Rolf de Maré werd op 9 mei 1888 geboren te Stockholm in een rijke familie. Zijn vader was officier en modeontwerper en zijn moeder beeldhouwster. Nadat zijn ouder gescheiden waren, trouwde zijn moeder met een van de huisleraren van Rolf. Zijn stiefvader kreeg een geschiedenis leerstoel aan de Universiteit van Stockholm. Wegens zijn chronische astma kreeg Rolf hoofdzakelijk thuis les van huisleraren. Rolf de Maré reisde veel en verzamelde hedendaagse Parijse kunst. Via zijn vriend, de Zweedse schilder Nils von Dardel (1888-1943), kreeg de Maré vele vrienden in de Parijse kunstkringen.
In 1913 werd de Rus Michel Fokine benoemd tot directeur van het ballet aan de Koninklijke Opera van Stockholm. Hij kreeg volledige vrijheid om het traditionele ballet te moderniseren. Na een succesvol jaar probeerde Fokine, die ervan overtuigd was, dat zijn ballet beter was dan het Ballets Russes van Serge Diaghilew, het Opera management te overtuigen van een buitenlandse tour. Dit werd afgewezen, maar ook door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zou het denkelijk onmogelijk zijn geweest.
Rolf de Maré ontmoette in Stockholm na de Russische Revolutie de uit Rusland met een arreslee over de bevroren Baltische Zee teruggekeerde Michel en Vera Fokine. Terug in Zweden waren de Fokines gedwongen hun geld te verdienen met het geven van uitvoeringen in het land, daar de opera voor de financiële zekerheid tijdens de oorlog gekozen had voor traditioneel werk. De Maré nodigde de Fokines uit in zijn huis in Zuid Zweden te verblijven. Hier spraken zij over Fokines plannen voor een buitenlandse tour met Zweedse balletdansers en danseressen van internationaal niveau, zoals Carina Ari, Jenny Hasselquist en Jean Börlin (1893-1930). De Maré gaf Fokine de financiën om een eigen dansschool te beginnen in Kopenhagen met Jean Börlin als choreograaf. Toen Börlin een solovoorstelling in Parijs voorbereidde zag de Maré zijn kans om rond hem een groep te vormen. De Franse journalist Jacques Hébertot werd door de Maré als privésecretaris ingehuurd om danseressen van het Koninklijk Operaballet te contracteren. Dansers werden vooral van het Koninklijke Theater te Kopenhagen gecontracteerd. De directie van de Stockholmse Opera was zeer kwaad over het weghalen van de danseressen en probeerde de Maré op diverse manieren zwart te maken. Het gevolg was, dat de Maré de rest van zijn leven in Parijs zou blijven. De Maré gaf Börlin de financiën om een jaar lang een studiereis door Europa te maken. Op 25 maart 1920 gaf Jean Börin de eerste van drie solovoorstellingen in de Comédie des Champs-Élysées te Parijs, dat min of meer de prelude was van de Ballets Suédois.
Rolf de Maré huurde voor zeven jaar het in 1913 gebouwde Thêatre des Champs-Élysées als thuisbasis voor het Ballets Suédois. Als het ballet op tournee was verhuurde de Maré het aan andere gezelschappen, o.a. aan het Ballets Russes. Op 25 oktober 1920 was de première van het Ballets Suédois, maar het kreeg een koele ontvangst in de pers. De tweede uitvoering was op 8 november 1920, waarbij Nils von Dardel in tegenstelling tot de gewoonte een zeer opvallend decor bij het openingsballet Maison de fous (=Gekkenhuis) had ontworpen. De pers vond het een belediging, maar het publiek was enthousiast. De doorbraak kwam met de derde uitvoering op 18 november 1920. Het openingsballet was El Greco, waarvan door Börlin eerst de choreografie was gemaakt en pas daarna door Inghelbrecht de begeleidende muziek. In een periode van drie weken werden negen nieuwe balletten opgevoerd.
Na vijftig voorstellingen in Parijs ging Ballets Suédois op tournee en werd het Thêatre des Champs-Élysées door het Ballets Russes gebruikt. Het programma werd afgedrukt in een speciale luxe uitgave van het door de Maré opgerichte tijdschrift La Danse. Van begin december 1920 tot 21 januari 1921 verbleef het gezelschap in Londen. Terug in Parijs werden vijftien voorstellingen gegeven. Volgens de schrijver Bengt Häger werd op 15 februari 1921 bij de opvoering van het ballet La Boîte à joujoux, op muziek van Claude Debussy, voor het eerst gedanst in een kubistische scenografie ontworpen door André Hellé (1871-1945). Daarna kwam een tournee langs een twaalftal Spaanse steden, waaronder Madrid en Barcelona. Het gezelschap bestond uit ongeveer dertig dansers en danseressen, ruim vijfentwintig technische medewerkers en twee of drie muzikale leiders, waarvan er een steeds vooruit ging om in de nieuwe plaats een orkest te formeren en te repeteren voor de uitvoering. Rolf de Maré deed zelf de belichting, waarvoor veertig lichtprojectoren meereisden tussen de tien ton bagage. Op 3 juni 1921 keerde het gezelschap terug in Parijs om op 6 juni de eerste voorstelling te geven van L'Homme et son désir. Het eerste jaar werd afgesloten op 26 juni.
Het seizoen 1921-1922 begon met een tournee door Frankrijk van 20 november tot 30 december. Vanaf 9 januari 1922 was het gezelschap terug in het Thêatre des Champs-Élysées. Op 20 januari 1922 was de eerste uitvoering van Skating Rink waarvoor Fernand Léger de scenorafie ontwierp. Op 19 maart 1994 verscheen in een serie van twee de nevenstaande postzegel waar het schetsontwerp van Léger voor een van pakken van Jean Börlin op staat. Daarnaast staat een afbeelding van het echte pak. Op 29 januari 1922 vertrok het gezelschap voor een tournee door Europa. Bezocht werd o.a. Berlijn, Wenen, Budapest, Keulen, Hamburg en Stockholm.
Ook het seizoen 1922-1923 begon met een tournee door Frankrijk, daarna Zwitserland, Kopenhagen, Oslo, plaatsen in Zweden, Engeland en Italië. Financieel waren er wel problemen. Door de devaluatie van de Duitse Mark kreeg de Maré voor de tournee door Duitsland wel het vastgelegde bedrag, maar dat was een fractie van het door de Maré aan het gezelschap beloofde bedrag in Zweedse Kronen.
Het seizoen 1923-1924 opende op 25 mei in Parijs met twee nieuwe balletten, n.l. Offerlunden en Marchand d'oiseaux. Na de zomeronderbreking was op 25 oktober 1923 de eerste uitvoering van La Création du monde. Léger ontwierp de scenografie en schilderde zelf het voordoek. Op 3 november vertrok Rolf de Maré vanuit Cherbourg naar New York. De rest van het gezelschap vertrok een week later vanuit Le Havre. Het contract was gesloten met Richard Herndon en Florence Ziegfeld, maar Herndon had niet gelet op de door de Maré opgegeven afmetingen voor het danspodium. Het gevolg was, dat op het laatste moment het Century Theater vanaf 26 november voor slechts één week kon worden gehuurd en later opnieuw. In de tussen gelegen veertiendagen werden uitvoeringen in Philadelphia en Washington gegeven. Door het ontbreken van publiek werden de uitvoeringen in New York na veertiendagen afgebroken en vervolgde men met een tournee langs 26 plaatsen, die op 1 maart 1924 eindigde in Allentown. Een rechtzaak tegen de organisatoren van de tournee werd uiteindelijk door de Maré wegens de oplopende kosten gestopt. Om voldoende financiën te hebben, o.a. voor het doorbetalen van het gezelschap tijdens de vakanties, verkocht de Maré een aantal schilderijen van o.a. Gauguin, Monet, Kandinsky en Miró.
Het seizoen 1924-1925 startte op 19 november met vier nieuwe balletten. Op 27 november 1924 zou de premiere van Relâche (=afgelast) zijn, waarvoor Francis Picabia , die net had gebroken met de dadaïsten, het decor e.d. had ontworpen en Erik Satie de muziek. Het publiek kwam voor een gesloten deur en men dacht gezien de titel aan een practical joke, maar de sterdanser Börlin was ziek en de Maré had de voorstelling op het laatste moment afgelast. Helaas kon het publiek niet meer via de media ingelicht worden. Pas op 4 december was de eerste uitvoering van Relâche. Na de Parijse voorstellingen begon een tournee door België en Frankrijk. Vijfendertig plaatsen werden bezocht, maar de belangrijkste balletten konden meestal door ruimte gebrek op het podium niet worden opgevoerd. Op 17 maart 1925 deelde de Maré aan het gezelschap mee, dat hij zou stoppen met Ballets Suédois.
Aangezien de Maré wegens het contract nog gebonden was aan het Thêatre des Champs-Élysées veranderde hij het theater in een opera-music hall, waar o.a. Josephine Bakers Revue nègre werd opgevoerd. In 1932 verscheen van Rolf de Maré in Parijs het boek Les Ballets Suédois. In hetzelfde jaar richtte de Maré het Archives Internationales de la Danse (AID) op, dat spoedig de grootste dansbibliotheek in de wereld werd. Dankzij Serge Lifar werd de bibliotheek tijdens de Tweede Wereldoorlog niet leeggeroofd. Helaas ging een groot deel van het archief van Ballets Suédois, dat opgeslagen was in de kelder, tijdens de oorlog verloren. In 1950 besloot de Maré de bibliotheek te schenken aan de Bibliothèque Nationale. Om de oude danstradities van de derde wereld veilig te stellen maakte de Maré tijdens zijn vele reizen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika een twintigtal filmdocumentaires.
In februari/maart 1947 werd in de Föreningen för nutida Konst te Stockholm een expositie onder de titel Rolf de Marés Samling gehouden. Van Georges Braque waren de schilderijen, die hieronder worden getoond, te zien. Rolf de Maré overleed op 28 april 1964 te Barcelona en zijn erfenis vermaakte hij aan het in 1952 geopende internationale dansmuseum Dansmuseet te Stockholm. In 1969 kreeg het museum staatssubsidie van de Zweedse overheid en in 1982 bracht de UNESCO haar collectie dansfilms en -video's in dit museum onder.
Rolf de Maré bezat kunstwerken van o.a. Georges Braque, Pierre Bonnard (1867-1947), Nils (von) Dardel, Marie Laurencin, Fernand Léger en Pablo Picasso. Van Picasso bezat de Maré het kubistisch beeld van Fernande uit 1909. In 1966 kreeg het Moderna Museet in Stockholm de onderstaande drie werken van Braque, vijf schilderijen van Léger en Picasso's beeld, uit de erfenis van de Maré.
| kunstwerk | titel | jaar | nu te zien in | opmerking |
![]() | De fruitschaal | 1908 | Moderna Museet, Stockholm. | De Maré had dit schilderij gekocht bij Galerie Wilhelm Uhde te Parijs. |
![]() | La Roche-Guyon: Het kasteel | 1909 | Moderna Museet, Stockholm. | De Maré had dit schilderij gekocht bij Galerie Flechtheim te Berlijn. |
![]() | Viool en muziekpapier | 1911 | Moderna Museet, Stockholm. | De Maré had dit schilderij gekocht bij Galerie Flechtheim te Berlijn. |
Bengt Häger: Ballets Suédois (The Swedish Ballet), uitgegeven in 1990 te New York (ISBN: 0-8109-3803-0).