Constatin Brancusi werd op 19 februari 1876 geboren te Pestisáni, een plaats in de Zuid-Roemeense provincie Oltenia. Zijn vader Nicolae was op dat moment 45 jaar en zijn tweede vrouw, Maria Deaconescu, 24 jaar. Uit zijn eerste huwelijk had Nicolae drie zonen en uit zijn tweede al twee zonen. Brancusi had dus al vijf oudere broers. Na Constantin kreeg het echtpaar nog dochter Eufrosina. Na de dood van zijn vader had Brancusi het niet makkelijk bij zijn oudere broers en in 1887 verliet hij het huis en zwierf hij zes jaar door de omgeving. Hij leerde wol verven, werkte als kelner en in een kruidenierszaak. Van 1894 tot september 1898 volgde Brancusi de kunstnijverheidschool van Craiova. Hij werd financieel ondersteund door Grecescu en een oude werkgever, Ion Zamfirescu.
In de zomer van 1896 werkte Brancusi bij de meubelmaker Roth in Wenen. Vanaf 1898 tot 1902 studeerde Brancusi aan de kunstacademie van Boekarest. Op 1 april 1902 werd Brancusi in militaire dienst te Boekarest opgenomen, nadat hij in 1902 al enige tijd gevangen had gezeten wegens het ontduiken van de dienstplicht. Wegens zijn opleiding was zijn dienstplicht slechts één jaar en op 15 januari 1903 verliet Brancusi de militaire dienst.
In mei 1904 vertrok Brancusi lopend via Wenen en München naar Parijs. Dankzij geleend geld van zijn vriend Poiana, die al in Parijs woonde, was het vanaf Langres niet meer nodig te lopen en kwam Brancusi op 14 juli 1904 met de trein in een feestend Parijs aan. Na enige tijd bij Poiana woonde Brancusi op Cité Concordet 9 te Parijs. Op 12 september meldde Brancusi zich bij de vreemdelingenpolitie en op 12 november bij de Roemeense ambassade. Na lang zoeken vond Brancusi werk als bordenwasser in Brasserie Chartier. In zijn vrije tijd ging Brancusi beeldhouwen. Vanaf mei 1905 woonde Brancusi op Place de la Bourse 10. Dankzij een aanbevelingsbrief van Louis Herbette, een lid van Conseil d'Etat (=Franse Raad van State), mocht Brancusi vanaf 23 juni 1905 de lessen van Antonin Mercié volgen aan de École des Beaux-Arts te Parijs als niet-geregistreerde leerling.
Door in 1905 een brief te schrijven aan de Roemeense Minister van Onderwijs, Dr. Gerota, verkreeg Brancusi een toelage van 600 lei, die tot en met 1908 elk jaar werd vernieuwd. Via de Roemeense dames Otilia Kozmutza en Maria Bengescu, een model van Rodin, ontmoette Brancusi Rodin. In 1906 exposeerde Brancusi voor het eerst in Parijs, n.l. in de Salon de Société national des Baux-Arts en de Salon d'Automne. Een van de werken, Buste van een jongen, werd op 7 mei 1907 door de Roemeense Minister van Onderwijs voor 700 lei gekocht voor het kunstmuseum van de Roemeense Academie. Om een grote opdracht, n.l. een beeldhouwwerk voor het graf van Petre Stanesco in Roemenië, afgesloten op 18 april 1907 uit te voeren zocht Brancusi een atelier op de begane grond. Eind 1907, al was het officieel pas op 24 maart 1908, betrok Brancusi een atelier met woning in Rue de Montparnasse 54, die hij tot 10 oktober 1916 zou huren, nadat hij vanaf 27 oktober 1906 had gewoond op Place Dauphine 16. Via Dr. Paul Alexandre ontmoette Brancusi in 1909 de schilder Amedeo Modigliani.
Volgens de schilder André Dunoyer de Segonzac in het voorwoord van het boek Poiret van de schijver Palmer White kocht de couturier Paul Poiret in 1911 direct uit het atelier van Brancusi een koperen versie van Bird in Space. Volgens Dunoyer behoorde het in 1973 tot de Peggy Guggenheim Collectie in Venetië. Het beeld is in het boek te zien op een foto uit 1919, waarop Denise Poiret en het beeld staan. Hetzelfde beeld, maar nu met de huidige naam, staat op een foto van Peggy Guggenheim, die genomen is toen Peggy verbleef bij Kay Sage op het Ile Saint-Louis te Parijs. Naast haar op de foto staat de sculptuur Maiastra uit 1912 van Brancusi. Zij had het beeld volgens een bijgaande tekst in 1940 gekocht voor $ 1.000 uit de nalatenschap van Paul Poiret. (De schrijver moet zich vergissen, want Poiret is pas in 1944 gestorven!) Poiret zou het beeld in 1912 voor 10.000 francs van Brancusi gekocht hebben. Er zijn diverse versies van Maiastra!
Op 15 mei 1912 huurde Brancusi tevens een atelier op nummer 47 van de Rue du Montparnasse. Een buurman hier was de Amerikaanse fotograaf Edward Steichen. De werken van Brancusi kregen een meer symbolische vormgeving.
Samen met Fernand Léger en Marcel Duchamp bezocht Brancusi in 1912 de Parijse Salon de la locomotion aérienne, die van 26 oktober t/m 10 november werd gehouden in het Grand Palais. Brancusi was zeer onder de indruk van de propellervorm en dit zou zijn werk beïnvloeden. Brancusi nam met vijf beelden, n.l. De Muse, Mademoiselle Pogany, Slapende Muse, De Kus en Torso II, deel aan de Armory Show. Hij was op 12 december 1912 uitgenodigd door de organisatoren van de expositie, Arthur B. Davies, Walt Kuhn en Walter Pach. Op nevenstaande foto staan Brancusies beelden links bijelkaar. Mademoiselle Pogany en De Kus staan op de voorgrond.
Brancusi was met vijf werken op uitnodiging van Alexandre Mercereau, die hij via de kunstliefhebster Léone Ricou had leren kennen, aanwezig op de tentoonstelling van moderne Franse kunstenaars in het Kinsky Park te Praag in 1914. Ook van Piet Mondriaan, Raymond Duchamp-Villon, Alexander Archipenko en Tsjechische kunstenaars waren werken aanwezig. In 1914 had Brancusi zijn eerste solo-expositie, n.l. van 12 maart t/m 1 april bij de Photo-Secession Gallery van Edward Steichen en Alfred Stieglitz.
In mei/juni 1914 vertrok Brancusi naar Roemenië om aanwezig te zijn bij het op de plaats brengen van een door hem ontworpen grafmonument voor Petre Stanescu op het Dumbravakerkhof te Buzau. Inclusief materiaal en transportkosten kreeg Brancusi 7500 lei voor dit werk. Terug in Parijs tekende Brancusi op 19 juli 1914 een huurcontract voor een atelier op Avenue de Châtillon 36. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waarbij ook Roemenië aan Duitsland de oorlog verklaarde, verkreeg Brancusi op 4 augustus een verblijfsvergunning.
Op 1 januari 1916 huurde Brancusi een atelier op Impasse Ronsin 8. Het atelier werd verlicht door gaslampen en op de tweede verdieping was een slaapkamer. Op 27 augustus 1916 verklaarde Roemenië de oorlog aan Oostenrijk-Hongarije en werden de Roemenen opgeroepen voor militaire dienst. Eind 1916 kreeg Brancusi na een bezoek aan een medische militaire commissie van de Romeense militaire attaché een vrijstelling van Roemeense militaire dienst op medische gronden tot 15 oktober 1917. Begin november 1917 moest Brancusi opnieuw voor een medische commissie verschijnen en uiteindelijk kreeg hij op 8 november een officiële afkeuring voor militaire dienst. Vanaf 19 januari 1917 ging Brancusi direct corresponderen met John Quinn, die al diverse beelden van Brancusi had gekocht. John Quinn schreef in het Frans naar Brancusi. Daarvoor had het schriftelijk contact via Walter Pach gelopen.
Belangrijk voor Brancusi was een brief van 13 oktober 1917 van Henri-Pierre Roché. Het was het begin van een langdurige vriendschap. Roché wilde o.a. buitenlandse kunstverzamelaars die in Parijs waren, langs ateliers begeleiden om hedendaagse kunst te kopen. In verband met de beschietingen door het Duitse Wilhelmgeschutze van Parijs aanvaardde Brancusi in juni 1918 een uitnodiging van Odette de Saint-Paul, een vriendin van Léone Ricou, om tijdelijk haar huis in Chausse (Gard) te bewonen en toezicht te houden op een verbouwing. Op 8 juli brak Brancusi op de zolder zijn scheenbeen terwijl er verder niemand meer aanwezig was. Daar hij er niet in slaagde iemand via roepen te alarmeren, maakte hij tenslotte een provisorische spalk en slaagde hij erin om 's nachts van de zolder af te komen. 's Morgens kon Brancusi een vrouw, die melk kwam brengen, roepen en de volgende dag lag hij in het ziekenhuis te Alès, waar hij 38 dagen verbleef. Daarna lag Brancusi nog 25 dagen in een herstellingsoord. De breuk zorgde ervoor dat zijn rechter been korter was dan zijn linker, waardoor hij zeer ongemakkelijk liep. Via een operatie zou het verbeterd kunnen worden, maar Brancusi wilde terug naar Parijs. Denkelijk was hij op 11 september terug in Parijs. Helaas schreef zijn grootste verzamelaar, John Quinn, op 26 oktober 1918, dat zijn financiële situatie was veranderd en hij Brancusi de mogelijkheid gaf drie van zijn werken terug te kopen voor 11.000 francs. Begin twintiger jaren kocht Quinn weer diverse werken van Brancusi.
Via Man Ray leerde Brancusi in 1921 foto's te maken, te ontwikkelen en af te drukken, waardoor hij in staat was zijn werk en atelier in de Impasse Ronsin in de Parijse wijk Montparnasse vast te leggen. Zijn atelier maakte deel uit van een complex waar o.a. de kunstenaars Natalia Dumitresco, Alexandre Istrati, Max Ernst en Jean Tinguely ook een atelier hadden. De ateliers hadden geen stromend water, maar een gemeenschappelijke kraan buiten. Later zorgde Brancusi voor stromend water en uitgebreide wasgelegenheid. Op 3 juni 1921 ging Brancusi naar Roemenië. Op de heenweg bezocht hij Italië, Griekenland en Turkije en op de terugweg Berlijn.
In mei 1922 werd in Parijs een uitvoering gegeven van het ballet Les Gymnopédies, waarvoor de componist Erik Satie de muziek had ontworpen en Brancusi de kostuums. Op nevenstaande foto zien we Lizica Codreanu die danste in dit ballet en bevriend was met Brancusi. In september 1922 maakte Brancusi een reis via Italië en Griekenland naar Roemenië. Hij werd hierbij vergezeld door de veel jongere Amerikaanse Eileen Lane, die hij op de reis herhaaldelijk als zijn dochter voorstelde. Voor enkele gouaches en tekeningen van Brancusi zat Eileen model. Zij verkeerde in dezelfde kring als Brancusi en zijn vriend de componist Erik Satie. (Satie overleed op 1 juli 1925.) In 1924 ontmoette Brancusi de danseres Marthe, waarmee hij een relatie kreeg.
In Parijs was Brancusi het toevluchtsadres voor de Roemenen die Parijs bezochten. Zo bezocht Max Herman Maxy in augustus 1924 Brancusi en werd Victor Brauner een leerling van hem in mei 1930.
In 1926 maakte Brancusi een reis naar New York, waarvoor hij zelfs enige Engelse taallessen volgde. Hij vertrok op 20 januari met de France uit Le Havre en was van 28 januari tot 22 maart in de Verenigde Staten. Hij bezocht de Exhibition of Tri-National Art: French, Britisch, American, die gehouden werd vanaf 4 februari in de Wildenstein Galleries te New York en waarop vier werken van Brancusi te zien waren en de solo-expositie van Brancusi van acht beeldhouwwerken en een aantal tekeningen in dezelfde galerie van 18 februari t/m 3 maart.
Op 1 september 1926 voer Brancusi opnieuw van uit Le Havre naar New York, waar hij van 17 november t/m 15 december een solo-expositie had in de Brummer Gallery. Paul Morand (1888-1976) schreef het voorwoord voor de catalogus, dat door Duchamp in het Engels werd vertaald. Op 20 oktober 1926 bracht Duchamp twintig werken van Brancusi mee uit Frankrijk, maar de invoer gaf problemen. De douane vond enkele werken geen kunst en vielen daardoor in het 40% tarief van de invoerrechten. Het werd bij de rechter uitgevochten. Zie de webpagina Douane en kunst. Eind november keerde Brancusi terug naar Frankrijk en was hij op 3 december terug in Parijs, terwijl Marcel Duchamp Brancusi vertegenwoordigde bij de financiële afhandeling van de expositie bij Joseph Brummer. Duchamp verzorgde ook de expositie in de Chicago Arts Club, die van 4 t/m 18 januari 1927 zou worden gehouden maar liep t/m zaterdag 22 januari.
Op 28 juni 1927 kocht Brancusi een stukje grond op de Rue Sauvageot 18 te Parijs om daarop een atelierwoning te laten bouwen. Ondertussen huurde Brancusi vanaf 1 januari 1928 het atelier in de Impasse Ronsin 11. Brancusi huurde het atelier van de beeldhouwer Alfred Boucher, die ook het bekende ateliercomplex La Ruche bouwde. In de Impasse Ronsin bouwde Boucher een paviljoen, dertig ateliers en het atelier La Chapelle.
In oktober 1930 bezocht Brancusi Boekarest en ontmoette hij de avant-garde van Roemenië in hun onderkomen Secolul. Zijn reiskoffer bleef als aandenken achter. In juni 1935 bracht Brancusi enige tijd door in het Roemeense Tirgu-Jiu.

Van 17 november 1933 t/m 13 januari 1934 werd opnieuw een solo-expositie bij de Brummer Gallery gehouden. Marcel Duchamp verzorgde deze expositie van 58 werken. Hij maakte een plan voor de opstelling van de beelden en Roger Vitrac schreef het voorwoord in de catalogus.
In de dertiger jaren huurde Brancusi enkele aangrenzende ateliers erbij als zij vrijkwamen. De vijfde en laatste huurde hij in juli 1941. Na de dood van Boucher in 1944 was er sprake van het ontruimen van de ateliers, maar pas in mei 1950 werd het schriftelijk geëist. Brancusi beriep zich in een brief van 6 juni op een wet uit 1948. Op 13 juni 1952 werd Brancusi Frans staatsburger. In 1954 deed de Assistance Publique een nieuwe poging om de ateliers van de Impasse Ronsin in bezit te krijgen en de kunstenaars eruit te krijgen. Dankzij de bemiddeling van Jacques Jaujard, algemeen directeur van Les Arts et les Lettres, kreeg Brancusi toestemming om tot zijn dood te blijven.
Vanaf 1947 kreeg Brancusi hulp van de Roemenen Nathalie Dumitresco en Alexandre Istrati. Zij kwamen op 9 oktober 1947 met een beurs van de Franse regering voor schilderen naar Parijs, waar zij via George Théodrescu, die enkele maanden eerder met een beurs voor beeldhouwen naar Parijs was gekomen, op 19 oktober direct in contact kwamen met Brancusi. Théodrescu, die Brancusi hielp bij het werk, huurde twee bouwvallige ateliers in de Impasse Ronsin, waarvan één tegenover Brancusi. In januari 1948 vertrok Théodrescu naar Argentinië en Dumitresco en Istrati huurden het atelier tegenover Brancusi. Brancusi, bekend met de geringe beurs, vroeg hen te blijven en hem te helpen bij zijn werk. Brancusi hielp hen met het opknappen van het atelier en zij hielpen Brancusi bij het afbreken van de bouwvallen op het terrein in de Rue Sauvageot in januari en februari 1949. Dumitresco en Istrati vertegenwoordigden Brancusi bij openingen e.d. Zij ontmoetten Francis en Olga Picabia, die daarna geregeld Brancusi bezochten. Een andere regelmatige bezoeker was Gino Severini.
Op 6 januari 1955 brak Brancusi zijn heup en werd hij van 11 januari t/m 3 mei verpleegd in het ziekenhuis Foch te Suresnes. Duchamp en Roché bezochten hem daar. Nadat Brancusi uit het ziekenhuis was ontslagen zorgden Dumitresco en Istrati voor hem. Brancusi kreeg van 25 oktober 1955 t/m 8 januari 1956 een retrospectieve expositie van 59 werken in het Solomon R. Guggenheim Museum te New York. In de pers werd aan deze expositie veel aandacht besteed. Op 9 april 1956 bezochten Georges Salles, directeur van Musées des France, en Jean Cassou, directeur van Musée Nationale d'Art Moderne samen Brancusi voor een laatste bespreking over een schenking aan de Franse Staat. Op 12 april 1956 tekende Brancusi een testament waarin na zijn dood alle bezittingen in de ateliers van de Impasse Ronsin 11 aan de Franse Staat zouden komen mits de Franse Staat het atelier zou recronstrueren. Het echtpaar Istrati erfde volgens het testament alle andere bezittingen. Op zaterdag 16 maart 1957 overleed Brancusi na een kort ziekbed en hij werd op 19 maart begraven op het kerkhof Montparnasse.
Het atelier van Brancusi werd gerecronstrueerd in het Musée d'Art Moderne te Parijs, dat toen gevestigd was in het Palais de Tokyo aan de Avenue du Président Wilson. Later werd het atelier overgebracht naar een apart gebouw bij het Centre Georges Pompidou. In 2001 schonken Alexandre Istrati en Natalie Dumitresco een aantal tekeningen en archiefmateriaal aan het Musée d'Art Moderne. Van 25 juni t/m 15 september 2003 werd in het Centre Georges Pompidou de tentoonstelling La Dation Brancusi dessins et archives gehouden.