André Breton werd op 18 februari 1896 geboren in Tinchebray in het departement Orne en werd bekend als schrijver. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verbleef het gezin Breton in Lorient. In januari 1915 werd André goedgekeurd voor militaire dienst en kreeg hij een opleiding in Pontivy en een medische opleiding in een ziekenhuis te Nantes. Hier schreef hij zijn eerste brief aan Guillaume Apollinaire. Op 20 november 1916 werd Breton als bancardier aan het front geplaatst. Bij terugkeer in Parijs in 1917 ontmoette Breton de schrijver Pierre Reverdy met wie hij samenwerkte aan het tijdschrift Nord-Sud en de schrijver Philipe Soupault. Samen met Soupault, die de biografie zou leveren, Louis Aragon, die de werken zou analyseren en zelf voor een bijdrage over kunst startte Breton in 1918 met een serie over kunstenaars. Aandacht werd besteed aan o.a. Giorgio De Chirico, André Derain, Juan Gris, Henri Matisse, Pablo Picasso en Henri Rousseau.
De trois mousquetaires, Aragon, Breton en Soupault, gingen spoedig samen werken met Paul Valéry, oprichter van het blad Littérature, en Paul Éluard. Na aankomst van Tristan Tzara op 23 januari 1920 in Parijs organiseerden Tzara, Francis Picabia en Breton diverse dadabijeenkomsten, maar in augustus 1920 distantieerde Breton zich van Dada. Aan het einde van het jaar leerde Breton de couturier Jacques Doucet kennen en hij werd in juni-juli 1921 diens adviseur. In 1923 probeerde Breton Doucet over te halen het schilderij Les Demoiselles d'Avignon van Picasso te kopen. Uiteindelijk kocht Doucet het schilderij op afbetaling en kon het op 17 april 1924 worden opgehaald. Picasso overhandigde het schilderij, dat zonder lijst was, pas nadat de totale som geheel was betaald.
André Breton kocht op de veilingen van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler volgens de schrijver Malcolm Gee achttien werken, waaronder vele kubistische. Volgens Isabelle Monod-Fontaine kocht Breton op de tweede veiling 3 werken van Braque, 2 van Picasso, 5 van Derain en 1 van de Vlaminck, maar volgens de lijst van Gee 5 van Braque en 3 van Picasso. Ook kocht Breton werken bij de kunsthandelaar Léonce Rosenberg.
titel: | jaar: | opmerking: | |
![]() | Nature morte | 1911-1912 | Het nevenstaande schilderij, nu met de titel Verre et Pipe SODA. van Braque kocht Breton voor 340 FF op de tweede veiling. Via o.a. de Hauke & Co te New York, en Charles Lamd kwam het werk in 1942 dankzij geld uit de nalatenschap van Lillie P. Bliss in het Museum of Modern Art te New York. |
![]() | Le Nu à la Guitare | 1909 | Denkelijk kocht André Breton voor 520 FF het nevenstaande Le Nu à la Guitare van Picasso op de tweede veiling. Op 15 april 1970 werd het schilderij onder de titel Femme nue à la guitare uit 1909 bij Sotheby's te Londen voor £ 16.000 verkocht. |
![]() | Nature morte | 1913 | Het nevenstaande werk, nu genoemd Bouteille de marc de Bourgogne, verre, journal van Picasso kocht Breton voor 680 FF op de tweede veiling. Via Sara Lewis, de familie Bensinger in Chicago en Galerie Europe in Parijs, kwam het werk bij Philippe-Guy E Woog te Genève. |
![]() | Fruitschaal en glas | 1912 | André Breton kocht dit werk van Braque vlak na de veiling van Kahnweilers bezit van Léonce Rosenberg. Rosenberg had op de veiling 235 francs betaald. In 1946 verkocht de eerste vrouw van Breton, Simone, dit eerste kubistische papier collé aan Douglas Cooper. |
![]() | Grand Nu | 1908 | Breton kocht dit schilderij van Braque voor 240 francs op de derde veiling van Kahnweilers geconfisqueerd bezit. Later kwam het werk in de verzameling van Marie Cuttoli terecht. |
![]() | Le Perret | 1909 | Het neventaande schilderij, nu genoemd Le Port, van Braque kocht Breton voor 360 FF op de derde veiling van Kahnweilers bezit. Op 3 april 1968 werd het schilderij verkocht bij Parke Bernet bij de veiling van de Alan Bluestein Collection. Audrey Jones Beck schonk in 1974 het schilderij samen met acht andere werken aan het Museum of Fine Arts te Houston na het overlijden van haar man John A. Beck (1920-1973). |
![]() | L'Escalier 2e etat | 1914 | Het nevenstaande schilderij van Léger kocht Breton voor 250 FF op de derde veiling van Kahnweilers bezit. Het schilderij werd op 23 maart 1966 geveild bij Parke-Benet te New York voor de erfgenamen van G. David Thompson. Als eerdere eigenaren werden opgegeven Marie Cuttoli en César M. de Hauke. Het schilderij werd gekocht door H. Diamond. |
Op 15 oktober 1924 verscheen het door Breton geschreven Manifeste du surréalisme en werd Breton de grondlegger van het surrealisme. In 1938 maakte Breton een reis naar Mexico, waar hij o.a. Diego Rivera, Frida Kahlo en Léon Trotski ontmoette. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Breton in september 1939 gemobiliseerd. Op de dag van de wapenstilstand, 17 juni 1940, bevond Breton zich in de niet-bezette zone. Dankzij het Comité américain de secours aux intellectuels van Varian Fry kon Breton op 25 maart 1941 samen met zijn vrouw Jacqueline Lamba (1910-1993), dochter Aube Elléouët (1935- ) en de kunstenaars Wifredo Lam en Claude Lévi-Strauss op weg gaan naar New York, waar zij op 14 juli aankwamen. In 1943 scheidde Breton van Jacqueline, die hem verlaten had voor de beeldhouwer David Hare. Op 10 december 1943 ontmoette Breton élisa Claro, waarmee hij in Reno (Nevada) zou trouwen. Op 25 mei 1946 keerde Breton terug in Frankrijk.
In 1948 stichtte Breton samen met Jean Paulhan en Henri-Pierre Roché de Compagnie de l'Art brut. Op 27 september 1966 werd Breton met ademhalingsmoeilijkheden overgebracht van Saint-Cirq-Lapopie naar Parijs, waar Breton op 28 september 1966 overleed in het ziekenhuis Lariboisière. Hij werd begraven op het Parijse kerkhof Batignolles.