Nelson Aldrich Rockefeller werd geboren op 8 juli 1908 in Bar Harbor (Maine) als derde kind van John D. Rockefeller Jr. (1874-1960) en Abigail (roepnaam Abby) Greene Aldrich (1874-1948). Nelson had in navolging van zijn opa Nelson W. Aldrich een politieke loopbaan. Het bracht hem tot de 41ste vicepresident van de Verenigde Staten in de periode 1974-1977. Tijdens zijn gouverneurschap van de staat New York in de periode 1959-1973 probeerde Nelson drie keer de Republikeinse kandidaat voor het presidentschap te worden, maar werd hij verslagen door Richard Nixon en Barry Goldwater. Op 19 december 1974 werd Nelson vicepresident, toen de vicepresident Gerald Ford doorschoof naar president na het aftreden van Nixon op 9 augustus. Nelson besloot in november 1975 niet mee te doen voor een tweede termijn. De Republikeinen, Ford en Robert Dole, verloren van de Democraat Jimmy Carter. Nelson overleed op 26 januari 1979 in New York aan een hartaanval.
Nadat Nelson zijn eerste schooljaren had doorgebracht op de Roger Ascham School ging hij daarna op 24 september 1917 naar de pas geopende Lincoln School, een school voor basis en middelbaar onderwijs. Na zijn eindexamen maakte Nelson met zijn oudere broer John een fietstocht van hotel naar hotel in Frankrijk. Na aankomst van de SS Aquitania in Le Havre fietsten zij door Normandië en langs de Loire. In Rouen kocht Nelson denkelijk zijn eerste kunstwerk, n.l. een ets van Rouen voor 50 francs. Op 26 juli keerden zij met een vrachtboot terug naar New York. In september ging Nelson studeren aan het Dartmouth College in Hanover, New Hempshire. Op 23 juni 1930 trouwde Nelson met Mary Todhunter Clark (1907-1999) en zijn ouders schonken het bruidspaar een wereldreis van negen maanden. Nelson werkte bij diverse familiebedrijven. Het echtpaar kreeg 5 kinderen. Hun jongste zoon Michael kwam in het nieuws in 1961 wegens zijn verdwijning in New Guinea. Zijn lichaam werd niet gevonden. Op 16 maart 1962 scheidde het echtpaar.
Op 4 mei 1963 trouwde Nelson met Margaretta Fitler (1926- ), die op 1 april 1963 gescheiden was van de viroloog Dr. James Slater Murphy. Margaretta, roepnaam Happy, had al vier kinderen uit dit vorige huwelijk en kreeg met Nelson nog twee kinderen, Nelson in 1964 en Mark in 1967.
In 1932 werd Nelson een trustee van het door zijn moeder opgerichte Museum of Modern Art te New York. Hij vervulde diverse functies bij het museum in de periode 1932-1979. In 1939 volgde hij zijn moeder op als 'President'.
Nelson bestelde op 14 april 1955 bij Atelier J. de la Baume Dürrbach in Cavalaire, Frankrijk, een wandtapijt van het schilderij Guernica van Pablo Picasso uit 1937. De overeenkomst tussen Nelson en het atelier werd gesloten via Nelly van Doesburg. Op 19 april ging Picasso accoord. Het was het eerste van 18 wandtapijten naar werken van Picasso in opdracht van Nelson. Op nevenstaande foto staan de wandtapijten De drie muziekanten en De drie dansers gemaakt naar de schilderijen uit resp. 1921 en 1925. De afmetingen van het laatste werk zijn denkelijk 199,5 cm bij 301,6 cm. De nevenstaande tapijten zijn ondergebracht in Kykuit: The Rockefeller Estate in Sleepy Hollow (NY). De weverij had op eigen initiatief een Guernica geweven en Picasso en Nelson Rockefeller waren onder de indruk.
Zie eventueel de webpagina Kubistische (wand)tapijten.
Nelson deed in 1968 mee met het consortium, dat de kunstverzameling van Gertrude Stein kocht en waarvan zes werken in ieder geval bestemd zou zijn voor het Museum of Modern Art te New York. De leden van het consortium hadden afgesproken steeds om de beurt een werk uit de aankoop te kiezen. Nelson koos enkele kubistische werken.
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | opmerking |
![]() | Hoofd: Naakt met gordijn | Picasso | 1907 | |
![]() | Hoofd: Naakt met gordijn | Picasso | 1907 | |
![]() | Stilleven met glazen en fruit | Picasso | 1908 | Verkocht. Nu te zien in Museo Thyssen-Bornemisza te Madrid |
![]() | Student met een pijp | Picasso | 1913-1914 | In 1979 geschonken aan MOMA, New York |
![]() | Gitaar op een tafel | Picasso | 1912-1913 | In 1975 geschonken aan het Dartmouth College Museum te Hanover, New Hampshire. In 1985 werd de naam van het museum veranderd in het Hood Museum of Art. |
In het boek Juan Gris van James T. Soby uitgegeven in 1958 te New York werd van het nevenstaande collage Gitaar, Glazen en Fles van Juan Gris uit 1914 aangegeven, dat Nelson A. Rockefeller eigenaar van het schilderij was.
Nadat Nelson ongeveer zeven jaar trustee was geweest bij het Museum of Modern Art, werd hij in 1938 voorzitter van de Board of Trustees. Hij bleef dit totdat hij op 19 december 1974 werd benoemd tot vicepresident van de Verenigde Staten van Amerika als gevolg van het al eerder genoemde aftreden van Richard Nixon. Zijn jongste broer David volgde hem op. In 1969 werd in het museum de tentoonstelling Twentieth Century Art from the Nelson Aldrich Rockefeller Collection gehouden, waarbij ruim 200 werken uit zijn 1500 verzamelde werken werden getoond. Nelson schonk diverse kubistische werken aan het museum.
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | nu te zien in |
![]() | De oogsters | Picasso | 1907 | Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid |
![]() | Meisje met mandoline | Picasso | 1910 | In 1979 geschonken aan het Museum of Modern Art, New York |
![]() | Gitaar | Picasso | 1913 | In 1979 geschonken aan het Museum of Modern Art, New York |
![]() | De Klarinet | Braque | 1913 | In 1952 voor $ 8.000 gekocht van Amédée Ozenfant en nagelaten aan het Museum of Modern Art, New York |
![]() | Stilleven 'JOB' | Picasso | 1916 | In 1979 geschonken aan het Museum of Modern Art, New York |
Het laatste werk, Stilleven 'JOB', behoorde tot de kunstverzameling van Alphonse Kann en Rolf de Maré. Het werk werd bij het Museum of Modern Art in 1999 geclaimd door de erfgenamen van Kann. Op een foto uit 1926 was het werk te zien bij Kann en in 1942 nam de Maré het werk mee uit Parijs. Hoe de Maré aan het werk kwam was onbekend. Aangezien het archief van de Maré niet toegankelijk was bleef het werk in het museum.
Cary Reich: The life of Nelson A. Rockefeller - Worlds of Conquer 1908-1958, 1996, ISBN: 0-385-24696-x.