Roland Algernon Penrose werd op 14 oktober 1900 geboren in Londen in een welvarende familie. Zijn vader, James Doyle Penrose, was een succesvolle Ierse portretschilder en zijn moeder, Josephine Peckover, een dochter van de bankier Lord Peckover. Roland Penrose groeide op in Oxhey Grange, een dorp op ongeveer 25 kilometer noordwestelijk van Londen. Hij studeerde architectuur aan het Queen's College te Cambridge. In Cambridge raakte Penrose bevriend met de econoom John Maynard Keynes (1883-1946), die een kunstverzameling had met werken van Picasso, Braque, Matisse, Cézanne. Via Keynes kwam Penrose in contact met de Bloomsbury Group en de kunstcriticus Roger Fry. Na het behalen van zijn graad in 1922 ging Penrose naar Parijs, waar hij schilderslessen ging volgen bij Othon Friesz, die lesgaf aan de Académie Moderne, en André Lhote. Bij André Lhote werd hij beïnvloed door het kubisme van Pablo Picasso en Georges Braque.
In 1923 kocht Penrose een huis in Cassis-sur-Mer, een plaats onder Marseille aan de Middellandse Zee. Hier ontmoette Penrose in 1924 de Franse dichteres Valentine Boué (1/1/1898 - 8/1978), waarmee hij in 1925 trouwde. Via Valentine leerde Penrose de surrealisten Max Ernst, André Breton, Paul Éluard (pseudoniem van Eugène Emile Paul Grindel, 1895-1952) en Joan Miró kennen. Samen met Valentine kocht Penrose in 1928 een appartement in Parijs en maakten zij kennis met de Parijse avant-garde kunstenaars.
Door het overlijden van Penroses moeder in 1930 en zijn vader in 1932 kreeg Penrose de beschikking over een deel van de erfenis. In 1932 maakten Valentine en Roland Penrose een reis naar India. Ook kochten zij Chateau Le Pouy in het departement Ger. In 1936 scheidde het echtpaar. Penrose was medeorganisator van de International Surrealist Exhibition, die gehouden werd van 11 juni t/m 4 juli 1936 in de New Burlington Galleries te Londen. Op nevenstaande foto zien we op de bovenste rij vlnr Rupert Lee, Ruthven Todd, Salvador Dali, Paul Éluard, Roland Penrose, Herbert Read, E.L.T. Mesens, George Reavey en Hugh Sykes Williams en op de onderste rij vlnr Diana Lee-Brinton, Nusch Éluard, Eileen Agar, Sheila Legge en een onbekende vriendin van Dali. Picasso had elf schilderijen op deze expositie, die ongeveer 23.000 betalende bezoekers kreeg, hangen. Via Éluard, die had meegewerkt aan de tentoonstelling International Surrealist Exhibition, ontmoette Penrose in gezelschap van zijn vrouw, Valentine Boué, in augustus 1936 Picasso in Mougins. Spoedig werden zij bevriend. Penrose vestigde zich in 1937 in Londen in zijn in 1936 gekochte huis op Downshire Hill 21 in de Londense voorstad Hampstead.
Op 21 juni 1937 ontmoette Penrose de Amerikaanse fotografe Lee Miller, die op dat moment getrouwd was met de Egyptenaar Aziz Eloui Bey, op een feest van de modeontwerper Marcel Rochas (1902-1955). Op het feest waren ook Man Ray, Paul Éluard en Max Ernst aanwezig. Penrose nodigde Lee Miller uit voor een vakantie in het huis van zijn broer Beacus in Lambe Creek, Cornwall, waar ook Man Ray en zijn vriendin Addy Fidelin, Max Ernst en Leonora Carrington, Paul en Nusch (eigenlijke naam: Maria Benz, 1906-1946) Éluard, Joseph Bard en zijn vrouw Eileen Bard-Agar. Na drie weken verhuisde het hele gezelschap naar Hôtel Vaste Horizon in het Zuidfranse Mougins, waar ook Pablo Picasso en Dora Maar verbleven. Op 4 oktober 1937 vertrok Lee naar Cairo en Penrose naar Londen.
Op 27 juni 1938 kocht Penrose voor £ 1600 een groot aantal kunstwerken van Paul Éluard, daar deze financiële problemen had. Hij zou hier 20 à 25 werken zelf van houden en de rest inbrengen in de nieuwe London Gallery. Onder de aangekochte werken was het ruimtelijke stilleven Le casse-croute gemaakt van beschilderd hout. Ook een klein kubistisch werk van Picasso dat bij de koop zat werd door Penrose direct aan Herbert Read geschonken. In 1938 begon Penrose samen met de Belgische surrealist E.L.T. Mesens de London Gallery in de Cork Street te Londen. De financiën kwamen voor een kwart van Anton Zwemmer, eigenaar van de Zwemmer Gallery, en de rest van Penrose, die daarvoor enkele kunstwerken aan de verzamelaar René Gaffé wilde verkopen en zijn geërfde boerderijen in Norfolk en Suffolk had verkocht. De galerie gaf het tijdschrift The London Bulletin uit, dat aandacht schonk aan het surrealisme en de moderne kunst. Via de galerie zorgde Penrose en Mesens ervoor dat het door Picasso gemaakte kunstwerk Guernica in 1938 te zien was in Oxford, Leeds, Londen en Manchester. Samen met Lee Miller maakte Penrose een grote reis door de Griekenland en Roemenië, waar hij verslag van deed in zijn boek The Road is Wider Than Long (1938).
In 1939 scheidde Lee Miller en bracht zij samen met Penrose een bezoek aan Max Ernst en Leonora Carrington in St. Martin d'Ardèche. Op 31 juli ging het paar naar Picasso in Antibes. Na de algemene mobilisatie in Frankrijk op 26 augustus gingen Penrose en Lee samen naar Londen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de London Gallery gesloten en werden de werken ondergebracht in Taylord's Depository in Ranelagh Road, Pimlico. Helaas gingen de werken verloren bij een bombardement. Tijdens de oorlog gaf Penrose o.a. zijn boek Home Guard Manual of Camouflage (1941) uit en gaf hij les aan de Eastern Command Camouflage School te Norwich. Op 28 september 1944 brachten Lee en Penrose een gezamelijke week in Hôtel Scribe in het bevrijde Parijs door. In februari 1946 werd Penrose gedemobiliseerd en 's zomers maakte hij met Lee Miller een reis naar de Verenigde Staten. De London Gallery heropende in november 1946 in Brook Street met Penrose als directeur en Mesens als organisator van tentoonstellingen. Een van de eerste was een solo-expositie van werken van Penrose. In 1947 stichtte Penrose samen met o.a. de kunstcriticus en schrijver Herbert Read en Geoffry Grigson het ICA (=Institute of Contemporary Arts). Penrose organiseerde vele exposities voor ICA, waarvan de eerste met de titel 40 Years of Modern Art ook kubitische werken bevatte.
In 1949 kochten Penrose en Miller Farley Farm te Chiddingly in East Sussex, waar vele kunstenaars een bezoek zouden brengen. Ook Valentine Boué verbleef er een lange periode. Het huis in Downshire Hill werd verkocht en een flat in Hornton Street 11a, Kensington, gehuurd voor verblijf in Londen. Picasso verbleef op Farley Farm op 11 november 1950, toen hij in Engeland aankwam om de Second World Peace Conference, die op 13 november begon te Sheffield en waarop Picasso, die op 5 oktober 1944 lid geworden was van de Franse Communistische Partij, de openingsspeech zou houden. De conferentie, die tot 19 november zou duren en door de Sovjet Unie werd gesteund, duurde slechts één dag en werd voortgezet in Warschau. Picasso keerde terug naar Farley Farm. Het huis is nu op afspraak voor kleine groepen te bezoeken. Antony Penrose, die in 1947 werd geboren, beheert hier de erfenis van zijn vader en moeder. Een aantal kamers is weer teruggebracht in de oorspronkelijke staat, al zijn de schilderijen van bevriende kunstenaars elders ondergebracht.
In 1950 sloot de London Gallery de deuren. In de zomer van 1951 ging het gezin Penrose en nanny Patsy op bezoek bij Picasso in Vallauris. Tijdens het verblijf woonden ze op 15 juni de bruiloft van Paul Éluard en Dominique Laure (eigenlijke naam Odette Lemort, 1914-2000) bij in St. Tropez. (Nusch was op 28 november 1946 aan een hersenbloeding overleden.) Rond 1953 leerde Penrose de trapeze artieste Diane Deriaz kennen, die samen met Lee en Roland Penrose in juni 1953 Picasso in Vallauris opzocht. Spoedig zou Penrose zijn hart aan de zesentwintig jaar jongere Diane verliezen, maar Diane weigerde een huwelijksaanzoek. Ze bleef hem wel in Parijs ontmoeten.
Terwijl Lee in Amerika was werd Penrose eind juli 1954 benaderd door Hilary Rubinstein van uitgeverij Gollancz om een biografie van Picasso te schrijven. Penrose vroeg Alfred Barr om advies, maar door het uitblijven van een antwoord besloot Penrose Picasso, die in Perpignan was bij Comte Jacques en Comtesse Paule de Lazerme, op te zoeken. Na het fiat van Picasso aanvaardde Penrose de opdracht met een contract, gedateerd 5 november 1954, om uiterlijk op 1 mei 1957 tussen de 100.000 en 150.000 woorden in te leveren. Penrose schreef de biografie Picasso, His Life and Work, dat in 1958 verscheen. (Een indruk van het boek is aanwezig op internet.)In 1971 verscheen een herziene druk van dit werk. Voor dit werk en de andere zeventien boeken over Picasso bezocht Penrose, vaak samen met zijn vrouw Lee Miller die foto's maakte en zoon Antony, Picasso in Parijs en Zuid-Frankrijk. Penrose verbleef vaak in Hôtel la Madrilène, waar Picasso in 1927 toen het nog geen hotel was de zomer doorbracht, vlak bij Picasso's huis La Californie.
Ook werkte Penrose mee aan de expositie van Picasso in de Tate Gallery in 1960. Door zijn vriendschap met Picasso kon Penrose ervoor zorgen, dat de Tate Gallery het nevenstaande schilderij de Drie Dansers uit 1925 goedkoper kon kopen.
Op 7 april 1969 werden uit Penroses Londense huis 25 werken, met een waarde van ongeveer £ 300.000, gestolen. Roland en Lee Penrose waren tijdens het weekend zoals gebruikelijk in hun landhuis in Sussex. Voor de werken werd eerst £ 7.500 en later zelfs £ 30.000 uitgeloofd voor het achterhalen van de dieven. Penrose kreeg de benodigde financiën van de beheerders van de Tate Gallery door de verkoop van het ruimtelijke werk Le casse-croute, dat de dieven niet hadden meegenomen. De werken werden door twee werkmannen bij het opruimen van een kelder van een winkel teruggevonden zonder dat zij in de gaten hadden dat het de gestolen waadevolle werken waren. Daar de verkoop voor een zacht prijsje niet lukte stonden zij op het punt de werken gelijk met wat andere rommel te verbranden, toen zij begin juli eraan dachten om bij een plaatselijke kunsthandel advies te vragen. Hier werd La Femme qui pleure herkend en de politie gewaarschuwd. Alle gestolen werken waren terecht en de schade viel mee. Nature Morte au Bec de Gaz had een klein gaatje en bij Danseuse Nègre was Picasso's naam verwijderd. Bij een bezoek op 8-10 november 1969 zette Picasso opnieuw zijn signatuur op het gerestaureerde doek.
Door zijn werk voor de ICA, het schrijven van de biografieën van Picasso, Miró (1970), Man Ray (1975), Tapies (1978), zijn autobiografie Scrap Book en het organiseren van exposities van Picasso (1960), Max Ernst (1961), Miró (1964) en Man Ray (1978) maakte Penrose weinig eigen werken. Na de dood van Picasso in 1973 maakte Penrose deel uit van de groep deskundigen, die de werken voor de Franse Staat uitzocht in verband met de successierechten. Lee Miller overleed op 21 juli 1977. In 1981 verscheen van Penrose het boek Scrap Book, dat hij aan Diane Deriaz was opgedragen. Diane was na de dood van Lee weer in Rolands leven gekomen en stimuleerde hem om weer kaartcollages te maken. In januari 1984 maakten Penose en Diane een reis naar de Seychelles. Roland Penrose overleed op 23 april 1984 in hun huis Farley Farm in East Sussex.
Op nevenstaande foto uit begin vijftiger jaren zien we Vrouw met mandolien (Fanny Tellier) en net boven de handen van Penrose het ruimtelijke werk Le casse-croute, beide van Picasso.
| kunstwerk | kunstenaar | titel | jaar | nu te zien in |
![]() | Pablo Picasso | Hoofd | 1913 | In februari 1937 kocht Penrose dit papier collé van André Breton. Hij had al een jaar lang geprobeerd om het werk te kopen, maar Breton had steeds geweigerd. Uiteindelijk verkocht Breton het werk, daar hij geld nodig had. Nu te zien in Scottish National Gallery of Modern Art, Edinburgh |
![]() | Pablo Picasso | Stilleven Le casse-croute | 1914 | Penrose kocht dit werk op 27 juni 1938 van Paul Éluard voor het symbolische bedrag van 100 Franse francs, daar Éluard dit werk van Picasso had gekregen. Nu te zien in Tate Gallery, Londen. |
![]() | Pablo Picasso | Danspaar | 1915-1916 | Erfgenamen Penrose |
In mei en juni 1937 leverde Gaffé een aantal werken om te verkopen aan de Zwemmer Gallery voor tentoonstellingen van werken van Miró, Picasso en De Chirico. E.L.T. Mesens regelde de verkoop en raadde zijn vriend Roland Penrose aan de overgebleven werken te kopen. Voor £ 6.750 kocht Penrose werken van Miró, De Chirico en Picasso. Onder de veertien werken van Picasso waren de volgende kubistische werken.
| kunstwerk | Gekocht voor | titel | jaar | nu te zien in |
![]() | £ 315 | Vrouwelijk Naakt met opgeheven armen | 1907 | Thyssen-Bornemisza Collectie, Madrid. |
![]() | Drie mannen | 1908 | Verkocht aan Walter en Louise Arensberg, die het werk in 1950 schonken aan het Philadelphia Museum of Art | |
![]() | £ 675 | Portret van Wilhelm Uhde | 1910 | Emily and Joseph Pulitzer Collection, St. Louis. |
![]() | £ 720 | Zittende vrouw | 1909-1910 | Sinds 1954 in het Van Abbemuseum, Eindhoven. |
![]() | £ 900 | Vrouw met mandolien (Fanny Tellier) | 1910 | Museum of Modern Art, New York. Alfred Barr probeerde in maart 1956 het schilderij voor MOMA te kopen, maar Penrose weigerde. In december 1956 verkocht Penrose het schilderij aan Nelson A. Rockefeller om land bij Farley Farm aan te kopen. Rockefeller beloofde het schilderij aan MOMA te schenken. |
![]() | £ 135 | Man met viool | 1912 | The Metropolitan Museum of Art, New York. |
In 1973 kocht Penrose van Gaffé het nevenstaande schilderij Gitaar, gaslamp en fles van Picasso uit 1913. Het werk werd door Kahnweiler van Picasso gekocht en in 1914 geconfisqueerd. Op de vierde veiling van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler op 7 en 8 mei 1923 werd het schilderij voor 5000 FF gekocht. Helaas werd bij de vierde veiling, niet de namen van de kopers genoteerd. Op 15 juni 1927 werd het werk op een veiling bij Hôtel Drouot voor 24.000 FF verkocht aan Goemans. Denkelijk was dit Camille Goemans (1900-1960), die in de periode 1929-1930 Galerie Goemans had op Rue de Seine 49 te Parijs.