De latere kunstverzamelaar Pierre Alexandre Regnault werd op 29 juli 1868 geboren te Amsterdam als oudste kind van Pierre François Regnault (1838-1913) en Bernadina Nieuwenhuis (1840-1924). Zijn vader leidde vanaf 1901 een paraplufabriek. Op 19 mei 1892 trouwde Regnault met Marianne Catharina Langehenkel (1865-1958), roepnaam Cato. Het echtpaar kreeg acht kinderen in de periode 1893-1908. Op 16 juli 1894 startte Regnault als zelfstandige handelsagent de firma P.A. Regnault. Hij verhandelde van alles, maar het belangrijkste werden kwasten en penselen van de Verenigte Pinselfabriken uit Neurenberg. Regnault reisde veel en de zaken gingen voorspoedig.
Daar Regnault de vertegenwoordiging verkreeg van de tubeverffabriek Schmincke & Co uit Düsseldorf raakte Regnault in contact met gebruikers, o.a. de kunstschilders Bernard de Hoog (1866-1943) en Johan Scherrewitz (1868-1951). Regnault kocht van hen enkele werken rond 1896 en vervolgde met aankopen van werken van andere schilders. Rond 1902 liet Regnault nevenstaande portretten van hem en zijn vrouw schilderen door Frans Deutman (1867-1915). Op 26 april 1910 verhuisde het gezin Regnault naar villa Juliette, Soestdijkerstraat 19d, in Hilversum.
Eind 1913 ging Regnault zich richten op Nederlands-Indië en na een bezoek van zijn medewerker J.J. Keyser aan Indië stichtten zij samen de in- en export firma Nederlandsche Overzeesche Handelsvereniging (NOV) in 1915. Regnaults oudste zoon Pierre François kreeg de leiding. Door de Eerste Wereldoorlog had de firma het moeilijk. In mei 1919 ging Regnault zelf naar Indië en trof daar een firma met grote financiële problemen en een zieke zoon. Zijn zoon leed aan TBC en na terugkeer in Nederland overleed hij op 26 mei 1921.
Regnault stichtte in 1919 een eigen verffabriek in Soerabaja, maar deed dit zonder overleg met zijn medefirmant. Na terugkeer in Nederland stapte Keyser uit de NOV en Regnault uit de handelsfirma P.A. Regnault, waar Keyser ook medefirmant van was sinds 1915. Regnault zette ondanks de economische problemen in Indië door en vanaf 1925 kwam het succes. Zijn verven waren afgestemd op het tropisch klimaat en de zaken gingen zeer voorspoedig. Ook de geregelde aanwezigheid van Regnault in Indië droeg daaraan bij. Hij stichtte fabrieken in Batavia, Semarang en Singapore en kreeg in 1935 de status hofleverancier.
Vanaf 1914 gaf Regnault een gedeelte van zijn collectie in bruikleen aan het Stedelijk Museum te Amsterdam. In 1924 had het museum 24 werken in bruikleen van Regnault, waarmee hij na Piet Boendermaker de grootste particuliere bruikleengever was. Door zijn uitstekend draaiende verffabrieken in Nederlands-Indië was Regnault in staat zijn kunstverzameling uit te breiden en aankopen in Parijs te doen. Vanaf mei 1929 had Regnault regelmatig schriftelijk contact met de Parijse galeriehoudster Jeanne Bucher en bezocht hij haar galerie tot 1933 jaarlijks. Door zijn Indische inkomsten kon Regnault tijdens de economische crisis begin dertiger jaren kunst blijven kopen. Zijn huis Villa Olmenhove in Laren, dat hij op 5 april 1919 had gekocht, stelde Regnault vanaf 1926 op woensdag- en zaterdagmiddag open voor het publiek om zijn verzameling te bewonderen. Regnault had slechts een enkel kubistisch werk in zijn grote verzameling. Regnault had een voorliefde voor de École de Paris, maar kocht ook werken van o.a. Heinrich Campendonck, George Grosz en Kandinsky.
Op 28 juni 1929 schreef Jeanne Bucher aan Regnault dat zij het schilderij Vrouw met mosterdpot van Picasso uit 1909-1910 voor FF 60.000 aangeboden had gekregen en dat zij FF 50.000 had geboden. Regnault ging niet op het aanbod in, daar hij maximaal FF 40.000 aan een werk van Picasso wilde uitgeven. Het werk is nu in het Gemeentemuseum Den Haag te zien. Jeanne Bucher probeerde Regnault over te halen een schilderij van Braque te kopen. In een brief aan haar liet hij weten, dat zijn voorkeur niet naar de kubistische periode ging, maar naar de periode rond 1930. Haar aanbiedingen vond hij echter te duur.
In februari 1930 bracht de schilder Johan Voskuil Regnault op de hoogte van de mogelijkheid om drie Chagalls van Willem Beffie te kopen. Beffie had De Violist, Zelfportret en Zwangerschap in 1914 gekocht op de tentoonstelling van De Onafhankelijken, maar hij had nu geld nodig. Nadat Beffie Regnaults bod had afgewezen onderhandelde Johan Voskuil, daar Regnault naar Indië vertrok. Op 4 maart 1930 telegrafeerde Voskuil dat de koop voor f 10.000,- was gesloten. De schilderijen werden direct uitgeleend aan het Stedelijk Museum.
In januari 1931 kocht Regnault voor de prijs van f 100 bij Paul Citroen (1896-1983) het nevenstaande werk Rokers van Fernand Léger uit 1911-1912. Denkelijk had Paul Citroen het werk in november 1919 gekocht bij Galerie Der Sturm in Berlijn, waar hij enige tijd ook werkte. Het werk is te zien op nevenstaande foto uit ongeveer 1940. De gemeente Amsterdam kocht het werk van de erfgenamen op 15 juli 1958 voor 53.00 gulden. Gelijktijdig werd door Citroen een aantal andere werken aangeboden, waaronder het schilderij Marine van Jean Metzinger voor f 600,-. Regnault kocht het niet.
Op 15 maart 1937 kreeg Regnault het aanbod om het kubistische schilderij Le Violon van Georges Braque uit 1913 te kopen uit het bezit van Daniel-Henry Kahnweiler. De heer C.P. van der Feltz van kunsthandel Santee Landweer deed het aanbod in een brief. In Braque cubism. Catalogue of the work 1907-1914 staat echter geen schilderij met de maten 65 cm bij 54 cm in 1913. Regnault had onder zijn pseudoniem 'van den Olmenhove' in Verf en Kunst rond de jaarwisseling 1933-1934 over Braque geschreven. Regnault gaf vanaf 1931 het maandelijkse tijdschrift Verf en Kunst uit om vooral zijn Indische klanten voor te lichten over zijn verven. Regnault gebruikte het blad ook om zijn mening, maar ook van anderen, over moderne kunst te geven.
Op 24 juli 1937 kocht Regnault bij de joodse kunsthandelaar Herbert Tannenbaum (1892-1958) het nevenstaande schilderij Stilleven met gitaar van Picasso uit 1924. De prijs was f 3900. Het werk behoorde tot 1936 tot de kunstverzameling van Rudolf Engelhorn, die het werk gekocht had van G.F. Reber. Op 15 oktober 1958 kocht de gemeente Amsterdam het schilderij voor f 203.000. Tannenbaum, die in 1920 in Mannheim de galerie Das Kunsthaus was begonnen, vluchtte in 1937 naar Nederland. Hij slaagde erin een groot aantal kunstwerken mee te nemen en deze vanuit zijn woning in Amsterdam te verkopen. Het schilderij leende Regnault uit voor de tentoonstelling Vierde collectie Regnault, die gehouden werd in Batavia in 1938. Het werk is te zien op nevenstaande foto.
In totaal waren er vijf schilderijen tentoonstellingen in de periode 1935-1940 bij de Bataviasche Kunstkring aan de Van Heutsz Boulevard in Batavia. Initiatiefneemster van de tentoonstellingen was Drs. Jeanne de Loos - Haakman (1881-1976). Daarnaast werden ook regelmatig Tentoonstelling van houtsneden, etsen, lithografieën. Hollandsch en buitenlandsch werk uit het bezit van den Heer P.A. Regnault te Laren gehouden. Het Stedelijk Museum zorgde voor het inpakken en de Stoomvaartmaatschappij Nederland zorgde voor gratis vervoer naar Indië. Regnault vroeg ook aan andere verzamelaars bruiklenen beschikbaar te stellen voor de tentoonstellingen in Indië. De schilderijen, die Regnault had uitgeleend voor de vijfde tentoonstelling, overleefden de Japanse bezetting dankzij het bevriende echtpaar Levelt. Zij lieten de schilderijen uit de lijsten halen en samen met werken op papier in twee kisten opbergen. De kisten werden in een kluis van de Javasche Bank in Batavia ondergebracht, waar zij door de Japanse bezetter wel werden gevonden en bekeken, maar ongemoeid gelaten. Begin maart 1947 keerden alle uitgeleende werken met het passagiersschip Sibajak terug in Nederland. Zie voor een uitvoeriger beschrijving het artikel Het schijnt daar een chaos te zijn van Louis Zweers in het NRC Handelsblad van 13 november 1998. Het herziene artikel is te lezen via het internet.
Regnault kocht op 23 juli 1939 bij Jeanne Bucher voor FF 25000 (was ongeveer f 1250) het schilderij Stilleven met mes van Braque uit 1932. Het werk was door een goede bekende van Regnault, n.l. Jeanne de Loos-Haaxman, bij de galerie van Jeanne Bucher gezien. Bucher had het schilderij op 15 juni 1939 van Braque gekocht. Jeanne de Loos-Haaxman was in Batavia van 1930 tot 1939 de conservatrice bij de Landsverzameling Schilderijen en had veel contact met Regnault over het uitlenen van werken door Regnault aan de kunstkring. Jeanne de Loos-Haaxman bezocht Parijs om bij kunstenaars en kunsthandelaren bruiklenen te verkrijgen. Regnault, die al eerder bij Jeanne Bucher had gekocht, liet het werk naar Amsterdam komen met de optie tot teruggave als het werk hem niet beviel. Het schilderij werd direct in de Regnaultzaal in het Stedelijk Museum opgehangen in de onjuiste veronderstelling, dat het het eerste schilderij van Braque in een museum zou zijn.
In 1940 liet Regnault door de schilder Quirijn van Tiel (1900-1967), die hij op allerlei manieren steunde, het nevenstaande familieportret schilderen, waarop hij, zijn vrouw en zijn dochter Virginie staan afgebeeld. Opvallend was, dat in de oorspronkelijke versie op de achtergrond rechts een kubistisch werk zichtbaar was van misschien Picasso of Marcoussis. Links schilderde van Tiel een deel van het schilderij De Melkmeid van Herman Kruyder. Later schilderde van Tiel op de achtergrond een landschap om het beeld rustiger te maken.
Kort voor dat Nederland betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog werden ongeveer 50 kunstwerken, die Regnault had uitgeleend, door het Stedelijk Museum opgeborgen in bunkers bij Castricum, 25 werken bleven in het museum achter en de rest ging naar Laren. Door de oorlog was Regnault afgesneden van zijn inkomstenbron Indië en vreesde hij na de Japanse inval in januari 1942 voor zijn bezit en de familieleden in Indië. Na de capitulatie van Japan brak de onafhankelijkheidsstrijd o.l.v. Soekarno uit. De tussen 1942 en 1945 niet werkende verffabrieken werden wel weer opgestart, maar de gemaakte winsten mochten vanaf 1948 slecht tot een bedrag van f 10.000,- worden overgemaakt naar Nederland.
Regnault was in het bezit van de nevenstaande aquarel Soldaat met pijp en soldaat van Roger de la Fresnaye uit 1917. Hij verkocht het in de periode 1944-1946 aan de in Laren wonende kunsthandelaar J.B. Neumann, de schoonzoon van Herbert Tannenbaum. Het werk werd op 2 december 1974 geveild bij Christie's in Londen. In 1947 kocht Regnault twee aquarellen van de la Fresnaye, die door de Parijse kunsthandelaar Pierre Vorms waren uitgeleend voor de Vijfde Collectie Regnault tentoonstelling in Batavia in 1939-1940. De koop was min of meer een compensatie voor de schade die zeven van de elf schilderijen, die Vorms had uitgeleend, geleden had. Regnault liet de beschadigde schilderijen op zijn kosten ook restaureren.
Direct na de oorlog werden enkele zalen op de bovenverdieping in het Stedelijk Museum, waar op 1 september 1945 Willem Sandberg directeur was geworden, uitsluitend bestemd voor het tonen van de collectie Regnault. In een beleidsnota van 5 november 1946 schreef Sandberg: 'De collectie-Regnault is eenig in haar soort en bestaat grootendeels uit werken die in het museum niet mogen ontbreken'. Vooral door de veertien werken van Chagall kreeg het Stedelijk Museum de mogelijkheid via uitleningen belangrijke buitenlandse tentoonstelling aan te trekken.
In 1948 schreef Regnault 'Ik dacht dat ik het recht had mijn collectie weg te schenken, doch dat blijkt niet het geval te zijn; [...] Ik mag wel mijn collectie verkopen en dan het geld opsouperen, verdobbelen of verkwisten, doch wegschenkenn mag ik niet.' Volgens het toenmalig Nederlands erfrecht mocht Regnault zijn verzameling niet zonder toestemming van zijn kinderen aan het Stedelijk Museum schenken. Het kwam erop neer, dat Regnault ongeveer 10% van zijn bezit mocht schenken. Uiteindelijk werd op 14 september 1953 de Acte van Schenking getekend, waarbij 35 schilderijen en 2 beelden geschonken werden aan het Rijk met de eis, dat zij 30 jaar in het Stedelijk Museum zouden worden tentoongesteld. Regnault overleed op 13 juni 1954 in Laren en dochter Virginie kreeg van de familie het beheer van de kunstverzameling.
Op 7 maart 1958 overleed Regnaults vrouw. De erven besloten de kunstverzameling te veilen via de Amsterdamse veilinghouder en makelaar Paul Brandt. Op 22 en 23 oktober 1958 werd een groot deel van Regnaults kunstverzameling geveild in Arti et Amicitiae te Amsterdam. De veilingcatalogus, die geschreven was door Paul Brandt, bevatte 216 lotnummers. Voor internationale belangstelling werd de oud-veilingmeester van het Parijse Hôtel Drouot, Alphonse Bellier, aangetrokken.
De door Regnault in 1919 gestichte verffabriek in Soerabaja kwam eind 1922 onder leiding van Regnaults schoonzoon Theo van Driel. Theo was in september 1922 getrouwd met Regnaults dochter Henriette en schoonvader Regnault zorgde voor een huwelijksreis naar Indië en een baan in Soerabaja. Het echtpaar, dat op 6 oktober 1922 in Batavia aankwam, kreeg zoon Lex en twee dochters. Door het succes van de verf stichtte Regnault fabrieken in Batavia, Semarang en Singapore. De fabriek in Batavia stond onder leiding van Regnaults zoon Alex (nevenstaande foto). Ook zoon Frans was werkzaam bij het familiebedrijf.
De Japanse troepen vielen in januari 1942 Nederlands-Indië binnen en op 9 maart capituleerde het Nederlandse leger. Na de bezetting van Indië door de Japanners in 1942 kwamen de gezinsleden van Driel in verschillende Jappenkampen terecht. Na de capitulatie van Japan bleek iedereen de zware periode overleefd te hebben. Op 19 augustus 1945 verklaarden Soekarno en Hatta Nederlands-Indië onafhankelijk en probeerde Nederland via de z.g. politionele acties het bestuur over Nederlands-Indië terug te krijgen. Uiteindelijk werd op 27 december 1949 de nieuwe staat Indonesië door Nederland erkend.
Via Batavia en Singapore kwam het gezin van Driel in januari 1946 in Nederland aan, waar zij in Laren tijdelijk werden ondergebracht. Na een kort verblijf in Nederland keerde Theo van Driel terug naar Soerabaja om de fabriek op te starten. Zijn vrouw Henriette en jongste dochter volgden enkele maanden later. Regnaults zoon Alex en zijn jongste zoon Eugène, die na de oorlog voor het eerst in Indië was, behartigden vanaf eind 1946 de zaken in Batavia, dat sinds 1942 Djakarta heette. In februari 1952 kwam Regnaults kleinzoon Lex van Driel naar Soerabaja om zich in te werken in het familiebedrijf. Lex van Driel werkte ook enige tijd bij de fabriek in Djakarta. In juni 1954 keerden Theo en Henriette van Driel terug in Nederland, waar Theo de correspondentie van de P.A.R.-fabrieken verzorgde. Lex van Driel en zijn vrouw, die in september 1952 naar Soerabaja was gekomen, keerden in april 1957 naar Nederland terug.
De nationalisatie in Indonesië van Nederlandse bedrijven op 4 december 1957 trof ook het bezit van de familie Regnault. Via onderhandelingen kreeg de familie ongeveer 25% van de boekhoudwaarde van het bedrijf. In 1959 gingen de fabrieken onder Indonesische leiding al failliet. De fabriek in Singapore en een nieuwe fabriek in Maleisië werden door de familie verkocht.
Opmerking: Dankzij een reactie van één van Regnaults kleindochters kon bovenstaande informatie aan de webpagina worden toegevoegd.
Voor P.A. Regnault:
Voor Drs. Jeanne de Loos - Haakman: