Dr. J.F.S. Esser was een Nederlandse kunstverzamelaar, die hoofdzakelijk in de periode 1906-1912 een kunstverzameling aanlegde en in die periode van belang was voor o.a. Jan Sluijters, Leo Gestel en Piet Mondriaan. De verzameling bevatte geen kubistische werken.
Johannes Fredericus Samuel Esser werd op 13 oktober 1877 geboren te Leiden. Zijn vader Jan (Johannes Fredericus) werkte bij de Leidse Levensverzekeringsmaatschappij, maar was vooral een kunst en paardenliefhebber. De door Jans vader Martinus opgerichte overlijdensrisicoverzekeringsmaatschappij, de eerste van Nederland, was in de Leidse opgegaan. Zowel opa Martinus als vader Jan overleden in 1891 en wegens ziekte van zijn moeder Jannetje Esser-Boekee werden J.F.S. Esser en zijn zus Betsy (Elisabeth Henriette) opgenomen door het kruideniersechtpaar Splinter. Dankzij de buurman Leen Spruyt, een melkhandelaar, leerde Esser schaken. Hij werd hier zo goed in, dat hij in 1913 Nederlands kampioen werd.
Esser begon in 1897 in Leiden met zijn studie medicijnen en in Utrecht met de studie tandheelhunde om zijn zus Betsy te helpen, die deze studie volgde. In 1900 verhuisden beiden wegens hun studie naar Utrecht. In november 1903 behaalde Esser zijn artsexamen in Leiden en promoveerden in december 1903 in Gent, daar Esser wegens zijn vooropleiding, HBS, in Nederland niet kon promoveren. Nadat Esser als scheeparts op de Prins Maurits een reis naar New York had gemaakt werd hij arts in Polsbroek. Op de motorfiets bracht Esser bezoeken aan Utrecht en Amsterdam om concerten bij te wonen, tentoonstellingen te bezoeken en schaakwedstrijden te spelen. In 1905 nam Esser de praktijk over in de Johannes Verhulststraat 91 te Amsterdam. Via zijn patienten, de schilders Breitner en Jan Sluijters, raakte Esser bekend met andere kunstenaars en begon hij kunst te verzamelen.
In 1908 kocht Esser een huis aan de Willmsparkweg 156 te Amsterdam, dat hij renoveerde. In het souterrain richtte hij een kamer in, waar hij vanaf 1909 wekelijks kunstenaars ontving. Esser kocht vooral rechtstreeks van de kunstenaars of ontving een kunstwerk als betaling voor verleende medische hulp. Door het directe contact verkreeg Esser vele werken van het Amsterdamse luminisme. Van Mondriaan had Esser 73 werken tot en met de Zeeuwse periode. Esser had veel contact met Jan Sluijters en bezat ongeveer 150 schilderijen en 200 aquarellen en tekeningen, waaronder de nevenstaande portretten van Esser en zijn vrouw Olga Aleida Hazelhoff Roelfzema (1889-1924), gemaakt ter gelegenheid van het op 24 september 1912 gesloten huwelijk. Esser had van Leo Gestel werken uit de periode 1900-1914. Hij kocht in 1911 van Gestel de schilderijen Liggend naakt en Zittend naakt, die geweigerd waren door de directeur van het Stedelijk Museum, C.W.H. Baard, bij de eerste tentoonstelling van de Moderne Kunstkring. Behalve kunst verzamelde Esser nog vele andere zaken, van meubels tot medische instrumenten.
Daar de omvang van de verzameling te groot werd voor zijn huis leende Esser in 1908, 1910 en 1912 in totaal zes kunstwerken uit aan het Rijksmuseum. Na 1921 kwamen deze wegens de opvatting van de nieuwe directeur Schmidt-Degener in het depot terecht. Pas in 1987 werden de werken door de erfgenamen van Esser opgehaald. Op 30 december 1910 sloot Esser een bruikleenovereenkomst voor tenminste 10 jaar met het Stedelijk Museum voor veertig schilderijen. Conservator Baard koos zelf de schilderijen uit. Ook in de jaren daarna volgde bruiklenen tot in totaal 107 werken in 1914. De bruikleen eindigde voor een groot deel in 1928, daar Esser met de directeur van het Stedelijk Museum De Lakenhal te Leiden, Mr. Dr. J.C. Overvoorde, overeenkwam, dat de werken, die in het Stedelijk Museum vooral in depot werden gehouden, wel zouden worden tentoongesteld. In 1934 werden ook de laatste werken uit het Stedelijk Museum overgebracht naar De Lakenhal. In 1935 werd de bruikleenovereenkomst door De Lakenhal opgezegd. Op 12 juni 1934 bracht Esser 293 schilderijen en zeven mappen met tekeningen nar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, waar de hoofdconservator Arthur Cornette een keuze zou maken. Bovendien had Esser voor het eerst de leenovereenkomst met de rechten en de plichten van beide partijen op schrift gesteld. De toelatingscommissie wees de werken echter af en Esser kon de werken komen ophalen. Pas in maart 1949, nadat het museum zeven werken had uitgekozen die men mocht houden, werden de kunstwerken door de familie opgehaald. Deze collectie werd op 14 en 15 juni 1949 geveild bij Mak van Waay.
Esser kreeg door het lezen van Plastische Operationen van Philipp Bockenheimer het idee om zich te gaan specialiseren tot chirurg in gelaatsmisvormingen. Esser verkocht de artsenpraktijk in 1912 en samen met Olga verhuisde hij naar Utrecht om colleges te gaan volgen bij Prof. Laméris. Daar deze opleiding vijf jaar zou duren en slechts opleidde tot algemeen chirurg besloot Esser uiteindelijk naar Parijs te gaan. Esser, Olga en hun ondertussen geboren dochter Eli (Elisabeth) verhuisden naar Parijs, waar Esser zich specialiseerde tot plastisch chirurg bij Dr. Hippolyte Morestin. Ook volgde Esser een cursus oorlogschirurgie. In beslag genomen door zijn nieuwe passie besteedde Esser geen tijd meer aan het verzamelen van kunst.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was het gezin Esser in Nederland en kon het niet terugkeren naar Parijs. Na een korte periode in het Coolsingel Ziekenhuis te Rotterdam kon Esser als oorlogschirurg aan de slag in het huidige Brno. Van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie mocht Esser vier verpleegsters meebrengen. Op 17 mei 1915 reisde het gezelschap naar het front in Moravië, waar het als team als burgelijke eenheid werd ingezet. Esser was zeer innovatief en spoedig werden alle soldaten, die plastische chirurgie nodig hadden, naar Esser doorgestuurd. In januari 1916 voegde Olga zich bij Esser, die ondertussen in Wenen werkte. Olga werd opgeleid tot operatiezuster in het team van haar man. Door problemen, wegens het passeren van Anton Freiherr von Eiselsberg door het Ministerie van Oorlog, ging Esser werken in het Academisch Ziekenhuis in Boedapest. In januari 1917 aanvaardde Esser een baan in Berlijn, waar hij op 21 november 1918 toestemming kreeg om een privékliniek te beginnen. Enkele weken eerder was zijn zoon Maarten (Martinus) geboren en in 1920 zou zijn dochter Carla volgen. De enorme inflatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog gaf Esser de mogelijkheid om goedkoop onroerend goed en grond te kopen. Om aan geld te komen bood Esser op 14 en 15 november 1919 bij het veilinghuis Mak van Waay 156 kunstwerken uit zijn verzameling te koop aan. Daar Esser vele schilderijen van de Haagse School en de Amsterdamse impressionisten had uitgeleend, werden vooral schilderijen van o.a. Gestel, Sluijters en Mondriaan aangeboden. Hélène Kröller-Müller kocht vijf werken van Gestel en drie van Slujters.
De naoorlogse problemen in Duitsland en het overlijden van Olga in 1924 zorgde ervoor, dat Esser Duitsland verliet. Na omzwervingen in Nederland en Frankrijk betrok Esser met zijn kinderen en kinderjuffrouw Weiss op 1 januari 1927 het kasteel La Grillère bij Faye-la-Vineuse (Indre-et-Loire). Esser restaureerde het vervallen kasteel. In nevenstaande foto zien we duidelijk twee schilderijen van Jan Sluijters, n.l. het Portret van Bertha Langerhorst uit 1908 en een zittend naakt. In 1928 ontmoette Esser in het Diaconessenhuis te Leiden, waar hij wegens een blindendarmontsteking werd geopereerd, de verpleegster Aleida de Koning. In 1929 trouwden zij en vestigden zich in de villa Coccinelle, Rue Plati 45 te Monaco, daar La Grillère 's winters veel te koud was. Het echtpaar kreeg vier dochters, n.l. Rocquereyne (zeer jong overleden), Boduina (1933), Annie (1935) en Olga (1936). Esser had als ideaal het vestigen van een onafhankelijk instituut voor plastische chirurgie, waarvoor hij heel de wereld afreisde. Op 8 april kwam Esser aan in New York, waar zijn zoon Maarten, die sinds kort in de Verenigde Staten studeerde, hem opving. Kort na zijn aankomst in de Verenigde Staten verspeelde Esser met speculatie zijn kapitaal. Daar Esser geen toestemming kreeg om te opereren leefden Vader en zoon in een bestelwagen. In Chicago huurde Esser een vervallen huis aan Lake Park Avenue 4035. Op 3 augustus 1946 overleed Esser plotseling op de stoep voor het huis in bijzijn van zijn zoon Maarten.
Van 13 december 2005 t/m 28 april 2006 werd in het Singermuseum te Laren de tentoonstelling Mondriaan Breitner Sluijters e.a.: de onstuitbare verzamelaar J.F.S. Esser gehouden. Bij de tentoonstelling behoorde de catalogus De onstuitbare verzamelaar J.F.S. Esser: Mondriaan Breitner Sluijters e.a. geschreven door Mayken Jonkman en Jacqueline de Raad (ISBN: 90-400-9123-4)