Lillie Plummer Bliss werd op 11 april 1864 geboren te Fall River, Mass, als dochter van de textiel handelaar Cornelis Newton Bliss (1833-1911) en Mary Plummer Bliss (1836-1923). In 1866 verhuisde het gezin Bliss naar New York. Haar vader was een vooraanstaand lid van de Republikeinse partij en vertegenwoordigde New York op de conventies. Daar haar moeder hulpbehoevend was verzorgde Lillie het huishouden voor haar ouders. Lillie sprak vloeiend Frans en speelde piano. Via de bioscheikundige Christian Archibald Herter (1865-1910) kwam Lillie in aanraking met kunst. Zij bezocht de galerie van Dikran G. Kelekian, waar zij niet ver vandaan woonde. Kelekian was een bewonderaar van Arthur B. Davies en wees Lillie in 1909 op de tentoonstelling van Davies' werken in de Macbeth Gallery. Zij bezocht de tentoonstelling, kocht een werk en ontmoette Davies.
Lillie P. Bliss verzamelde vanaf 1907 Post-Impressionisten en de toenmalige hedendaagse kunst. Zij was bevriend met Arthur B. Davies, een van de organisatoren van de Armory Show. Zij kocht van deze tentoonstelling, die zij dagelijks bezocht, een vijftal schilderijen en een aantal tekeningen, waarmee zij haar verzameling begon. Lillie raakte o.a. bevriend met Walter Kuhn en John Quinn. Op aandringen van o.a. Bliss en Quinn werd in 1921 door het Metropolitan Museum of Art de eerste tentoonstelling van moderne kunst, n.l. van impressionisten tot en met Picasso's pre-kubistische periode, gehouden. Bliss leende 12 werken, waaronder vijf werken van Cézanne, en Quinn 26 werken uit aan het museum. De reacties waren zo negatief dat het Metropolitan geen verdere tentoonstellingen van moderne kunst hield. Dit speelde mee met het werken aan een apart museum voor moderne kunst.
Tijdens de tentoonstelling Recent Paitings by Pablo Picasso and Negro Sculpture, die vanaf 3 mei 1923 werd gehouden bij de Whitney Studio Club te New York, kocht Bliss een set z.g. pochoirs, die nagelaten werd aan het Museum of Modern Art te New York.
Van 1924 tot 1929 maakte Bliss jaarlijks een reis naar Europa. In oktober 1928 verhuisde Bliss naar een nieuw appartement met 18 kamers op Park Avenue 1001, waar haar kunstverzameling beter tot zijn recht kwam. Op 7 maart 1929 ontmoette Bliss, die met haar broer en nicht een reis door het Midden Oosten maakte, Abby en John Rockefeller in Haifa en gebruikten zij samen de lunch. Eind mei 1929 nodigde Abby Aldrich Rockefeller Lillie Bliss, Mary Quinn Sullivan en A. Conger Goodyear uit om te praten over een museum voor moderne kunst. Zij namen samen het initiatief voor de oprichting van het Museum of Modern Art. Op 7 november 1929 opende het museum de deuren voor het publiek met de tentoonstelling Cézanne, Gauguin, Seurat, van Gogh.
In juli 1930 werd Bliss ziek en werd zij wegens een kanker geopereerd. In september 1930 ontmoette Bliss de schilder Henri Matisse, die in New York was in verband met de muurschildering bij Albert C. Barnes.
Van 13 mei t/m 6 oktober 1931 werd in het Museum of Modern Art te New York de tentoonstelling Memorial Exhibition: The Collection of the Late Miss Lizzie P. Bliss gehouden als herdenking van de op 12 maart 1931 overleden oprichtster. Te zien was het nevenstaande schilderij Groen stilleven van Pablo Picasso uit 1914. Zij had het via Otto Bernet gekocht op 30-31 januari 1922 tijdens de veiling van de kunstverzameling van de antiquair Dikran Kahn Kelekian (1868-1951). De Armeen Kelekian had sinds 1891 een zaak op de Place Vendôme te Parijs en breidde zijn zaak uit met vestigingen in Cairo en New York. Hij verzamelde eerst vooral post-impressionistische werken en later werken van Henri Matisse, Picasso, André Derain, Maurice Utrillo en Maurice de Vlaminck. Kelekian bracht zijn collectie over naar New York en als reclame voor de verkoop van zijn collectie leende hij meer dan 140 werken, waaronder het nevenstaande Groen stilleven, uit voor een tentoonstelling, die van 8 t/m 14 februari 1921 werd gehouden, in het Brooklyn Museum te New York. Voor de tentoonstelling Paintings by Modern French Masters Representing the Post-Impressionists and Their Predecessors, die gehouden werd van 26 april t/m ? april 1921 in het Brooklyn Museum leende Kelekian opnieuw zijn collectie uit.
Bliss vermaakte in augustus 1930 via een testament haar kunstbezit, waaronder 26 werken van Cézanne, aan het museum met de bepaling, dat het museum kunstwerken uit haar collectie met een geschatte waarde van ruim 1 miljoen dollars, mocht verkopen of ruilen. één van de geschonken werken was het nevenstaande schilderij La Ville van Fernand Léger uit 1919. Uitgezonderd werden vier werken van Cézanne en één van Daumier. Indien het museum deze werken niet wilde, moesten ze naar het Metropolitan Museum of Art. Hierdoor zou het museum bv. in staat zijn om in 1939 met de opbrengst van de verkoop van een schilderij van Degas het schilderij Les Demoiselles d'Avignon van Picasso uit 1907 te kopen.
Uit het fonds werd o.a. in 1941 het nevenstaande schilderij Stilleven van Juan Gris uit 1911 gekocht.