Paul Poiret (1879-1944)

Paul Poiret, 1898

Paul Poiret werd op 20 april 1879 geboren te Parijs en zijn ouders, Auguste en Louise, hadden een winkeltje in wollen kleren in de overdekte markthal Les Halles. Het gezin woonde boven de zaak, die Auguste had overgenomen van zijn schoonmoeder. Na zijn middelbare school zorgde zijn vader ervoor, dat hij in 1896 leerling werd bij een paraplumaker. In zijn vrije tijd hield hij zich bezig met het ontwerpen van dameskleding, waarvoor hij van zijn zussen met kerstmis 1897 een houten paspop kreeg. Nadat hij een twaalftal schetsen had verkocht aan Madeleine Cheruit, werkzaam bij Raudnitz, een bekend modehuis in die tijd, en aan andere modehuizen, trok hij de aandacht van de couturier Jacques Doucet. Poiret werkte eerst vanaf 1898 bij Doucet in de rue de la Paix 21 en nadat hij tien maanden in militaire dienst was geweest vanaf 1901 bij het modehuis Worth. Op advies van Doucet hadden de kinderen van de eerste couturier in Parijs, Charles Frederick Worth (1825-1895), Paul Poiret aangenomen voor het ontwerpen van eenvoudige dagelijkse kleding. Worth had samen met de welvarende Zweed Otto Boberg (volgens Encyclopedia Britannica: Dobergh) in 1858 een maison de hautes nouveautés in de Rue de la Paix 7 te Parijs geopend en was de eerste die 'kant en klaar' was en niet via een kleermaker werd aangemeten. Bovendien gebruikte hij mannequins in plaats van paspoppen om zijn ontwerpen te tonen. In 1871 ging Worth, nadat het bedrijf enige tijd gesloten was door de Frans-Duitse oorlog, alleen verder. Na de dood van Worth op 10 maart 1895, zetten zijn medewerkende zonen Gaston en Jean-Philippe de zaak voort. Aan de samenwerking met de gebroeders Worth kwam in 1903 een eind door het ontwerp Confucius van Poiret, dat goed verkocht werd maar door zijn eenvoud de hoon kreeg van Prinses Bariatinsky, de echtgenote van de Russische ambassadeur.

Denise

Poiret was bevriend met de schilders Francis Picabia, Maurice de Vlaminck, André Derain en leerlingen van de école des Beaux-Arts. Op 1 september 1903 opende Poiret met geld van zijn moeder, die pas weduwe was geworden, zijn eigen modewinkel in de rue Auber 5 te Parijs. Dankzij de actrice Gabrielle Réjane kreeg zijn winkel bekendheid. In 1905 trouwde Poiret met Denise Boulet (1886?- ). De zaken gingen goed en Poiret opende een grotere modezaak in Rue Pasquier 37. In 1906 werd dochter Rosine geboren en het gezin kreeg daarna nog vier kinderen: Martine (1911), Colin (1912), Perrine (1916) en Gaspard (1918). In 1910 ontmoette Poiret de illustrator Jean-Louis Boussingault en André Dunoyer de Segonzac, waarmee hij levenslang bevriend bleef. Hij ging hedendaagse kunst verzamelen van Dunoyer de Segonzac, Kees van Dongen, Henri Matisse, Pablo Picasso, Derain, Raoul Dufy, de Vlaminck, Georges Rouault (1871-1958) en Maurice Utrillo (1883-1955).

Mansion Poiret, Avenue d'Antin 26, Parijs Mansion Poiret, embleem

In 1909 werd de collectie het Poirets bedrijf ondergebracht in zijn gerenoveerde uit de achttiende eeuw afkomstige, enigszins naar achteren gelegen, huis met een grote tuin, die 47 meter breed was op de Avenue d'Antin 26 (nu Avenue Franklin D. Roosevelt). (Voor de Tweede Wereldoorlog is het gebouw gesloopt.) In het huis werden ook vele feesten gehouden, waarvan het feest op 24 juni 1911 onder de naam La Mille & Deuxieme nuit (=Een duizendentwee nacht) met driehonderd gasten in oud-Perzische kleding de kranten haalde. Dufy en Denoyer de Segonzac zorgden voor de aankleding. Dufy, Picasso, Guillaume Apollinaire en Marie Laurencin waren gasten tijdens feestelijke diners bij Poiret.

Paul Iribe, 1908Georges Lepape, 1911

Baanbrekend was Poirets gebruik van kunsttechnieken voor het bekend maken van zijn collectie. In 1908 liet hij Paul Iribe (pseudoniem voor Iribarnegaray, 1883-1935) met pochoirs afbeeldingen afdrukken in de promotiebrochure Les Robes de Paul Poiret, racontées par Paul Iribe. De oplage was 250 exemplaren en verscheen in Parijs in 1908. In 1911 verscheen een nieuwe brochure met pochoirs met als titel Les Choses de Paul Poiret, vues par Georges Lepape in een oplage van 1000 exemplaren. Poirets ontwerpen, die gefotografeerd werden door Edward Steichen, vielen op door de hoge taille en het ontbreken van het gebruikelijke corset. Aangespoord door Poiret begon Lucien Vogel (1886-1954), die kunstboeken publiceerde en bevriend was met Poiret, in 1912 met La gazette du bon ton, waarin mode en kunst gecombineerd werd en voorzien van pochoir illustraties van Lepape, Jacques en Pierre Brissaud en anderen. Ook Poiret werkte mee aan het blad.

fam Poiret: Perine, Denise,Colin, Paul, Martine, 1922

In april 1911 ging Poiret in op het aanbod van het tijdschrift Art et Décoration om modefoto's te publiceren. Poiret koos de Amerikaanse schilder Edward Steichen als fotograaf en hield de enscenering volledig in handen. In 1911 verhuurde Poiret een deel van zijn bezit gelegen aan de Faubourg Saint Honoré 109 aan zijn vriend Henri Barbazanges, die de Galerie Barbazanges voor hedendaagse moderne kunst begon. In twee andere ruimtes van zijn gebouwen zette Poiret in 1911 twee bedrijven op onder de naam van zijn dochters: Parfums de Rosine, genoemd naar zijn oudste dochter, voor het maken van parfums in de rue du Colisée 39. De productie werd gedaan in Courbevoie. Hiermee was Poiret de eerste couturier met een eigen merk parfum. Hij ontwierp zelf de flesjes, de verpakking en de verkoop. Op het succes volgde toilet- en cosmeticaproducten. Het tweede bedrijf was Les Ateliers de Martine, genoemd naar zijn tweede dochter, voor het opleiden van vrouwen in decoratieve ambachten, zoals weven en decoreren van keramiek en glas, dat startte op 1 april 1911. In 1912 haalde Poiret de toelatingscommissie van de Salon d'Automne over het werk van zijn 'Martines' tentoon te stellen. Zij lieten ontwerpen van o.a. gordijnen, tapijten en behang zien. Het was zo'n succes, dat in 1912 een winkel op Faubourg Saint Honoré 83 werd geopend. Met het in dienst nemen van Pierre Fauconnet werd ook meubilair ontworpen. In oktober-november 1911 maakte Poiret samen met zijn vrouw, een aantal mannequins en zijn ontworpen kleding een zesweekse reis door Europa met presentaties in o.a. Frankfurt, Berlijn, Wenen, Boekarest, Boedapest, Moskou en St. Petersburg. In 1913 gingen Paul en Denise Poiret naar New York om daar de markt te veroveren, maar zijn nieuw modebeeld riep vele negatieve reacties op.

Derain: Poiret, 1914

Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 domineerde Poiret de houte couture in Parijs. Daar Poiret werd gemobiliseerd sloot hij zijn modebedrijf en was hij enige tijd bij het 119de infantrieregiment in Lisieux als kleermaker. Daar hij de Minister van Oorlog, Alexandre Millerand, kon overtuigen van een snellere en goedkopere vervaardiging van militaire kleding werd hij ondergebracht bij de technische sectie in Bordeaux. Poiret kreeg de opdracht om overal in Frankrijk de lokale militaire kleermakers te instrueren, maar het project werd na enige tijd stilgelegd en kwam Poiret weer te werken in Liseaux. Daar schilderde Derain het nevenstaande portret van Poiret. In zijn vrije tijd studeerde Poiret militaire administratie en na het met succes afleggen van het examen werd hij als militaire toezichthouder bij toeleveringsbedrijven in Parijs aangesteld. Terug in Parijs kon hij voor belangrijke klanten opnieuw kleding ontwerpen en Les Ateliers de Martine aansturen. Begin 1915 werd via de krant La Renaissance een aanval op Poiret ingezet en werd hij beschuldigd van Duitse sympatieën, wegens zijn succes in Duitsland, Oostenrijk en Oost-Europa. Na een verblijf in Epernay bleef Poiret tot februari 1919 in militaire dienst in Clermont-Ferrand. Tijdens de oorlog (1915?) was zijn dochter Rosine overleden en zijn zoon Gaspard aan de Spaanse griep in 1918.

Na de oorlog probeerde Poiret met behulp van bevriende kunstenaars zijn reputatie te herstellen, maar de algemene retour à l'ordre trof alle kunstvormen, ook de mode. Na de oorlog was een groot deel van rijke cliëntelen verarmd door de o.a. de revolutie in Rusland, het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije en de financiële problemen in Duitsland. Bovendien kreeg Poiret belastingaanslagen voor de oorlogsjaren, moest hij de hypotheekrente over zijn gebouwen van die periode nog betalen en o.a. doktersrekeningen voor zijn vrouw betalen. Hij besloot de opleidingsmogelijkheid bij Les Ateliers de Martine te stoppen. Allerlei mogelijkheden om aan financiën te komen, o.a. 's zomers een nachtclub in zijn tuin, genaamd L'Oasis, liepen meestal uit op een fiasco.

Peggy Guggenheim Parijs, 1925

In augustus 1922 gaf Poiret de nog onbekende Amerikaanse fotograaf Man Ray de opdracht zijn collectie te fotograferen. Poiret opende buiten Parijs zaken in La Baule (1919), Londen (1920), Cannes (1921), Biarritz (1924) en Deauville (1924). Poiret kleedde bekende dames, zoals de danseres Josephine Baker en Peggy Guggenheim. (Op nevenstaande foto, gemaakt door Man Ray in 1923, zit Peggy Guggenheim in een creatie van Poiret. Er is ook een staande versie.) De zaken gingen niet goed en Poiret moest de gebouwen bij de Avenue d'Antin verkopen. Ook het modehuis met zijn naam verkocht hij aan een groep inversteerders. Alleen de bedrijven Rosine en Martine behield hij. Op kerstavond 1924 gaf hij een groot afscheidsfeest om zijn vertrek uit Avenue d'Antin 26 aan driehonderd gasten kenbaar te maken. Op 1 januari 1925 betrok hij zijn nieuwe woning op Rond-Point des Champs-Elysées 1. In 1925 gaf Poiret veel geld uit voor de presentatie van zijn bedrijf op de Exposition des Arts Décoratifs et Industriels Modernes. Poiret gebruikte drie schepen met de tijdelijke namen Délices, Amours en Orgues op de Seine.

catalogus, 1925

Zijn slechte financiële situatie zorgde ervoor dat Poiret op 18 november 1925 zijn kunstcollectie moest verkopen in Hôtel Drouot. De veilingmeester was Alphonse Bellier en de deskundigen waren Georges Bernheim en Jos Hessel. De catalogus, die begon met een afbeelding van het hierbovenstaande portret geschilderd door Derain, bevatte 110 werken van o.a. van Dongen, Dufy, Dunoyer de Segonzac, Marquet, Matisse, Modigliani, Picabia, Picasso, Rouault, Utrillo en de Vlaminck. De opbrengst was minder dan de helft van zijn kosten van de drie tentoonstellingsschepen. In 1926 moest Poiret ook zijn laatste bedrijven, Rosine en Martine, verkopen.

Parijs, 1926

Poiret, die nog wel in dienst was van zijn overgenomen modehuis, werd door de nieuwe eigenaren wegens de slechte resultaten min of meer op een dood spoor gezet. In 1926 moest hij met een groep mannequins en reis naar Denenmarken maken en in 1927 naar de Verenigde Staten. In 1928 scheidden Paul en Denise Poiret en in de zomer van 1929 sloot het modebedrijf Poiret de deur en stond Poiret werkloos en zonder inkomen op straat. Het instorten van de financiële markt na de beurskrach op 14 oktober 1929 vergrootte de financiële problemen. Poiret verkocht zijn laatste bezittingen in Parijs en verhuisde naar Mézy, waar een huis voor Poiret ontworpen door Mallet-Stevens zou worden gebouwd, maar waarvan de bouw wegens de ontbrekende financiën was gestopt. Poiret betrok het conciergegebouwtje, dat nog niet voorzien was van elektra, water en verwarming. Hij bracht zijn tijd door met schilderen en het schrijven van zijn autobiografie. Het succes van zijn boek, dat in veertien talen werd uitgegeven, zorgde ervoor dat de schuldeisers op de stoep stonden en Poiret verkocht zijn bezittingen in Mézy. Op 9 december 1930 sloot Poiret een overeenkomst met zijn schuldeisers, die 92% van de vordering kregen. In 1931 kreeg Poiret van een aantal zijdehandelaren de mogelijkheid een zaak vlakbij de Arc de Triomphe te openen, die hij Passy 10-17 naar het telefoonnummer noemde, daar hij zijn eigen naam wegens de verkoop een aantal jaren daarvoor niet kon gebruiken. Na twee collecties werd de zaak gesloten. Eind 1932 kreeg Poiret bericht, dat Poiret Rond-Point failliet was verklaard en dat alles wat achtergebleven was aan o.a. schetsen, correspondentie e.d. door een opkoper was gekocht. Na nog een half jaar voor Pierre Laguionie van het warenhuis Printemps gewerkt te hebben was Poiret afhankelijk van de goedheid van zijn familie en vrienden. Dankzij André Villeboeuf kreeg Poiret een tentoonstelling van schilderijen bij Galerie Charpentier in de Faubourg Saint Honoré, die opende met een vernissage op 11 maart 1944. Enkele weken na de tentoonstelling werd Poiret, die sinds 1936 de ziekte Parkinson had, wegens hartklachten opgenomen in een ziekenhuis. Op 28 april 1944 overleed Poiret te Parijs, waar hij op 1 mei op het kerkhof Montmartre in een familiegraf werd bijgezet.

catalogus, 2005

Op 10 en 11 mei 2005 verkocht de kleindochter van Poiret via Françoise Auguet in het veilinghuis Drouot Richelieu ruim 500 kledingstukken, die Poirets vrouw Denise bij de scheiding in 1928 had meegekregen. Hieronder waren kledingstukken die Poiret had ontworpen voor zijn vrouw, maar ook voorwerpen die gemaakt waren in de zaken met zijn dochters namen. Vooraf werden de veilingstukken van 21 t/m 24 april bij de couturier Azzedine Alaia getoond onder de naam La Création en Liberté - Univers de Denise et Paul Poiret 1905-1928. De verkoop bracht 1,8 miljoen euro op. Klapstuk was een manteau d'automobile uit 1914, die 110.000 euros, exclusief kosten, opbracht in plaats van de geschatte waarde rond de 12.500 euros. Het Costume Institute of the Metropolitan Museum te New York kwam zo in het bezit van 28 kledingstukken. In een dagboek had Denise bijgehouden voor welke gelegenheden de kledingstukken waren ontworpen. In 2007 hield het Metropolitan Museumvan 9 mei t/m 5 augustus de tentoonstelling Poiret: King of Fashion.

Zie voor meer inlichtingen:

Poiret: King of Fashion, 2007 boek, 1973 boek, 1930

  • De autobiografie van Paul Poiret met als titel En Habillant l'époque, verschenen in 1930 te Parijs
  • Het boek Poiret, dat met medewerking van Poirets ex-vrouw Denise geschreven is door Palmer White en in 1973 verscheen te Londen
  • Het boek Poiret: Paul Poiret 1879-1944 geschreven door Yvonne Deslandres en Dorothee Lalanne (ISBN: 0847808025), dat in 1987 verscheen in New York. Op 1 augustus 1991 verscheen de Franse uitgave Poiret, ISBN: 2903370265.
  • Het hierboven genoemde boek bij de tentoonstelling Poiret: King of Fashion.

Laatste wijziging: 041011