Max Alexandre werd op 12 juli 1876 geboren in Quimper, een plaats in Zuid Bretagne. Zijn joodse ouders hadden een kleermakerij voor mannen en een antiekwinkel. Hij volgde vanaf 1887 het gymnasium te Quimper en hij ging in 1888 de achternaam van zijn moeder gebruiken en noemde zich voortaan Max Jacob. Van 1895 tot 1897 bezocht Max de École coloniale te Parijs om zich voor te bereiden op een artistieke carrière. In 1898 werkte Max als kunstcriticus voor het blad Moniteur des Arts onder de naam Léon David.
In 1901 ontmoette Max Jacob voor het eerst Pablo Picasso, die voor de tweede keer een bezoek aan Parijs bracht. Picasso had zijn eerste expositie in Parijs bij Ambroise Vollard. Max Jacob was onder de indruk en liet een bericht voor Picasso achter. Spoedig werd hij door Picasso uitgenodigd. Ondanks de taalproblemen, Jacob sprak alleen Frans en Picasso alleen Spaans, voelden zij sympatie voor elkaar. Op 19 oktober 1902 kwam Picasso vanuit Barcelona in gezelschap van de schilder Josep Rocarol opnieuw naar Parijs en huurden zij een kamer in Montparnasse. Nadat het geld op was zwierf Picasso van hotel naar hotel. Max Jacob zocht hem op in het Hôtel du Maroc. Jacob werd verkoper bij het warenhuis van zijn oom Gimpel en met het eerste geld huurde hij een kamer op Boulevard Voltaire 137. De weinige eigendommen van Picasso werden er ook naar toegebracht. Het bed werd gedeeld, 's nachts werkte Picasso en sliep Jacob en overdag werkte Jacob en sliep Picasso in het bed. Het baantje was geen succes en na ontslag verhuisden zij naar Boulevard Barbes 35. Dankzij de verkoop van een schilderij in januari 1903 had Picasso geld om terug te keren naar Barcelona.
Picasso schreef Jacob vanuit Barcelona en op 12 april 1904 kwam Picasso definitief naar Parijs en betrok hij een atelier in het ateliergebouw Le Bateau-Lavoir. Spoedig zou Max Jacob samen met André Salmon, die Jacob in 1903 ontmoette, en Guillaume Apollinaire, die Jacob in 1904 ontmoette, deel uitmaken van La Bande à Picasso. Dankzij Max Jacob, die twintig francs van de conciërge leende, had Picasso in de zomer van 1905 geld om de reis naar Nederland te maken. Max Jacob was samen met André Salmon en Fernande Olivier er getuigen van dat Apollinaire Ambroise Vollard meebracht naar Picasso's atelier en dertig schilderijen voor 2000 francs aan Vollard werden verkocht.
In 1907 vestigde Max Jacob zich op de Rue Ravignan 7, vlakbij het ateliercomplex Le Bateau Lavoir dat op nummer 13 was. Max Jacob bekeerde zich in 1909 tot het katholieke geloof. In 1911 huurde Jacob een ruimte in Le Bateau Lavoir. Via Daniel-Henri Kahnweiler werd van Jacob Saint-Matorel, dat geïllustreerd was door Picasso, uitgegeven. In 1912 publiceerde Kahnweiler van Jacob het boek Oeuvre burlesques et mystiques du frère Matorel. Dit werk was geïllustreerd door André Derain.
De zomer van 1913 bracht Max Jacob door in de Zuidfranse plaats Céret. Hier waren ook Picasso, Georges Braque en Juan Gris enige tijd. In 1914 vestigde Max Jacob zich in de Rue Gabrielle 17 en was hij na de mobilisatie van zijn vrienden het centrale contactpunt. Op nevenstaande foto zien we Max (2de van rechts) staan tussen Marie Vassilieff en Picasso. Op 18 februari 1915 werd Max Jacob katholiek gedoopt in het Couvent de Sion in de Rue Notre-Dame des Champs te Parijs. Picasso was bij de doop Max Jacobs peter.
In 1916 maakte Amedeo Modigliani de nevenstaande schilderijen van Max Jacob. Het linkse schilderij, dat door Ángel Zárraga voor zijn vriend Henri-Pierre Roché gekocht werd, is nu te zien in het Cincinnati Art Museum (Ohio) en het rechtse behoort tot de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen te Düsseldorf. In 1921 trok Max Jacob zich terug in een klooster te Saint-Benoît-sur-Loire, waar hij nog diverse werken schreef. In 1927 keerde Max Jacob naar Parijs terug, waar hij ging wonen in een hotel in de Rue Nollet, maar ging in 1936 opnieuw naar Saint-Benoît-sur-Loire. Om in zijn onderhoud te voorzien maakte hij gouaches en tekeningen, die hij verkocht. Nadat Max jarenlang Picasso niet meer had gesproken kwamen Picasso en Dora Maar op 1 januari 1937 bij Max op bezoek. In 1938 verhuisde Max definitief naar Parijs, waar in restaurant Le Bossu op het Ile St.-Louis een feestje was om dit te vieren. Alleen Dora kwam. Andere aanwezigen waren o.a. de schrijfster Gloria Alcorta en Sonia Mossé.
In april 1942 bezocht Max Jacob voor het laatst zijn geboorteplaats Quimper in verband met de begrafenis van zijn zus Delphine. Zijn broer Gaston, werd in 1943 naar Auschwitz gedeporteerd en zijn zus Mirthé-Léa en haar man in januari 1944. Max Jacob werd op 24 februari 1944 gearresteerd en gevangengezet in Orléans. Op 28 februari werd Max overgebracht naar het interneringskamp te Drancy, waar hij op 5 maart overleed aan een longontsteking. Hij werd in Ivry begraven, maar na de oorlog op 5 maart 1949 herbegraven in Saint-Benoît-sur-Loire.
De verzamelaar André Lefèvre kocht zowel tekeningen als manuscripten van Max Jacob. Later schonk Lefèvre deze werken aan het museum in Jacobs geboorteplaats Quimper.
Zie de uitvoerige website van de Association les Amis de max Jacob.