de voorgestelde inkrimping van het bedrijf door werknemers onder leiding van de vakbonden. Het textielbedrijf sloot de deuren en in 1955 kocht de schrijfmachine fabrikant Olivetti een deel van de gebouwen. De firma ging in verzekeringen en onroerendgoed handelen.

boek, 1994

Carlo Frua de Angeli overleed op 30 juli 1969. Zijn kleindochter Christina Frua de Angeli schreef het boek Ma chi è questa bella principessa ? over de familiegeschiedenis. Het boek verscheen in 1994 in Milaan.



Pierre Gaut

Guitare, journal, verre et bouteille; afm.: 46,5 x 62,5 cm

Het nevenstaande papier collé Gitaar, krant, wijnglas en fles van Picasso uit 1913 werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door Gaut gekocht van Picasso. In 1961 kocht het Tate Gallery in Londen het papier collé bij Galerie Berggruen in Parijs. Prinses de Broglie, een vriendin van de directeur van Tate in 1961, Sir John Rothenstein, had het werk in Parijs bij Berggruen gezien en wist, dat Tate op zoek was naar een papier collé van Picasso. Voor $ 28.000 kreeg het museum het papier collé.



André Groult (1884-1966)

boek, 1997

André Groult was decorateur en ontwerper van o.a. meubels in art-deco stijl. In 1907 trouwde hij met Pauline Poiret, de zus van de couturier Paul Poiret, die bekend werd onder de naam Nicole Groult. In 1911 nam André Groult deel aan de Salon d'Automne te Paris met zijn Petit Salon d'Andre Groult. Ook tijdens de Parijse tentoonstelling Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in 1925 trok hij de aandacht met zijn Chambre de Madame in de Franse Ambassade.

In 1997 verscheen de Franstalige monografie Andre Groult, Decorateur-ensemblier du XXème Siecle geschreven door Felix Marcilhac, ISBN: 2859172327.



Leonard C. Hanna Jr. (1889-1957)

Leonard C. Hanna Jr

Leonard Colton Hanna Jr. werd geboren op 5 november 1889 in Cleveland als zoon van Coralie W. Walker en Leonard Hanna (1850-), een mede-eigenaar van het familiebedrijf M.A. Hanna & Co.. Leonards moeder (-1936) schonk, nadat zij in 1920 een pas gebouwde woning in Renaissancestijl had betrokken, in 1922 het huis dat haar man in 1904 aan de Euclid Avenue had laten bouwen aan het Cleveland Museum of Natural History.

Vanaf 1914 was Leonard al betrokken bij het Cleveland Museum of Art in diverse functies. In 1941 stichtte Leonard het Leonard C. Hanna Jr. Fund op en ondersteunde hij het museum financieel naast andere culturele instelling. Bij testament liet Leonard, die op 5 oktober 1957 overleed, $ 33 miljoen na aan het Cleveland Museum of Art. Met het fonds deed het museum vele aankopen in de loop van de jaren .

Éventail, boîte de sel et melon, afm.: 81 x 64 cmBouteille, verre, fourchette , afm.: 72 x 53  cm Arlequin au violon ('Si tu veux'), afm.: 142,2 x 100,3  cm

Met behulp van het fonds kocht het museum o.a. de volgende drie kubistische werken van Picasso: in 1969 het nevenstaande Éventail, boîte de sel et melon uit 1909 dat eerder tot de verzameling van Gottlieb Reber en Mr. A.E. von Saher had behoord, in 1972 het nevenstaande Bouteille, verre, fourchette uit 1911-1912 dat eerder tot de verzameling van Carlo Frua de Angeli en Arlequin au violon ("Si tu veux") uit 1918.




Wiliam Preston Harrison (1869-1940)

W.P. Harrison, 1924

Wiliam Preston Harrison werd in 1869 in Chicago geboren als tweede zoon van Carter Henry Harrison, die vijf keer burgemeester van Chicogo was. In de periode 1891-1895 werkte Harrison voor de Chicago Times en begon hij naar een reis in de Stille Zuidzee met het verzamelen van primitieve kunst. Hij steunde het Art Institute of Chicago. In 1915 trouwde William met de in 1885 geboren Ada Sanberg en het echtpaar begon met het doorbrengen van de winters in Los Angeles. Later verhuisde het echtpaar naar Los Angeles. In 1918 schonk het echtpaar Harrison 28 schilderijen van Amerikaanse schilders aan het in 1913 gestichte Los Angeles Museum of History, Science and Art. De schenking was de basis van de kunstcollectie van het museum. In 1924 schilderde Wayman Adams (1883-1959) het nevenstaande portret, dat Harrison schonk aan het Los Angeles County Museum of Art.

Fresnaye, 51x64,5 cm, 1913

Harrison hielp bij het organiseren van tentoonstellingen in het Los Angeles Museum. Tijdens een reis door Europa in 1926 ontdekte Harrison de Franse kunstenaars en kocht tijdens de reis o.a. 48 aquarellen, die hij direct naar het Los Angeles County Museum of Art stuurde. Na het instorten van de aandelenmarkt in oktober 1929 deelde Harrison een aantal museadirecteuren mee, dat hij weinig meer voor hen kon doen. William Harrison overleed in 1940 en zijn vrouw Ada in 1947. Het echtpaar schonk het Los Angeles County Museum of Art o.a. 114 Amerikaanse en 114 Franse kunstwerken. Het museum kreeg vanaf 1956 om de tien jaar de mogelijkheid om 'mindere' werken te verkopen, die door curatoren van vijf bij naam genoemde musea konden worden voorgedragen, om nieuwe werken voor de Harrison Collection aan te kopen. Onder de geschonken werken bevindt zich de nevenstaande tekening De tuin van Roger de la Fresnaye uit 1913.

Les Soeurs Dolly; afm.: 105,4 x 105,4 cm

Op 6 mei 2010 werd bij Sotheby's te New York het nevenstaande schilderij Les Soeurs Dolly van André Lhote uit 1925 geveild. De opbrengst was inclusief veilingkosten $ 182.500 en aanzienlijk hoger dan de vooraf geschatte waarde tussen $ 80.000 en $ 120.000. Het echtpaar Harrison kocht het schilderij in 1927 direct van Lhote. Op 9 november 1977 werd het schilderij in opdracht van de erfgenamen geveild bij Sotheby Parke Bernet te Los Angeles.



César de Hauke (1900-1965)

César Mange de Hauke werd op 8 maart 1900 geboren. Hij was de oudste van twee zonen van Francis Mauge en Mary Comtesse Hauke. Na zijn academische kunststudies in Engeland en Frankrijk na de Eerste Wereldoorlog vertrok de Hauke in 1926 naar de Verenigde Staten. In 1927 ging de Hauke werken bij de kunsthandel Jacques Seligmann & Co.. Met geld van Germain Seligmann werd de kunsthandel De Hauke & Co., Inc. opgericht om moderne Franse kunst te verhandelen, die sterk verbonden was aan Jacques Seligmann & Co.. De kunsthandel De Hauke & Co., Inc. kreeg in 1930 een nieuwe naam, n.l. Modern Paintings, Inc., met de Hauke als directeur. Op 31 augustus 1929 brachten de Hauke en A. Conger Goodyear een bezoek aan de kunstverzamelaar Jacques Doucet en zagen zij het schilderij Les Demoiselles d'Avignon van Picasso. In 1931 nam de Hauke echter ontslag en vertrok naar Parijs, waar hij bij de Parijse vestiging van de Jacques Seligmann & Co. ging werken. In 1937 stuurde de Hauke een brief naar Robert Levy van de Jacques Seligmann & Co. in New York om op de belangrijkheid van het schilderij Les Demoiselles d'Avignon te wijzen en de aankoop te overwegen. De Hauke schreef samen met de kunstcriticus Félix Fénéon (1861-1944) en Paul Brame de overzichtscatalogus (=catalogue raisonné) Seurat et son Oeuvre (1961). Fénéon stond erop dat zijn naam niet vermeld zou worden. Wegens verdachte aan- en verkopen van kunst in de Tweede Wereldoorlog werd een visum voor de V.S. geweigerd. Op 15 juni 1965 overleed César de Hauke.



Joseph H. Hazen (1898-1994)

ingelezen van MMA

Joseph H. Hazen werd geboren in Kingston (NY) en studeerde rechten. Hazen was een kunstverzamelaar, die o.a. vice-president en directeur was van de filmmaatschappij Warner Brothers. Als advocaat van de filmmaatschappij stond Hazen met het opmaken van de contracten aan de wieg van de eerste film met geluid, The Jazz Singer. Hazen, die o.a. werken van Braque, Modigliani en Picasso bezat, was verbonden aan het Metropolitain Museum of Art en de National Gallery of Art in Washington. Met zijn vrouw Lita Annenberg (1909-1995), waarmee hij in 1936 trouwde, had hij dochter Cynthia, die als schilderes onder de naam Cynthia Hazen Polsky bekend werd en dochter Gwynne, die op 32-jarige leeftijd overleed. Hazen overleed op 13 november 1994 in Boca Raton (Fla) en zijn weduwe op 2 oktober 1995. Cynthia was o.a. trustee bij het Metropolitan Museum of Art in New York.

In 1959 schonk de familie Hazen het nevenstaande schilderij Tafel bij een raam van Jean Metzinger uit november 1917 aan The Metropolitan Museum of Art.

Op 8 november 1995 werd bij Sotheby's te New York en op 30 april 1996 bij Christie's te New York een aantal schilderijen uit de collectie van de familie Hazen geveild. De negen geveilde werken bij Christie's brachten samen $ 11.825.500 op incl. veilingkosten.



Jacques Helft

Jacques Helft, de zwager van Paul Rosenberg, had een kunsthandel in Parijs. Samen met Paul Rosenberg begon hij in Londen een galerie in 1939, nadat hij Frankrijk ontvlucht was wegens zijn joodse afkomst. Rosenberg ging door naar New York, waar hij in 1940 een galerie opende.

In 1955 verscheen in Parijs Jacques Helfts biografie Vive la chine! Mémoires d'un antiquaire.



Jos/Joseph Hessel

Vuillard: Lucie Hessel, 1913, afm.: 100 x 83 cm Vuillard: Lucie Hessel, 1907, afm.: 86 x 65 cm Vuillard: Lucie Hessel, 1900, afm.: 54,6 x 54,6 cm

De uit België afkomstige Jos Hessel was directeur van de Galerie Bernheim-Jeune toen hij en zijn vrouw Lucie in 1900 de schilder Edouard Vuillard (1868-1940) ontmoetten. Joseph Hessel was een neef van Josse en Gaston Bernheim. Het echtpaar werd bevriend met Vuillard en Lucie werd behalve model voor Vuillard ook een soort secretaresse, die veel voor Vuillard regelde. Het echtpaar woonde in een klein appartement in de Rue de Rivoli te Parijs. De ongetrouwde Vuillard bracht vanaf 1901 elk jaar een aantal weken in de zomer gezamenlijk met het echtpaar Hessel door in Normandië of Bretagne. Vuillard schilderde o.a. de nevenstaande portrettten van Lucie. Rechts staat Madamme Hessel sur le sofa uit 1900-1901, in het midden Portrait de Lucy Hessel au chapeau mousquetaire uit 1907, dat op 21 mei 2008 bij Christie's te Parijs verkocht werd voor 96.250 Euro, en links staat het schilderij Lucie Hessel lisant uit 1913, dat op 3 februari 2010 bij Christie's te Londen verkocht werd voor £ 289.250.

Hessel bezat werken van Cézanne, Degas en Bonnard. Vanaf 1913 handelde Joseph Hessel voor zichzelf van uit zijn galerie in de Rue la Boétie 26 en was hij in de twintiger jaren expert bij het veilinghuis van Alphonse Bellier in Hôtel Drouot.

Vanaf 1925 woonde het echtpaar Hessel in het Chateau des Clayes vlakbij Versailles.



Ferdinand Howald (1856-1934)

Howald

Ferdinand Howald werd in 1856 geboren in Wangen (Zwitserland) en groeide nadat zijn ouders waren geëmigreerd naar de V.S. op in Columbus (Ohio). Na zijn opleiding ging Howald in 1878 als ingenieur werken in de kolenvelden van West Virginia. Howald richtte zijn eigen werkmaatschappij op en verkreeg zo zijn rijkdom. Nadat Howald in 1914 de galeriehouder Charles Daniel, die na de Armory Show gestart was met de Daniel Gallery, ging hij werken van o.a. Braque, Matisse, Picasso en Amerikaanse kunstenaars verzamelen in de periode 1915-1929.

Howald schonk 271 kunstwerken aan het Columbus Museum of Art en betaalde een vijfde van de $ 600.000, die nodig was voor de bouw van het museum in 1931. In 2006 kreeg het museum uit een trustfonds, dat opgericht was door Howald, opnieuw $ 100.000. Dit trustfonds was door Howard opgericht voor een kind, dat op zes jarige leeftijd uit Frankrijk naar het gezin van Ferdinand Howald kwam. Het kind nam de naam van Howald aan. Deze John J. Howald overleed in april 2006 op 98-jarige leeftijd, waardoor het geld vrij kwam voor het museumfonds Howald Endowment Fund. Met de opbrengst kan het museum kunstwerken aankopen.



Audrey Jones Beck (1922-2003)

Audrey Beck werd op 27 mei 1922 geboren in Houston en trouwde in 1942 met de in militaire dienst zijnde John Beck. Na ontslag uit dienst vergaarde Beck zijn geld bij het verkopen en verhuren van zware bouwmaterialen vanuit Houston. Hierdoor was Audrey instaat impressionistische en post-impressionistische kunstwerken te kopen. Bij een bezoek aan Parijs vlak voor de Tweede Wereldoorlog was zij onder de indruk gekomen van de impressionisten.

Audrey Jones Beck

Audrey Jones Beck werd trustee van o.a. het Museum of Fine Arts te Houston en financierde een uitbreiding van het museum. Audrey Jones Beck schonk in 1974 negen werken aan het Museum of Fine Arts te na het overlijden van haar man John A. Beck (1920-1973) en leende 50 impressionistische en post-impressionistische kunstwerken voor lange tijd uit, die ondergebracht werden in het nieuwe Brown Pavilion. In december 1998 schonk Audrey Jones Beck opnieuw 47 schilderijen aan het museum, die onder de titel John A. and Audrey Jones Beck Collection ondergebracht werd in de Audrey Jones Beck Building. Het gebouw werd in 1992 door Rafael Moneo ontworpen. Audrey Jones Beck overleed op 22 augustus 2003.



Edgar J. Kaufmann Jr. (1910-1989)

vlnr Edgar Sr., Edgar Jr en Liiane Kaufmann, 1940

Edgar Kaufmann werd in 1910 geboren in Pittsburgh als eerste en enige kind van Edgar J. Kauffmann (1885-1955) en Liliane Kaufmann. De neef en nicht, hun vaders waren broers, trouwden op 22 juni 1909 in New York, daar een huwelijk tussen neef en nicht niet was toegestaan in Pittsburgh. Edgar Sr. was directeur van een warenhuis, dat in het bezit van de familie was, maar in 1913 had hij de aandelen van de broers van zijn vader opgekocht. Na een opleiding aan de Shady Side Academiy in Pittsburgh ging Edgar Jr. naar Europa voor het bestuderen van kunstwerken. In 1934 keerde hij terug naar de V.S. en vestigde zich in New York als schilder.

Fallingwater

Gegrepen door de autobiografie van de architect Frank Lloyd Wright ging Edgar in oktober 1934 studeren aan de door Wright en zijn vrouw Olgivanne Lazovich kort daarvoor gestichte opleiding in Wrights zomerhuis Taliesin in Spring Green (Winconsin). De schrijver Franklin Toker was echter van mening, dat Edgar Sr. en Wright de aanzet gaven. In de periode 1934-1937 ontwierp en bouwde Wright voor Edgars ouders het nu beroemde weekendhuis Fallingwater te Mill Run (Pennsylvania). In 1963 schonk Edgar Jr. het buitenhuis Fallingwater aan de Western Pennsylvania Conservancy. Zie voor uitvoerige informatie de website.

In 1935 ging Edgar werken in het familiebedrijf, maar hield zich ook bezig met kunstzaken. Edgar werd o.a. in 1940 curator van het Department of Industrial Design van het Museum of Modern Art te New York. Edgars moeder overleed op 7 september 1952 en zijn vader op 15 april 1955. Edgar overleed op 31 juli 1989.



Jacques Koerfer (-1991)

Nature morte, afm.:  65 x 50 cm

De Zwitserse industrieel Jacques Koerfer, die in Duitsland was geboren en in de zestiger jaren 10% van de aandelen van het autoconcern BMW bezat, verzamelde werken van o.a. Matisse, Gauguin, Picasso, Braque, Léger, Cézanne en de Vlaminck. Koerfer verkocht in mei 1969 zijn aandelen voor 70 miljoen DM. In 1994 werd uit de nalatenschap zeven werken geveild bij Christie's met een verwachte opbrengst van $ 15 miljoen. Van Picasso werd Violin, Bottle and Glass uit 1913 geveild. Koerfer trouwde met Irène Marguerite Fehr. Het echtpaar kreeg drie kinderen, n.l. Patrick, Eric Thomas en Marlies Helene. Koerfers dochter Marlies trouwde met Eberhard Kornfeld (1923- ), die sinds 1951 eigenaar was van het veilinghuis Galerie Kornfeld te Bern. Op 19 november 1998 werd bij Christie's te New York 10 schilderijen uit de nalatenschap van Koerfer geveild. Christie's had al op drie eerdere veilingen werken uit de nalatenschap aangeboden. Topstuk van deze vierde veiling was een zelfportret van van Gogh uit 1889 dat $ 71,5 miljoen opbracht. Van Fernand Léger werd De Typograaf uit 1917-1918 voor $ 6 miljoen inclusief veilingkosten (15% over de eerste $ 15.000 en 10% over de rest) verkocht aan de Londense kunsthandelaar Desmond Corcoran. De derde veiling was op 14 mei 1997.



Robert Lebel (1901-1986)

Robert Lebel

Robert Lebel werd op 5 januari 1901 geboren in Parijs en werd als kunsthistoricus een deskundige van oude tekeningen. Hij werd hiervoor bij rechtszaken ingeschakeld. Lebel was o.a. bevriend met André Breton en Max Ernst. In juli 1936 ontmoette Rebel de schilder Marcel Duchamp in de galerie van Alfred Stieglitz . Duchamp was in verband met het herstellen van het Grote Raam in de Verenigde Staten. In de periode 1943-1944, toen beiden in New York verbleven, zag Rebel bijna dagelijks Duchamp. In 1949 spraken zij samen over het schrijven van een biografie en overzichtscatalogus van Duchamp. In de periode 1953-1957 schreef Rebel het boek en in 1958 verscheen Sur Marcel Duchamp. Het boek werd vertaald in het Engels door George Heard Hamilton en in het Duits door Serge Stauffer (1962). Later verschenen herzieningen.

Rebel overleed op 28 februari 1986 in Parijs. Op 25 maart 2009 werd bij Sotheby's te Parijs de veiling Collection Robert Lebel: Old Master and 19th-century Drawings gehouden.



Pierre Legrain (1889-1929)

Le neveu de Rameau

Pierre émile Legrain werd geboren op 2 oktober 1889 in de Parijse voorstad Levallois-Perret. In 1908 ging hij werken bij de ontwerper Paul Iribe (1883-1935). In 1912 werkten zij voor Jacques Doucet en in 1916 vroeg Doucet aan Legrain om voor zijn boekverzameling en manuscripten boekomslagen te maken. In de periode 1917-1919 tekende Legrain hoofdzakelijk aan Doucets eettafel rond 370 ontwerpen, die o.a. door René Kieffer werden gerealiseerd. Nadat zijn ontwerpen de aandacht hadden getrokken door artikelen in tijdschriften in 1922 kon Legrain een atelier openen, waar zijn ontwerpen ook uitgevoerd werden. Hiernaast zien we de boekbinding voor het boek Le neveu de Rameau van Denis Diderot. Zijn uitgevoerde ontwerpen waren te zien op de Exposition Internationale des Arts décoratifs et industriels modernes in 1925. Legrain overleed op 17 juli 1929 in Parijs aan een hartaanval.



Alex Maguy (1906-1999)

affiche 1962

Alex Maguy was het pseudoniem van Alexandre Glass, die voor de Tweede Wereldoorlog onder de naam Alex Maguy een modewinkel op de Avenue Matignon had. Glass was in 1920 vanuit Polen naar Parijs gekomen en verdiende zijn brood als kleermaker. Hij ging om met Kisling en Chagall en begon werken te kopen van Modigliani, Soutine, Picasso en Matisse. Grand nu, 1908

Na de Tweede Wereldoorlog opende Glass in 1955 de Galerie de l'Elysée in de Rue du Faubourg Saint Honoré. Van 30 mei t/m 30 juni 1962 hield de galerie een tentoonstelling van 7 schilderijen van Picasso en van 15 mei t/m 8 juni 1973 een tentoonstelling van 7 schilderijen van Salvador Dalí. Picasso ontwierp zelf de affiche. In de periode 1976-1984 had hij een galerie op Place Vendôme.

Glass overleed in 1999 en het Centre Pompidou ontving vier schilderijen als dation, d.w.z. de successierechten werden betaald met schilderijen, waaronder het nevenstaande schilderij Grand nu van Braque uit 1908.



Louis Manteau

In 1923 opende Louis Manteau op Boulevard de Waterloo 62 te Brussel een galerie. De naam van de galerie komt verschillend voor: Galerie Louis Manteau, Galerie Manteau de Bruxelles, Galerie Manteau. Een assistent van Manteau in de begin periode was de latere surrealist Edouard Léon Théodre Mesens (1903-1971), die in 1938 met Roland Penrose de London Gallery in de Cork Street te Londen opende.

De naam van Louis Manteau komt voor op de Art Looting Intelligence Unit (ALIU) Reports 1945-1946 and ALIU Red Flag Names List and Index. In december 1945 werd in de galerie van Manteau een stilleven van Braque herkend, dat afkomstig was uit de in beslag genomen kunstverzameling van Paul Rosenberg. Wat is er met het door de Belgische overheid ingenomen schilderij gebeurd?



Pierre Matisse (1900-1989)

boek, 2010

Pierre Matisse werd op 13 juni 1900 geboren als het jongste kind van de schilder Henri Matisse en Amélie Parayre. In 1923 ging Pierre werken bij Galerie Barbazanges-Hodebert om ervaring op te doen in de kunsthandel. Eind 1924 vertrok Pierre Matisse naar New York, waar hij in oktober 1931 de Pierre Matisse Gallery opende in de Fuller Building aan de Fifty-seventh Street. Van 1929 tot 1949 was Pierre getrouwd met Teeny Sattler (1906-1995). Pierre trouwde daarna met Patricia Kane (1923-1972), de ex-vrouw van de surrealistische kunstenaar Roberto Matta (1911-2002). Na haar dood trouwde Pierre in 1974 met barones Maria-Gaetana von Spreti (1943-2001), roepnaam Tana. Pierre Matisse overleed op 10 augustus 1989 in Frankrijk en zijn weduwe op 7 april 2001 in New York.

In 2002 ontving het Metropolitan Museum of Art te New York meer dan 100 werken, waaronder vele van Pierres vader Henri Matisse, van de in 1989 opgerichte Pierre and Maria-Gaetana Matisse Foundation. In 1998 schonk de Foundation het archief van de Pierre Matisse Gallery aan The Morgan Library & Museum te New York. In 2010 verscheen het door Sabine Rewald en Magdalena Dabrowski geschreven boek The American Matisse The Dealer, His Artists, His Collection, ISBN: 9780300155105.



Gianni Mattioli (1903-1977)

De in Milaan geboren Gianni Mattioli (1903-1977) kwam via Fortunato Depero in aanraking met de groep futuristen. Na de Tweede Wereldoorlog was Mattioli door zijn zakelijke bezigheden in de textielindustrie in staat in de periode 1949-1953 een kunstverzameling op te bouwen. De collectie, die vooral bestaat uit futuristische werken, werd op vele plaatsen in de wereld getoond.

Vanaf 6 september 1997 zijn 26 schilderijen door Luisa Mattioli Rossi, de dochter van de verzamelaar, langdurig uitgeleend aan de Peggy Guggenheim Collection in Venetië. In een nieuw gedeelte is de collectie ondergebracht.



Paul Mellon (1907-1999)

Paul Mellon

Dankzij het familie bezit, de Mellon Financial Corporation die in 1869 als T. Mellon & Sons'Bank was gesticht door zijn grootvader Thomas Mellon (1813-1908), zijn vader Andrew W. Mellon (1855-1937) en zijn oom Richard B. Mellon (1858-1933), was Paul Mellon een rijke kunstverzamelaar. In 1935 trouwde hij met Mary Conover Brown en naar haar dood in 1946 met Rachel Lambert, roepnaam Bunny, die een grote voorliefde had voor impressionistische, post-impressionische en Amerikaanse kunst.

Vanaf eind jaren dertig was Mellon verbonden aan de National Gallery of Art in Washington. Het echtpaar Mellon schonk meer dan 1000 werken aan het museum. Zie ook de Engelstalige slideshow over Paul Mellon op de website van The National Gallery te Washington.



Henry T. Mudd (1913-1990)

Henry T. Mudd overleed op 10 september 1990 aan de complicaties van leukemie. Hij was de kleinzoon van Seeley W. Mudd, die op Cyprus een oude kopermijn heropende en tot een financieel succes uitbouwde. Zoon Harvey en zijn zoon Henry Mudd, die zijn master-graad in mijnbouw haalde op het Massachusetts Institute of Technology, breidden de Cyprus Minerals Co. uit tot een firma in goud, zilver, koper, lithium, kolen e.d. In 1955 schonk Henry en zijn moeder Mildred $ 2 miljoen voor het oprichten van het Harvey Mudd College in Claremont. Ook daarna schonk de familie Mudd vele miljoenen aan het college.

Na zijn dood waren er problemen over de erfenis. Henry was acht maanden voor zijn dood getrouwd met Vanessa Mudd, één van zijn mistressen. Vanaf 1982 had zij een relatie met Henry en wist dat hij ook met andere vrouwen omging. De rechtzaak werd aangespannen door een andere mistresse, de één-en-veertigjarige Eleanor Oliver, die $ 5 miljoen eiste. Voor verschillende vrouwen had Henry een trustfonds opgezet en een woning gekocht, waarin zij kosteloos konden wonen. Na zijn trouwen eindigende niet alleen de relatie met Oliver, die al dertien jaar duurde, maar ook de afspraken over trust en huis. Oliver verloor de rechtzaak.

Henry Mudd was eerder getrouwd geweest met Victoria Nebeker Coberly. Victoria had een kunstverzameling en was actief in verschillende philantropische organisaties. Victoria overleed op 4 september 1991 op 74-jarige leeftijd in Los Angeles.



Josef Müller (1887-1977)

Müller, 1967

Josef Müller werd op 15 februari 1887 geboren in Solothurn. (Solothurn ligt in het Duits sprekende deel van Zwitserland. Soleure is de Franse naam voor de plaats!) Nadat hij op tienjarige leeftjd zijn ouders had verloren, werd hij en zijn zus Gertrud opgevoed door een gouvernante. Rond 1907 bezocht hij Parijs en ontmoette hij de kunsthandelaar Ambroise Vollard. Van Vollard kocht hij het schilderij Portret van tuinman Vallier van Cézanne uit 1905. Na een verblijf in de Verenigde Staten in verband met zijn opleiding tot ingenieur keerde hij vlak voor de Eerste Wereldoorlog terug naar Zwitserland. Na een korte tijd gewerkt te hebben in de horlogefabriek van de familie legde Müller zich toe op schilderen, eerst in Genève en rond 1922 in Parijs. Hier verzamelde Müller van werken van o.a. Cézanne, Matisse, Renoir, Picasso, Braque en primitieve Afrikaanse en Aziatische kunst.

In 1929 trouwde Josef met Louise Adèle Hortense Ecuvillon. In de periode 1943-1967 was Müller o.a. conservator van het Musée des beaux-arts te Solothurn. In 1969 richtte hij de Josef-Müller-Stiftung op en liet hij een gedeelte van zijn collectie na aan dit museum.

In 1957 stelde Müller zijn collectie primitieve Afrikaanse kunst uit in het museum van Solothurn. Samen met zijn schoonzoon Jean Paul Barbier, die getrouwd was met zijn dochter Monique en een soortgelijke verzameling had, maakte Müller plannen voor een museum. Op 24 maart 1977 overleed Josef Müller en in mei 1977 werd in Genève het Musée Barbier-Müller geopend. In 1989 verscheen het door Jean-Lois Sosna geschreven boek La vie et les passions d'un collectionneur, ISBN: 2-88104-018-7.



Jean Paulhan (1884-1968)

Viool, 1914 Paulhan

De schrijver Jean Paulhan kocht het nevenstaande papier collé Viool voor 170 francs op de derde veiling van het geconfisqueerde bezit van de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler. Het werk is sinds 1968 te zien in het Cleveland Museum of Art. Paulhan werkte mee aan het surrealistische tijdschrift Littérature en aan La Nouvelle Revue Française. In juli 1920 werd Paulhan secretaris van het tijdschrift La Nouvelle Revue Française, dat onder leiding stond van Jacques Rivière. Na de dood van Rivière op 14 februari 1925 werd Paulhan in april 1925 hoofdredacteur en in januari 1935 directeur. Vanaf 1935 ging Paulhan om met Braque en kwam hij zeer geregeld bij Braque op bezoek. Eind juli 1946 verscheen het boek Braque le Patron, dat uitkwam in de serie Les grands peintres par leurs amis en in augustus 1999 opnieuw uitkwam, in 1958 G. Braque en in maart 1993 Braque ou la Peinture Sacrée. Paulhan werkte ook mee aan een herdenkingsuitgave in het tijdschrift Derrière le miroir getiteld Hommage à Georges Braque in mei 1964. Andere medewerkers waren o.a. Douglas Cooper en Daniel-Henry Kahnweiler.



Marcel Raval

De schrijver Marcel Raval schreef o.a. voor Galerie Georges Bernheim een voorwoord in de catalogus van de tentoonstelling van werken van Karin van Leyden-Kluth (1906-1977). Marcel Raval was in de periode 1922-1928 directeur van het tweemaandelijks literaire tijdschrift Les Feuilles Libres. Raval werkte mee aan het speciale nummer in november 1923 voor Max Jacob in het tijdschrift Le Disque Vert van Franz Hellens.



Mrs. Charley Rumsey (1881-1934)

Na de dood van de kunstverzamelaar John Quinn op 28 juli 1924 kochten Mrs. Charley Rumsey, Marcel Duchamp en Henri-Pierre Roché uit Quinns nalatenschap gezamenlijk 29 beelden van Constantin Brancusi voor $ 8.500. Na twee jaar kochten Duchamp en Roché het aandeel van mevrouw Rumsey uit.

Mrs. Charley Rumsey, die eigenlijk Mary Harriman heette, was sinds 21 september 1922 weduwe van de beeldhouwer Charley Cary Rumsey, die bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Beiden kwamen uit een welvarende familie. Mary was op 26 mei 1910 getrouwd met Charley Rumsey, die zij ontmoet had op de Meadow Brook Club op Long Island, daar zij beiden van paarden hielden. Rumsey, die geboren was op 29 augustus 1879, ontwierp in 1909 een serie beelden voor het landgoed Arden van haar vader, de spoorwegmagnaat Edward H. Harriman (1848-1909). Mary overleed op 18 december 1934 in een ziekenhuis, waar zij was opgenomen nadat zij op haar verjaardag, 17 november, gewond was geraakt tijdens een jacht in de buurt van Middleburg (Virginia). Zij was onder haar paard terecht gekomen en had als gevolg een longontsteking opgelopen.



Jacques Sarlie

Jacques Sarlie was een investeerder en kunstverzamelaar van Nederlandse oorsprong, die op 12 oktober 1960 een groot deel van zijn kunstverzameling verkocht via Sotheby's te Londen, om geld te verkrijgen voor zijn stichting The Jacques Sarlie Foundation, Inc. om jonge kunstenaars te ondersteunen. Sarlie had een persoonlijke band opgebouwd met Picasso, nadat hij als officier in het leger van de V.S. aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk was. Hij kocht verschillende werken direct van Picasso. Op de veiling werden ook o.a. 29 picasso's geveild, die $ 636.720 opbrachten, en tien werken van Modigliani, waaronder Portret van de beeldhouwer Oscar Miestchaninoff uit 1916.



Mrs. Leo Simon (1901-1992)

Esther, roepnaam Aye, Annenberg werd op 8 oktober 1901 in Chicago geboren als tweede kind van het op 20 augustus 1899 getrouwde echtpaar, Moses Annenberg (1877-1942) en Sadie Freedman (1879-1965). Haar vader was een krantenmagnaat. Een jongere zus van Esther was Lita Annenberg, die trouwde met Joseph Hazen.

Ester trouwde met Leo Simon, die in kleding handelde. Het echtpaar kreeg in 1937 de zoon Stephen, die o.a. als dirigent verbonden was aan het Washington Chamber Symphony. Samen met zijn vrouw Bonnie Ward probeerde Stephen klassieke muziek toegankelijk te maken voor kinderen.

Na de dood van haar man in 1966 ging Esther schilderen en was zij betrokken bij de Skowhegan School of Painting and Sculpture in Skowhegan, Me. Op 19 januari 1992 overleed Esther in New York.

Viool en schaakbord

Kubistische werken

In het boek Juan Gris (ISBN: 0-405-12891-6) van James T. Soby uit 1958 was het nevenstaande schilderij Viool en schaakbord, geschilderd in oktober 1913, te zien, dat toebehoorde aan het echtpaar Leo Simon te New York. Het echtpaar Simon had het werk uitgeleend voor de tentoonstelling Juan Gris 1887-1927, die van 9 april t/m 1 juni 1958 gehouden werd in The Museum of Modern Art te New York, van 24 juni t/m 24 juli 1958 in , van 11 augustus t/m 14 september 1958 in het San Francisco Museum of Art en van 29 september t/m 26 oktober 1958 in het Los Angeles County Museum.



Dr. Hugo Simons (1892-1951)

De Duitse advocaat Hugo Simons vluchtte na de opkomst van Hitler in Duitsland met zijn gezin naar Den Haag. Volgens zijn in Düsseldorf geboren zoon Jan (1925-2006) ging zijn vader voor een visum naar de ambassade van de V.S., maar daar deze gesloten was zocht hij zijn heil bij de Canadese ambassade. Hier kreeg hij inderdaad de papieren en in mei 1939 arriveerde het gezin in Montreal.

Otto Dix, 1929

In 1929 schilderde Otto Dix het nevenstaande portret van de advocaat Simons. Het schilderij hangt nu in het Montreal Fine Arts Museum, dat het volgens een oud-leerling van de bariton Jan Simons van Hugo Simons kocht. Het museum kreeg in de periode 1 april 1993 t/m 31 maart 1996 $ 300.000 uit een cultureel fonds Canadian Heritage om het schilderij te kopen. Het schilderij was door Dix geschilderd als vergoeding in natura voor een geleverde dienst. De geleverde dienst door de advocaat was waarschijnlijk groot, daar ook een schilderij van zijn moeder, Anna Grünebaum, in 1926 door Dix werd gemaakt. Dit schilderij bevindt zich vanaf 1993 in The McMaster Museum of Art te Hamilton, Canada. Dit museum ontving $ 260.000 uit het zelfde culturele fonds.



Howard en Babette Sirek

Portugese Vrouw, 136 x 156 cm

Dankzij een artikel in de krant The Dispatch van 24 december 1983 geschreven door Robert Greene en een interview van Naomi Schottenstein met Babettes zus Charlotte Lazarus Witkind (1919-2003) op 2 november 1999 zijn de volgende gegevens over het kunstverzamelaars echtpaar Sirek bekend. Het artikel werd geschreven naar aanleiding van een zesjarige overeenkomst van het Columbus Museum of Art met het echtpaar Sirek. Het museum zou 76 werken ontvangen ter waarde van $ 19 miljoen, waarvoor het museum $ 8 miljoen in zes jaar ging betalen. De collectie bestond uit o.a. impressionistische, post-impressionistische, fauvistische, kubistische en expressionistische werken. Onder de werken was een papier collé van Juan Gris uit 1913 en het nevenstaande Portugese vrouw van Robert Delaunay uit 1916.

De arts Dr. Howard Sirak, getrouwd met Babette Lazarus, begon in de zestiger jaren met het verzamelen van kunstwerken. Babette Lazarus (1922?-2004?) was eerder getrouwd met David J. Rosenstiel, die op 38-jarige leeftijd overleed aan een hartaanval op 28 januari 1960 in zijn woonplaats Tucson. Rosenstiel was werkzaam bij de door zijn vader Lewis (-1975) tot één van de grootste distilleerderij van de V.S. uitgebouwde bedrijf, Schenley Industries. Het echtpaar had vier kinderen, David, Robert, Nancy en Billy. Na de dood van haar man ontmoette Babette de getrouwde chirurg Howard Sirek en binnen een jaar waren zij getrouwd. Het echtpaar kreeg samen nog zoon John, waardoor het totaal aantal kinderen van het echtpaar op zeven kwam.

In 1991 gaf het Columbus Museum of Art de catalogus Impressionism and European modernism : the Sirak collection uit (ISBN: 0295971339). In april 1992 verscheen het boek Love Affair: The Story of the Sirak Art Collection (ISBN: 978-0918881298) geschreven door Babette Sirak en Kirsten Chapman.



James Johnson Sweeney (1900-1986)

Sweeney

James Johnson Sweeney, wiens familie afkomstig was uit Ierland, studeerde na zijn opleiding in Cambridge (Massachusetts, V.S.) aan de Sorbonne in Parijs en aan de universiteit van Siena, Italië. Al tijdens zijn verblijf in Cambridge schreef hij over moderne kunst in de zondageditie van de New York Times.

James Johnson Sweeney was in de periode 1935-1946 curator van het Museum of Modern Art te New York en in de periode 1952-1960 directeur van het Solomon R. Guggenheim Museum te New York.

Het archief van Sweeney werd na zijn dood door zijn zoon Seán geschonken aan het Solomon R. Guggenheim Museum.

In maart 2010 verscheen het door Marcia Brennan geschreven boek Curating Consciousness met als ondertitel Mysticism and the Modern Museum (ISBN: 9780262013789) waarin veel aandacht werd besteed aan Sweeney.



Dorothea Ventris (-1940)

Dorothea Ventris verhuisde na haar scheiding in 1935 met haar zoon Michael (1922-1956) in 1936 naar de Londense voorstad Highgate en liet de Bauhaus architect Marcel Breuer (1902-1981) meubels voor haar flat ontwerpen. Dorothea Ventris, roepnaam Dora, kende Henry Moore, Naum Gabo en Ben Nicholson en had in haar flat twee schilderijen van Picasso, één van Juan Gris en een beeld van Moore. De uit een welvarende Poolse familie afkomstige Anna Dorota Janasz stierf in juli 1940 aan een overdosis van het slaapmiddel Barbitone, toen zij verbleef in een hotel in Wales. De oorzaak van de zelfmoord moet misschien gezocht worden in haar financiële problemen, doordat haar Poolse familie na de inval van de Duitse troepen in Polen, niet meer instaat was haar financieel te ondersteunen. Bovendien was haar vader kort daarvoor overleden. Haar ex-man stierf in 1938 aan tuberculose en haar zoon Michael overleed in 1956 bij een auto-ongeluk.



Dr. Herschel Carey Walker (1890-1975)

Zittende Harlekijn, 1923

De Amerikaanse arts Dr. Herchel Carey Walker begon in 1924 met het verzamelen van kunstwerken. In de zestiger jaren had hij 10 werken van Picasso en Zittende Harlekijn van Juan Gris uit 1923, die hij uitleende voor een reizende tentoonstelling. In januari 1994 schonk The Carey Walker Foundation vier niet-kubistische werken van Picasso en het schilderij van Juan Gris aan het University of Michigan Museum of Art.




Theodor Werner (1886-1969)

De schilder Theodor Werner werd op 14 februari 1886 geboren in Jettenburg (Württemnerg). In de periode 1909-1914 verbleef hij diverse keren in Parijs. In 1930 verhuisde hij naar Parijs, waar hij zich aansloot bij de kunstenaarsvereniging Abstraction-Création. In 1931 trouwde Werner met de schilderes Annelies Rütgers (1903-1971), roepnaam Woty. Na terugkeer in Duitsland in 1935 kreeg Werner een verbod om te werken en te exposeren en behoorden zijn werken tot de Entartete Kunst. Theodor Werner overleed op 15 januari 1969 in München en Woty overleed op 11 september 1971.



Claire Zeisler-Block (1903-1991)

Claire Block werd op 18 april 1903 geboren in Cincinnati (Ohio). In 1921 trouwde zij met Harold Florsheim (1899-1987), die vanaf 1916 werkte bij het familiebedrijf Florsheim Shoe Company, dat sinds 1892 in Chicago bestond. Door een andere verkoopmethode en wekelijkse reclame vanaf 1907 in The Saturday Evening Post groeide het bedrijf. In de dertigerjaren kocht het echtpaar werken van o.a. Klee, Miró, Moore en Picasso. In 1943 scheidde het echtpaar en Claire trouwde in 1946 met Ernest Zeisler. Begin vijftigerjaren studeerde Claire aan het Chicago Institute of Design en daarna aan het Illinois Institute of Technology, waar zij les kreeg van o.a. Alexander Archipenko en Laszlo Moholy-Nagy. Na aanvankelijk als weefster werkzaam te zijn geweest ging zij vanaf 1962 ruimtelijke werken van fibermateriaal maken.

Le verre, afm.: 33 x 17,2 cm Femme qui coud, afm.: 80 x 62,2 cm

Op de tentoonstelling Chicago Collectors, die van 20 september t/m 27 oktober 1963 werd gehouden in het Art Institute of Chicago waren twee kubistische werken van Picasso uit het bezit van Mrs. Ernest Zeisler aanwezig. Het waren het nevenstaande (links) Naaiende vrouw uit 1909, dat eerder tot de verzameling van Walter P. Chrysler Jr. behoorde, en het nevenstaande (rechts) Het Glas uit 1911, dat zij in de dertiger jaren kocht. Het laatste kleine schilderij schonk Claire in 1986 aan The Art Institute of Chicago. Claire Zeisler overleed op 30 september 1991.



Laatste wijziging: 081211