Invoerrechten en kunst

L'Oiseau dans l'espace, hoogte beeld: 135,3 cm New York City, 24-2-1927

In verband met een tentoonstelling van werken van Constantin Brancusi, die van 17 november t/m 15 december 1926 een solo-expositie had in de Brummer Gallery te New York bracht Marcel Duchamp voor zijn vriend op 20 oktober 1926 twintig werken van Brancusi mee uit Frankrijk. Brancusi was al op 1 september 1926 vanuit Le Havre naar New York vertrokken. Duchamp regelde op 21 oktober bij de douane de inklaring van de beeldhouwwerken, die gemaakt waren van brons, marmer en hout. Drie werken, n.l. het nevenstaande bronzen beeld L'Oiseau dans l'espace uit 1925, Le Baiser en Mlle Pogany, kregen speciale aandacht van de douane-inspecteurs. Inspecteur Dayton, de specialist voor metalen, vroeg advies aan F.J.H. Kracke. Hij kon geen artistieke waarde ontdekken en deze werken vielen daardoor in het 40% tarief van de invoerrechten in plaats van vrij van invoerrechten volgens paragraaf 1704 van de 1922 tariff act. Ondanks het verschil van mening, mochten de werken worden overgebracht naar de Brummer Gallery in New York en later naar Chicago.

In een brief van 12 december 1926 beschreef Duchamp aan Brancusi, die op 3 december terug was in Parijs de ontwikkeling. Met hulp van Moulton, de advocaat van Ernest Meyer, was Duchamp op 12 februari 1927 in beroep gegaan tegen de beslissing van de douane bij de Board of General Appraisers in New York.

Het publiek werd op 24 februari 1927 via het nevenstaande artikel in de New York City op de hoogte gebracht van de beslissing van de douane, dat Brancusi invoerrechten moest betalen voor zijn kunstwerken. Ook Forbes Watson via het tijdschrift The Arts en C.J. Bulliet via een artikel in de Chicago Evening Post op 5 april 1927 schonken aandacht aan de controverse. Volgens het artikel van Bulliet ging het om $ 4.000 aan belasting. Duchamp, die Brancusi vertegenwoordigde, vroeg Watson om mee te gaan naar de douane. Duchamp, Watson en de kunstcriticus Henry McBride (1867-1962) gingen bij de douane bezwaar maken. Zij moesten o.a. de mening van de beeldhouwers Daniel Chester French (1850-1931) en Robert I. Aiken (1878-1949) weerspreken, die de douane hadden geadviseerd.

Maurice Speiser (1880-1948), een zwager van Albert Gleizes, uit Philadelphia verdedigde Brancusi bij de rechtzaken. Brancusi had Maurice Speiser al eerder ontmoet, want het weekend na zijn verjaardag (19 februari 1926) bracht Brancusi door bij het echtpaar Speiser. Ten slotte bleef alleen de 135 cm hoge bronzen L'Oiseau dans l'espace over, die Edward Steichen voor $ 600 gekocht had en waarvoor hij $ 229,85 invoerrechten had moeten betalen. De strijd werd vanaf 21 oktober 1927 uitgevochten voor het United States Customs Court in Washington, waarbij de advocaat Charles J. Lane Brancusi verdedigde. Op 21 oktober 1927 verdedigden de directeur van het Brooklyn Museum of Art, William Henry Fox, de Amerikaanse beeldhouwer Jacob Epstein (1880-1959), de fotograaf Edward Steichen, Forbes Watson, de uitgever van het tijdschrift Vanity Fair, Frank Crownshield, en Henry MacBride het standpunt van Brancusi voor het gerecht. Op 26 november 1928 werd door het gerecht uitgesproken, dat L'Oiseau dans l'espace als kunst werd beschouwd en geen invoerrechten verschuldigd was.

Laatste wijziging: 130412