De verdwenen kunstverzameling van Paul en Sophie Küppers

lijst

Voordat Sophie Küppers-Schneider in 1927 naar Moskou vertrok leende zij 16 werken van haar kunstverzameling uit aan het Provinzial-Museum te Hannover, waar Dr. Alexander Dorner directeur was. Sophie kende Dorner goed, daar hij ook directeur was van het Kestner-Gesellschaft. Het aantal kunstwerken werd tot dertien verminderd in 1930 toen Sophie werken meenam naar Moskou, waar zij in 1927 getrouwd was met de kunstenaar El Lissitzky. Tijdens haar met veel moeite verkregen reis naar Oostenrijk en Duistland in 1958 vernam Sophie van Ferdinand Stuttmann, de algemene directeur van het museum in Hannover, dat haar uitgeleende verzameling verloren was gegaan. Stuttmann was in 1937 Dorner opgevolgd als directeur van de kunstafdeling en bleef dat in de oorlog. In 1947 kon hij weer aan het werk als afdelingsdirecteur. In de periode 1953-1962 was Stuttmann algemeen directeur.

Na de reis maakte Sophie voor haar zoon Jen Lasarewitsch Lissitzky de nevenstaande lijst van verdwenen werken, die zij kort voor haar dood in 1978 aan hem overhandigde. Op 7 mei 1989 slaagden Jen en zijn tweede echtgenote Natascha erin met een list de Sovjetunie te ontvluchten om via Wenen naar Israël te vliegen. Als kind van een joodse vader zou Jen zich kunnen vestigen in Israël. Via de Duitse ambassade in Wenen verkregen Jen en Natascha reispapieren, waarmee zij naar West-Duitsland konden reizen. Daar begon Jens speurtocht naar de verdwenen kunstverzameling van zijn moeder en de verdwenen werken van zijn vader El Lissitzky. In het najaar van 1991 kreeg Jen de hulp van de in 1961 geboren Clemens Toussaint, die kunstgeschiedenis had gestudeerd en in opdracht van de West-Duitse regering meegeholpen had aan een project met Russsische onderzoekers naar o.a. het verblijf van Duitse roofkunst in de Sovjetunie. Het Sovjetleger had na de Tweede Wereldoorlog een grote hoeveelheid kunst als schadevergoeding vervoerd naar de Sovjet-Unie.

Nadat Hitler op 30 januari 1933 de macht had overgenomen begon de kritiek op de toenmalige hedendaagse kunst, de makers ervan, de verbreiders en de museumdirecteuren, die de kunstwerken hadden aangekocht. Op 2 februari 1937 werd Dr. Alexander Dorner als directeur van het museum in Hannover van zijn functie ontheven. In juli 1937 vluchtten Dorner en zijn vrouw Lydia via Parijs naar de Verenigde Staten. De verzameling van Sophie werd op 5 juli 1937 samen met 64 andere werken uit het museum Hannover verwijderd en vanaf 19 juli 1937 voor een deel getoond op de tentoonstelling Entartete Kunst in München.


lijst

In de periode april-augustus 1937 werden tijdens drie beslagnames 278 kunstwerken uit het Landes Museum Hannover gehaald in verband met de titel Entartete Kunst. Op de laatste van 17 augustus werden ook 17 aan het museum uitgeleende werken in beslag genomen. Op de inventarislijst stond drie keer Küppers als eigenaar en één keer als misschien aangegeven. Op de hiernaast afgebeelde lijst staan Kubistisch landschap bij Parijs van Albert Gleizes, The Gate van Lyonel Feiniger uit 1912 en Le Baiser van Tour Donas met de aanduiding Eigentum Küppers en een Stilleven van Emil Filla als eigendom van Küppers of van Garvens. Op de hierboven geschreven lijst staat uitsluitend het werk van Gleizes.

Kubistisch landschap bij Parijs, 1912

In 1968 had Sophie Lissitzky-Schneider contact met het Niederrsächsischen Landesmuseum, de opvolger van het Provinzial-Museum, te Hannover, daar zij in een uitgave over het gerestaureerde Abstrakte Kabinett van Lissitzky een afbeelding van nummer 1 van de lijst, Kubistisch landschap bij Parijs van Albert Gleizes uit 1912, had zien staan. Helaas bleek het een oude archieffoto. Het werk kreeg nummer 7030 bij de opslag in het depot te Berlijn en de mededeling dat het verkocht was aan kunsthandelaar Karl Buchholz. In 1943 opende Buchholz een boekhandel in Lissabon, waar hij regelmatig naar toe ging. In januari 1945 verliet hij Duitsland, maar kon of wilde niet meer terugkeren door de opmars van de geallieerde legers. Aan het einde van de oorlog was Buchholz in Madrid, waar hij in 1945 een boekhandel opende. In 1951 emigreerde Buchholz vanuit Spanje naar Bogotá in Colombia, waar hij opnieuw een boekhandel en galerie opende. Denkelijk nam hij het werk mee en bevindt het werk zich nu in Zuid-Amerika.

salon Küppers, 1920-1927 Improvisation Nr. 10, afm.: 120 x 140cm

Nummer 2 van de lijst, het grote schilderij op nevenstaande foto zichtbare Improvisation Nr. 10 van Wassily Kandinsky uit 1910, hing op de tentoonstelling Entartete Kunst. Na de tentoonstellingen vroeg het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda op 25 november 1938 aan de directie van het Landesmuseum naar het woonadres van de naar de Sovjet-Unie verhuisde uitleenster Sophie Küppers. Volgens de wettekst van 31 mei 1938, waarmee de verbeurdverklaring van entartete Kunst wettelijk werd geregeld, waren uitleningen van buitenlanders uitgezonderd. Volgens de schrijfster Ines Katenhusen in het boek Werke und Werte wist Stuttmann op het moment van confisqueren in 1937 het adres van Sophie Lissitzky-Schneider in Rusland, maar stuurde Sophie Küppers geen bericht. Het schilderij werd onder inventarisnummer EK 16057 ondergebracht in Schloss Schönhausen, nadat de oorspronkelijke verzamelplaats van de Entartete Kunst leeg opgeleverd moest worden. De kunsthandelaar Ferdinand Möller, die tot 7 juli 1937 in zijn Berlijnse galerie hedendaagse kunst tentoonstelde en bevriend was met Kandinsky, kocht voor $ 100 het schilderij. Möller was één van de vier belangrijkste kunsthandelaren in Entartete Kunst om buitenlandse deviezen te verkrijgen. Hij bood het schilderij voor 8000 Reichsmarken aan aan Rudolf Bauer, voor $ 3.200 aan het Detroit Institute of Arts en aan Dorner. In een brief van 26 mei 1939 schreef Dorner aan Möller, dat het schilderij, dat hem door Möller werd aangeboden, eigendom was van Sophie Küppers in Moskou. Möller verhuisde met zijn vrouw vanuit Berlijn naar Zermützel in Brandenburg en begroef het schilderij met andere entarteter Kunst in een zinken kist in zijn tuin. Na de oorlog groef hij de kisten op en op 3 augustus 1946 hield hij in Neuruppin de tentoonstelling Freie deutsche Kunst. Bang om zijn bezit aan de Russische bezetter kwijt te raken verhuisde Möller in 1949 naar Keulen, waar hij een nieuwe galerie liet bouwen. In 1951 kocht de Bazelse kunsthandelaar Ernst Beyeler Improvisation Nr. 10 voor 18.000 Zwitserse Franken. In 1952 verkocht hij het werk voor 28.000 aan een verzamelaar in Winterthur, waarvan hij het in 1955 voor 40.000 terugkocht. In 1993 bezocht Jen Lissitzky Ernst Beyeler en zag hij het schilderij, maar op een brief van 8 maart 1993 voor een schikking reageerde Beyeler met de mededeling dat hij de rechtmatige eigenaar was. Via een rechtzaak probeerde Jen Lissintzky in 2001 zijn gelijk te halen.

Een probleem bij het terugkrijgen van de werken is het Duitse recht, waarin staat dat de koper op een openbare veiling de rechtmatige eigenaar wordt. Op 20 november 1989 kocht de Duitse verzamelaar Paul Heinz Bendix voor 1,1 miljoen DM op een veiling van het Kunsthaus Lempertz te Keulen nummer 3 van de lijst, de aquarel Zwei schwarze Flecke van Wassily Kandinsky. De verzamelaar Bendix was niet bereid tot een schikking.

Sumpflegende

In de afdeling Dada van de tentoonstelling Entartete Kunst hing nummer 4 van de lijst, het schilderij Sumpflegende van Paul Klee uit 1919. Nadat het ook in andere Duitse steden was tentoongesteld kocht de kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt in 1941 voor 500 Zwitserse franken de aquarel van het Deutsche Reich. In 1962 werd het schilderij op een veiling bij het Keulse Kunsthaus Lempertz voor 85.000 DM verkocht aan de Zwitserse galeriehouder Ernst Beyeler. Via diverse bezitters kocht in 1982 de stad München samen met de Gabriele Münther- und Johannes Eichner-Stiftung het werk voor 800.000 DM van de kunsthandelaren Siegfried en Angela Rosengart uit Luzern om het tentoon te stellen in het Lenbachhaus te München. In een brief van 4 oktober 1968 schreef de directeur van het voormalige Provinzial-Museum, Harald Seiler, dat hij niets wist van de kunstverzameling Küppers, ondanks dat hij in 1962 mee wilde bieden op Klees Sumpflegende tijdens de veiling bij Kunsthaus Lempertz, maar door het ministerie wegens rechtelijke bedenkingen teruggefloten werd. In 1992 probeerde Jen Lissitzky het schilderij via het gerecht terug te krijgen, maar hij werd op 8 december 1993 in München in het ongelijk gesteld. Na de conferentie in Washington in 1998 over geconfisqueerde eigendommen tijdens de Tweede Wereldoorlog verklaarde de Duitse Bundesregering en de lagere overheden op 14 december 1999, dat zij bereid waren de aanbevelingen van de Washingtonconferentie op te volgen. De gesprekken, die Jen Lissitzky en Clemens Toussaint daarna met vertegenwoordigers van de stad München voerden, werden bemoeilijkt door drie andere nakomelingen van Sophie en Paul Küppers' zonen Kurt en Hans. Zie voor meer details pagina 288 e.v. van het boek Nazi Looted Art - A Handbook of Art Restitution Worldwide van de schrijvers Gunnar Schnabel en Monika Tatzkow uitgegeven in Berlijn 2007 (ISBN: 978-3-00-019368-2).

Nummer 6 van de lijst, de aquarel Fliegenstadt van Paul Klee uit 1921 werd onder nummer 7205 en de titel Die Gelbe Schlange vastgelegd in het depot te Berlijn. In 1940 kocht de Berlijnse galeriehouder Ferdinand Möller het werk voor een habbekrats. Via diverse personen, o.a. Heinz Berggruen, kwam het werk in 1997 bij de Japanse industrieel Massayuki Murata in Kioto. Na een verklarende brief van Toussaint aan de heer Murata was Murata bereid het werk voor een symbolische prijs te overhandigen. In 2001 werd het werk in het Kiyomizu Sannenzaka Museum overhandigd aan Toussaint.

Nummer 8 van de lijst, een aquarel op karton van Fernand Léger, werd denkelijk na de inbeslagname onder nummer 14214 opgeslagen in Schloss Schönhausen te Berlijn. Daar achter het nummer een V staat, is het zeer waarschijnlijk vernietigd. Een van de problemen bij het opsporen is het ontbreken van een foto van dit werk, maar ook van andere werken van de lijst, genomen bij de familie Küppers. De werken werden wel gefotografeerd bij het opslaan in het depot in de Köpenickstrasze te Berlijn.

Nummer 9 van de lijst, Neoplastizisme van Piet Mondriaan, werd denkelijk onder nummer 7034 in Berlijn vastgelegd. Karl Buchholz liet het werk met andere kunstwerken via Curt Valentin aan musea in de V.S. aanbieden. Alexander Dorner, die na zijn emigratie directeur van een museum in Rhode Island was geworden, zag daardoor het schilderij en deelde Valentin mee, dat het schilderij eigendom was van iemand anders en niet verkocht mocht worden en gaf het terug aan Valentin. Vermoed wordt dat het schilderij ergens in de V.S. bij een particulier hangt.

Nummer 10 van de lijst, de gouache La grappe de raisins van Louis Marcoussis uit 1920, hing in het Abstrakte Kabinett in het Provinzial-Museum te Hannover toen het in beslag werd genomen. De kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt kocht het werk van het Deutsche Reich en verkocht het tijdens de oorlog aan de Keulse verzamelaar Josef Haubrich. Deze schonk het werk in 1950 aan de stad Keulen. In 1992 vond Clemens Toussaint het werk in het Museum Ludwig te Keulen. Nadat de claim van Jen Lissitzky in oktober 1992 was afgewezen, werd het werk als gevolg van de Washingtonconferentie op 4 april 2000 alsnog door de stad Keulen officieel aan Jen Lissitzky toegewezen. Het was het eerste werk van de verzameling dat terug kwam bij de erfgenaam van Sophie Lissitzky-Schneider.

Bronnen en verdere informatie

boek, 2002

De bovenstaande gegevens zijn afkomstig uit het in 2002 in Keulen verscheen boek Die geraubten Bilder met als ondertitel Die abenteuerliche Geschichte der Sophie Lissitzky-Küppers und ihrer Kunstsammlung geschreven door Ingeborg Prior (ISBN: 3-462-03084-1). In het boek wordt ook uitvoerig ingegaan op de zoektocht naar de werken van El Lissitzky en de dubieuze rol van de Galerie Gmurzynska in Keulen. De galerie zag kans om vele kunstwerken van Russische avant-garde kunstenaars door het gesloten ijzeren gordijn te krijgen.

Via het Engelstalige artikel Clemens Toussaint, the devil and the artdetective geschreven door Marc Spiegler kunt u achtergrond informatie over Toussaint lezen. In dit artikel uit juli 2003 wordt vermeld, dat Jan Lissitzky alle banden met Toussaint had verbroken en denkelijk een overeenkomst met Ernst Beyeler over het schilderij Improvisation Nr. 10 sloot. Hierdoor werd Toussaint buitenspel gezet, ondanks dat Toussaint en Lissintzky in 1999 een vijfjarig contract hadden afgesloten. De waarde van het schilderij werd op $ 30 miljoen geschat. Op 6 februari 2003 sprak een rechter in Frankfurt uit, dat Toussaint van belang was geweest voor de deal.

Op 14 februari 2002 werd in de Presseclub te Frankfurt een bijeenkomst gehoudem om de Duitse vertaling van het boek 36 Letters - The Story of Sophie Lissitzky van David Markish te promoten. Behalve de 36 brieven, die Sophie Lissitzki-Küppers aan haar kleindochter Olga schreef bevat het boek kopieën die de werkwijze van Toussaint, die 50% van de verkregen waarde rekent, bekritiseerd. Een niet getekende overeenkomst uit 2001 toont bovendien, dat Jen Lissitzky de rest van zijn familie slechts 20% gunde. Behalve het artikel Lissitzkijs Erben van Claudia Herstatt in Zeit Online (nr. 08/2002), een reactie op dit artikel van Ingeborg Prior en het bovenstaande artikel van Marc Spiegler heb ik op internet niets kunnen vinden over dit boek.

Laatste wijziging: 280212