Cornelis Theodorus Maria van Dongen werd op 26 januari 1877 geboren te Delfshaven, een dorp dat in 1886 door Rotterdam werd opgeslokt. In 1889 ging Kees zijn vader helpen bij het werk in een mouterij, een bedrijfje dat de grondstof voor de jeneverstokerijen leverde. Uiteindelijk ging Kees in 1892 tekenlessen volgen bij de schilder J.C. Heyberg aan de kunstacademie te Rotterdam. Op de academie ontmoette hij zijn latere vrouw Juliana Augusta Preitinger (-1946), roepnaam Guus. In 1895 ging Kees uit huis en verdiende hij de kost met het maken van tekeningen voor o.a. Het Rotterdamsch Nieuwsblad.
In juli 1897 maakte Kees zijn eerste reis naar Parijs om de feestelijkheden van 14 juli, de nationale feestdag, mee te maken. Bij de Nederlandse schilder Siebe ten Cate (1858-1908) vond hij in Montmartre onderdak. Denkelijk was zijn definitieve vertrek naar Parijs in 1899.
In oktober 1899 vestigen Kees van Dongen en Guus Preitinger zich in de Rue Ordener te Montmartre en in maart 1900 in de Impasse Girardon 10. Van Dongen deed vele verschillende werkzaamheden naast het maken van tekeningen om aan geld te komen. Hij was o.a. sjouwer in de markthallen, afficheplakker en gids voor landgenoten, die naar Parijs kwamen. In 1901 verkocht hij zijn eerste tekening aan het satirische blad l'Assiette au Beurre. In oktober 1901 leverde van Dongen alle zestien tekeningen voor een themanummer over prostitutie en kon hij door de opbrengst van 800 francs weer enkele maanden vooruit. Ook andere tijdschriften, zoals de satirische Frou Frou, Le Rabelais, L'Indiscret, Gil Blas, Le Rire en Le Sourire, gingen tekeningen van van Dongen kopen. Het nevenstaande schilderij Portret van Augusta Preitinger schilder van Dongen in 1910 en werd door zijn dochter Dolly geërfd. Dankzij de Grote Sponsor Loterij kwam het schilderij via de Kunsthandel Ivo Bouwman in juli 1999 bij het Van Gogh Museum terecht.
Op 11 juni 1901 trouwde Kees van Dongen met de in verwachting zijnde Guus Preitinger in de kerk Saint Pierre de Montmartre. Op 2 december 1901 beviel Guus van een zoon, die slechts twee dagen leefde. Kees van Dongen verkocht via Berthe Weill en had een expositie bij Galerie Druet. In november 1904 was bij Ambroise Vollard een expositie van 125 werken van Kees van Dongen uit de periode 1892-1904. 1905 werd een belangrijk jaar voor van Dongen: een tentoonstelling bij Druet, de geboorte van zijn dochter Dolly op 18 april 1905, deelname aan de Salon d'Autumn waar het fauvisme naam maakte en de verhuizing naar het ateliergebouw Le Bateau-Lavoir.
In Le Bateau-Lavoir had de familie van Dongen Pablo Picasso en zijn vriendin Fernande Olivier als buren. Van Dongen schilderde en tekende Fernande vele malen. In de zomer van 1905 bracht de familie van Dongen lange tijd door bij Otto en Adya van Rees in Fleury-en-Bière. Van 2 t/m 28 maart 1908 had Kees van Dongen een tentoonstelling van 27 werken bij de in 1907 geopende Galerie Kahnweiler. Het was de eerste solotentoonstelling bij Kahnweiler onder de naam Oeuvres de Kees van Dongen en vier werken werden verkocht.
Dankzij een groot artikel met illustraties van Tom Schilperoort in het kerstnummer van Op de hoogte werd van Dongen ook in Nederland bekender. In februari 1907 verhuisde het gezin van Dongen naar Rue Lamarck. Dit was mede mogelijk door inkomsten via Galerie Bernheim-Jeune, waar van Dongen uiteindelijk een zevenjarig contract mee afsloot. Hij ontving ongeveer 10.000 francs per jaar. De stijgende rijkdom zorgde voor herhaaldelijk verhuizen naar een steeds grotere woning, n.l. in 1909 naar de Rue Saulnier en in 1912 naar de Rue Denfert-Rochereau, waar grote gekostumeerde feesten door van Dongen werden gehouden. Ook maakte van Dongen reizen naar Italië, Spanje, Marokko en Egypte. Tot ongeveer 1913 schilderde van Dongen op een fauvistische manier.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren Guus en Dolly van Dongen vanaf juni op vakantie in Rotterdam. Zo als velen in Frankrijk dacht het gezin van Dongen dat de oorlog zeer kort zou duren en sprak men af dat Guus en Dolly de vijandigheden in Nederland zouden afwachten. Het gescheiden zijn gaf van Dongen gelegenheid openlijk met zijn nieuwe verovering te showen. In 1916 ontmoette hij Léa Jacob ( -1950), die als roepnaam Jasmy had en commercieel directeur van het in 1909 geopende modehuis Jenny was. In 1919 schilderde hij het nevenstaande portret van Jasmy. Via Jasmy kwam Kees van Dongen in aanraking met de modewereld, o.a. met Paul Poiret (1879-1944) en Nicole Groult, en werd hij de portretschilder van de gegoede burgerij. Zo schilderde van Dongen een portret van de eigenaresse van het modehuis Jenny, Jeanne Adèle Bernard, dat zij in 1962 schonk aan het Musée des beaux-arts te Nice. In 1917 gingen Kees van Dongen en Jasmy Jacob samenwonen vlak bij het Bois de Boulogne in Villa Saïd 29. Voor Guus en Dolly was er na de oorlog geen plaats en zij namen intrek in een hotel. De echtscheiding zou in 1921 worden uitgesproken. Guus, die contact bleef houden met Otto en Adya van Rees, overleed op 21 januari 1946.
Na afloop van het contract met Galerie Bernheim-Jeune besloot van Dongen de verkoop van zijn werken zelf te regelen. In 1920 hield hij voor het eerst een verkoopexpositie in zijn huis. Bij de opening hielp Dolly om de gasten te ontvangen en hielp de politie om de massale toeloop in toom te houden. In 1921 kocht van Dongen het buitenhuis Le Louvard te Chanteloup-en-Brie (een plaats westelijk van Disneyland Resort Paris), dat hij toen ze uit elkaar gingen in 1932 aan Jasmy schonk. In 1922 verhuisde Kees en Jasmy naar de Rue Juliette-Lamber 5, waar opnieuw feesten werden gegeven. In 1929 werd van Dongen Frans staatsburger. Regelmatig bracht hij de zomermaanden door in Deauville, Cannes en Venetië.
Na de breuk met Jasmy kocht van Dongen een huis in de Parijse voorstad Garches en in 1934 een atelierwoning in de Rue de Courcelles 75 te Parijs, waar hij in 1938 de uit Bretagne afkomstige Marie-Claire Huguen ontmoette. In december 1940 werd uit de relatie zoon Jean-Marie geboren. Veel problemen leverde een studiereis georganiseerd door de beeldhouwer Arno Breker op uitnodiging van de Duitse bezetter naar Berlijn in november 1941 op. Ook zijn medereizigers, o.a. André Derain, Maurice de Vlaminck, André Dunoyer de Segonzac, Othon Friesz en Charles Despiau ondervonden na de oorlog de gevolgen. Door de slechte verkoop van zijn werken ging van Dongen na de Tweede Wereldoorlog weer illustreren.
In 1949 had van Dongen van 28 mei t/m 10 juli een grote overzichtstentoonstelling van honderd werken in Museum Boymans te Rotterdam. De aandacht werd extra op deze tentoonstelling gericht door het verwijderen van twaalf schilderen van ongezonde naakten door het gemeentebestuur van Rotterdam. Ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag werd in december 1967 opnieuw een tentoonstelling in Rotterdam gehouden van 164 werken. Dezelfde tentoonstelling was eerder te zien in het Musée d'Art Moderne de Paris in oktober 1967.
Na de Tweede Wereldoorlog leefden Kees en Marie-Claire, waarmee hij in 1953 officieel trouwde, veel gescheiden, Marie-Claire vast in Monte-Carlo en Kees hoofdzakelijk in Parijs, behalve enkele wintermaanden als hij in Monte-Carlo was en enkele zomermaanden in Deauville. In 1965 beëindigde Kees van Dongen de huur van zijn atelier in de Rue de Courcelles en vestigde hij zich definitief in Monte-Carlo. Kees van Dongen overleed op 28 mei 1968 in de kliniek Grâce de Monaco. De weduwe Marie-Claire van Dongen-Huguen schonk diverse schilderijen aan het Musée des beaux-arts te Nice.
Van 22 april t/m 25 september 2005 werd in het Musée des Beaux-Arts Jules Chéret te Nice de tentoonstelling La passion van Dongen gehouden met werken uit hun collectie, bv. Madame Jenny uit 1923, en werken, die het museum in depot had, bv. Le portrait de Léopold III uit 1936.