Marcelle werd op 23 juli 1879 geboren met de naam Octavie Eugénie Lapré te Parijs als dochter van Eugénie Lapré. Als vaders naam werd Vorvanne genoemd, maar deze staat niet op het geboortebewijs. Volgens Roland Penrose vertelde Françoise Gilot in november 1954 dat Marcelles vader de patron was van het Cabaret du Néant, Boulevard de Clichy 34 te Montmartre. In de jaren voordat zij Braque ontmoette werkte zij onder de naam Madame Vorvanne als model, o.a. voor Kees van Dongen en Amedeo Modigliani. Zij kende Fernande Olivier, die haar meenam naar Gertrude Stein, en Max Jacob. Marcelle kende ook Marthe Duverger, die in het zelfde logement woonde en later zou trouwen met Braques vriend Henri Laurens.
In 1908 stelde Pablo Picasso Georges Braque aan Marcelle voor, maar pas in 1910 gingen zij meer met elkaar om. Nadat Braque op herhaling was geweest voor militaire dienst gingen Braque en Marcelle in 1911 samenwonen in de Zuidfranse plaats Céret. In januari 1912 keerden zij terug naar Parijs en gingen zij wonen in een tweekamer appartement in de Impasse de Guelma, waar meer kunstenaars woonden. Zo woonde Gino Severini op de verdieping eronder. Via Braque kwam hij in contact met Picasso.
De familie Braque en Laurens, die vlakbij woonde, gingen zeer veelvuldig met elkaar om. Naar aanleiding van deze levenslange vriendschap werd van 21 oktober 2005 t/m 30 januari 2006 de tentoonstelling Braque - Laurens un dialoque gehouden in het Musée des Beaux-arts de Lyon. De zomer van 1912 brachten de familie Braque samen met Picasso en zijn nieuwe liefde Eva door. In 1914 kochten Georges en Marcelle het huis Villa Bel-Air te Sorgues, een plaats vlakbij Avignon, dat Braque renoveerde.
Marcelle hield van muziek en kocht na de dood van Erik Satie in 1925 één van zijn twee piano's. Braque en Marcelle trouwden op 23 maart 1926 te Parijs. In 1927 verkochten zij het huis in Sorgues. Op uitnodiging van de Amerikaanse architect Paul Nelson en zijn Franse vrouw Francine Lecoeur brachten Braque en Marcelle de zomer van 1928 door in Varengeville (Normandië). In 1929 bracht Braque een deel van de zomer in Dieppe door en daarna in Varengeville. In 1930 kocht Braque een stuk grond in Varengeville en Nelson kreeg de opdracht een huis te ontwerpen. Na aanpassingen aan de wensen van Braque was het in 1931 klaar. Gebruikelijk was om van augustus tot januari door te brengen in Varengeville en van februari tot juli in Parijs.
Braque was op 6 december 1932 getuige bij het huwelijk van Carl Einstein, geboren op 26 april 1885, en de Armeense Lyda Guévrékian (geboren in 1898), die eerder getrouwd was geweest met de architekt Hans Adolf Vetter. Braque had de schrijver Einstein tijdens Einsteins eerste bezoek aan Parijs in 1907 ontmoet. Na de Eerste Wereldoorlog, waarin Einstein ook gewond was geraakt aan zijn hoofd, werden Braque en Einstein vrienden en verbleef Einstein geregeld bij Braque in Parijs. Einstein was mede bekend geworden door het in 1926 in Berlijn uitgegeven standaardwerk Die Kunst des 20 Jahrhunderts. Voor het hoofdstuk over kubisme gebruikte hij werken van Picasso en Braque uit de collectie van Gottlieb Reber. In 1928 vestigde Einstein zich met Lyda in Parijs. In 1933 zorgde Einstein ervoor dat Braque van 9 april t/m 14 mei een retrospectieve tentoonstelling kreeg in het Kunstmuseum Basel. In 1934 kwam van Einstein het boek Georges Braque uit. Einstein pleegde begin juli 1940 zelfmoord aan de Spaanse grens, toen hij na terugkeer uit Spanje -waar hij meegevochten had in de Spaanse burgeroorlog- eerst geinterneerd was geweest door de Franse Staat en daarna op de vlucht was voor de Duitse bezetter. Braque bewaarde de papieren van de joodse schrijver en ondersteunde zijn vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Zie voor uitvoerige informatie over Carl Einstein de Duitstalige website www.carleinstein.uni-muenchen.de.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 was Braque in Varengeville. In mei 1940 bezochten Braque en Marcelle Paul Rosenberg in Floirac en brachten de schilderijen uit Varengeville onder in een bank te Libourne, waar Rosenberg ook een kluis had gehuurd om o.a. 14 schilderijen van Braque, 33 van Picasso en 21 van Henri Matisse op te brengen. Enkele dagen later keerde Braque terug naar Parijs, waar hij de door zijn assistente Mariettte Lachaud opgerolde schilderijen ophaalde en naar Pacy bracht waar zijn moeder en zus Henriette leefden. Samen met Mariette en haar moeder Amélie gingen Braque en Marcelle eind mei met veel moeite naar La Valade (Limousin) waar familie van Mariette woonde. Na drie weken gingen Braque en Marcelle zuidelijker, ontmoetten André Derain en zijn vrouw in Barbézieux en gingen gezamenlijk naar Gaujac. In juli 1940 keerde de groep Braque terug naar het huis in Parijs. Op 5 september 1941 werd de kluis van Braque in de bank te Libourne door de ERR geopend en geleegd. De bank bracht dit Braque zelfs nog in rekening! Door Walter Andreas Hofer, de persoonlijke kunstadviseur van Göring en daarvoor een assistent van Gottlieb Reber, kreeg Braque de mogelijkheid om de inhoud terug te krijgen. Braque moest daarvoor wel een schilderij van Cranach te koop aanbieden. Braque kreeeg zijn werken terug.
De reis van een aantal kunstenaars naar Duitsland in 1941 zorgde voor een breuk met zijn vrienden Derain, Maurice de Vlaminck, Othon Friesz en Kees van Dongen. In het najaar van 1944 probeerde Picasso Braque over te halen lid te worden van de communistische partij, maar slaagde daar niet in.
Marcelle Braque stierf op 28 november 1965, iets meer dan twee jaar na haar man.