Alphonse Kann was in 1870 te Wenen geboren uit Britse ouders. Rond 1880 verhuisde het gezin Kann naar Parijs, waar Alphonse het Lycée Condorcet bezocht. Hij werd in de familietraditie opgeleid tot bankier en begon voor de Eerste Wereldoorlog met het verzamelen van kunst. In zijn verzameling waren oude meesters, antiek, toegepaste kunst en werken van het impressionisme. Vanuit zijn huis handelde Kann in kunst en behoorde door zijn rijkdom tot de top van de internationale 'high society'. In 1925 sprak Juan Gris zijn vreugde uit aan zijn kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler, dat Kann kunstwerken van hem had gekocht. In de periode augustus 1925 - maart 1926 kocht Kann volgens Douglas Cooper vier schilderijen. In januari 1927 werd een groot deel van zijn verzamelde toegepaste kunst verkocht tijdens een veiling in de American Art Association te New York.
Volgens de website Picasso on line kocht Kann in 1912 bij Kahnweiler het nevenstaande (rechts) schilderij Verre, cafetière, tasse, pipe van Picasso uit 1912 en het nevenstaande (links) schilderij Pigeon dans son nid et oeufs van Picasso uit 1912. Het eerste werk kwam daarna in particuliere handen.
In 1937 bezat Kann de volgende werken van Juan Gris, daar zijn naam bij de werken in de catalogus van de tentoonstelling Maîtres de l'art indépendant als eigenaar werd vermeld.
| kunstwerk | titel | jaar | kunstenaar | nu te zien in |
![]() | Het blauwe kleed | 1925 | Juan Gris | Musée national d'Art Moderne, Parijs |
![]() | Personnage à la grappe | 1919 | Juan Gris | Musée national d'Art Moderne, Parijs |
Kann woonde in Saint-Germain-en-Laye, een voorstad van Parijs. Daar bezat hij het nevenstaande schilderij Bouteille, pipe et cartes á jouer van Juan Gris, dat hij gekocht had bij Galerie L'Effort Moderne. Het schilderij was daar in april 1919 tentoongesteld. Na diverse eigenaren, o.a. Max Pellequer, werd het schilderij op 6 mei 2004 geveild bij Sotheby's te New York. De prijs werd geschat op ongeveer $ 500.000. Ook het schilderij Violon, partition et journal van Picasso uit 1912 met daarin zand verwerkt kocht Kann bij Léonce Rosenberg.
Op aanraden van Kann opende Pierre Loeb (1897-1964) de Galerie Pierre in 1924 in de Rue Bonaparte 13 te Parijs. In 1927 verhuisde Galerie Pierre naar de hoek van de Rue Bonaparte en Rue de Seine. Pierre Loeb sloot o.a. een contract met de schilder Raoul Dufy in 1927.
In het voorjaar van 1940 vluchtte Kann naar Londen, maar zijn meer dan duizend kunstvoorwerpen bleven achter in de Rue des Bûcherons 7, Saint-Germain-en-Laye te Frankrijk. In juni 1940 werd Kanns bezit door de Duitse bezetter, de ERR (=Einsatztab Reichsleiters Rosenberg), in beslag genomen. De ERR was een speciale militaire groep onder leiding van Alfred Rosenberg, die in bezet Frankrijk 'gedenegreerde kunst' of kunst bij joodse eigenaren in beslag moest nemen. Een meevaller achteraf was, dat de grote collecties in het algemeen redelijk werden gecatalogiseerd. In 1941 en 1942 catalogiseerde het nazipartijlid en kunsthistoricus Bruno Lohse de verzameling van Kann in de Jeu de Paume, een gebouw in de Jardin des Tuilleries bij het Louvre. Elk voorwerp kreeg een etiket met nummer en een kaart. In totaal werden 1202 kaarten ingevuld. Behalve meer dan 20 werken van Pablo Picasso, waaronder een Harlekijn uit 1915, waren er ook werken van Georges Braque, Raoul Dufy, Klee, Fernand Léger, Henri Matisse, Masson en Cézanne. Volgens het boek van Rose Valland Le Front de l'art werden 188 schilderijen uit de collectie Kann in de aparte afdeling opgenomen, die gereserveerd was voor l'art dégénéré. Zestien schilderijen werden gereserveerd voor uitwisseling.
Onder de in beslag genomen werken waren o.a. de volgende kubistische werken:
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | opmerking |
![]() | Landschap | Albert Gleizes | 1911 | Dit werk kreeg in Jeu de Paume kaartnr: Ka 1149 |
![]() | Rook boven de daken | Fernand Léger | 1912 | |
![]() | Viool: 'Jolie Eva' | Pablo Picasso | 1912 | Dit werk, nu in de Staatsgalerie Stuttgart , kreeg in Jeu de Paume kaartnr: Unb. 39 |
| Viool en muziekpapier | Pablo Picasso | 1913 | ||
![]() | De gitaarspeler | George Braque | 1914 | Dit werk kreeg in Jeu de Paume kaartnr: Ka 1062 |
![]() | Harlekijn | Pablo Picasso | 1915 | Dit werk kreeg in Jeu de Paume kaartnr: Ka 1063 |
| Nature morte au papier Job | Pablo Picasso | 1916 | |
| Nature morte devant une fenêtre à Saint-Raphaël (Le balcon) | Pablo Picasso | 1919 | Dit werk, nu in Museum Berggruen, kreeg in Jeu de Paume kaartnr: Ka 1118 |
Een deel van het in beslag genomen bezit, o.a. 29 schilderijen, werd op 5 t/m 7 november 1942 verkocht op een driedaagse veiling in Hôtel Drouot te Parijs. Picasso kocht tijdens de oorlog bij de Parijse kunsthandelaar Martin Fabiani een op deze veiling verkocht kubistisch stilleven Cafétière, pipe et tasses van hem dat Picasso aan zijn vriendin Dora Maar gaf. Het schilderij kwam na de dood van Dora Maar te voorschijn uit haar kluis bij de BNP. Volgens Léonce Rosenberg kocht Louise Leiris het schilderij Fumées sur les toits van Léger op de veiling. Het schilderij De gitaarspeler van Braque werd samen met werken van Matisse, Léger (Femme en rouge et vert uit 1914 uit het bezit van Paul Rosenberg), Picasso en de Chirico door de voorloper van het Georges Pompidou Center te Parijs geruild voor het werk Adoration des Mages van een Duitse schilder. Andere werken verdwenen naar Duitsland en via Duitse diplomaten naar Zwitserland, waar het onder de Zwitserse wet makkelijk kon worden verkocht. De Zwitserse industrieel Emil Bührle kocht bv. dertien schilderijen uit het bezit van Kann en Paul Rosenberg.
Een deel van Kanns kunstverzameling stond klaar voor vervoer per trein naar Nikolsburg (Duitsland) op 1 augustus 1944, maar door de snelle opmars van de geallieerde legers na de landing in Normandië in juni 1944 en de vertragende tactiek van het Franse spoorwegpersoneel bleef de trein in Parijs.
Aan het eind van de oorlog kregen de geallieerden de gegevens van de ERR in handen. Ze werden later ondergebracht in de National Archives and Records Administration te College Park (Maryland, VS). In München werd een centraal bureau gevestigd om alle 'geroofde' kunst op de juiste plaats terug te brengen. Op 23 mei 1946 werd onder leiding van Hubert de Brye 594 werken, waaronder bezittingen van Kann, teruggebracht naar Parijs. In juli 1946 en op 11 juli 1947 kreeg Kann via het Ministerie van Buitenlandse Zaken een deel van zijn bezit terug. Daarna begon zijn strijd om de rest terug te krijgen.
Na de dood van Alphonse Kann in 1948 nam zijn neef Francis Warin, die een televisie producent was, namens elf erfgenamen het op zich om ook andere werken van Kanns verdwenen bezit terug te krijgen. Warin ontdekte zelfs werken in Japan, Kopenhagen en de Verenigde Staten. In 1997 werd de Kann Association opgericht om de geschiedenis van Alphonse Kanns verzameling vast te leggen en de gestolen kunstwerken te achterhalen.
![]() | Het nevenstaande schilderij Gitaarspeler van Georges Braque uit 1914 werd op 30 november 1998 geclaimd door Francis Warin bij het Musée national d'art moderne Georges Pompidou. Het museum had het schilderij in 1981 voor 9 miljoen FF gekocht van de kunsthandelaar Heinz Bergguen. Op 30 januari 1998 stond in de Berliner Zeitung het artikel Der 'Mann mit Gitarre' und sein dunkler Weg van Johannes Wetzel. Wetzel gaf een beschrijving van de Duitse kunstroof in Frankrijk aan de hand van het nevenstaande schilderij. Aanleiding voor Wetzel was het artikel in Le Monde in verband met de claim op het schilderij. |
![]() | In 1953 werd via de kunsthandelaar T.P. Grange uit Londen het nevenstaande schilderij La Roche-Guyon uit 1909 van Georges Braque aangeboden voor 3000 Engelse ponden (ongeveer 15.000 euro) aan het van Abbemuseum te Eindhoven. In een zeer uitvoerige brief van 1 augustus 1953 aan het College van B&W verdedigde De Wilde het aankoopvoorstel. Het schilderij mocht gekocht worden. |
![]() | Het hiernaast afgebeelde schilderij Landschap te Meudon van Albert Gleizes uit 1911 werd begin juli 1997 teruggegeven aan de erven van Alphonse Kann. Het schilderij was één van de 38 werken, die van 9 t/m 21 april 1997 waren tentoongesteld in het Centre Georges Pompidou en behoorde tot de werken, die na de oorlog 'bewaard' werden door de Musées Nationaux Récupération (MNR) en tentoongesteld was in het Musée national d'art moderne te Parijs. Het was het eerste werk, dat vast en zeker door het boek The Lost Museum van Hector Feliciano bij de rechtmatige eigenaar terugkwam. De erven verkochten het schilderij op 9 november 1999 tijdens een veiling bij Christie's in New York. Op 23 juni 2010 werd bij Christie's in Londen het schilderij door de nieuwe eigenaar verkocht voor 1.833.250 ($ 2.720.543) inclusief veilingkosten en ruim boven de verwachte maximumwaarde van £ 900.000. Het schilderij had gehangen op de Parijse Salon des Indépendants in 1911 onder de titel Paysage près de Paris. Daarna was het te zien op de Brusselse Salon des Indépendants met de titel Le Chemin en op de Parijse Section d'or in 1912 met de titel Meudon. |
![]() | In 1999 schreef Francis Warin een brief aan Glenn D. Lowry, de directeur van het Museum of Modern Art te New York, dat het schilderij Stilleven: Job van Picasso uit 1916 volgens hem behoorde tot de nalatenschap van Alphonse Kann, die door de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog was geroofd. Na onderzoek bleven nog vele vragen over, daar Warin uitsluitend foto's met daarop het schilderij eind jaren twintig had. Alphonse Kann had helaas geen gedetailleerd overzicht van zijn collectie bijgehouden, waardoor Warin was aangewezen op de beschikbare Duitse en Franse gegevens. Het museum had het werk in 1979 gekregen van Nelson A. Rockefeller, die het in 1950 gekocht had bij de Carstairs Gallery te New York. Bekend was ook, dat het werk tot de verzameling van Rolf de Maré had behoord, maar helaas niet in welke periode. Lowry had helaas geen toegang gekregen tot het archief van Rolf de Maré in het Dans Museet te Stockholm. In april 2000 werd bekend gemaakt dat men verder onderzoek zou doen en het werk bleef voorlopig in het museum. |
![]() | Op 4 februari 2008 werd bij Cristy's te Londen het nevenstaande schilderij Viool en krant van Juan Gris uit november 1917 geveild. Voor £ 3.940.500 (ongeveer 4,5 miljoen euro) ging het schilderij in andere handen over. Volgens de bezitterslijst behoorde het schilderij tot de collectie van Alphonse Kann. Kann had het gekocht bij Galerie L'Effort Moderne van Léonce Rosenberg. Via Galerie Bing te Parijs kwam het werk in 1965 bij de Amerikaan James Johnson Sweeney, die o.a. curator was van het Museum of Modern Art en directeur bij het Solomon R. Guggenheim Museum. Op 8 november 1994 werd het schilderij door de erfgenamen bij Sotheby's te New York verkocht voor $ 1,3 miljoen aan Marilynn Alsdorf te Chicago. |
![]() | Eind oktober 2008 maakte het Minneapolis Institure of Arts bekend, dat het nevenstaande schilderij Fumées sur les toits van Fernand Léger uit 1911, dat sinds 1961 behoorde tot de collectie van het museum, zou worden teruggegeven aan de erfgenamen van Kann, die verenigd zijn in de Association en mémoire d'Alphonse Kann. In 1997 had de Association bij het museum een claim op het werk gelegd. Het museum had het werk geërfd van de verzamelaar Putman Dana McMillan, die het in 1951 gekocht had bij de Buchholz Gallery in New York. De galerie onder leiding van Curt Valentin had het werk verkregen via Galerie Leiris, die het werk op de hierbovengenoemde veiling in 1942 had gekocht. Het schilderij werd geschat op een waarde van $ 2,8 miljoen. |
Op 18 oktober 2010 startte de organisatie Claims Conference een website waarop men de geroofde kunstwerken, die via het Parijse gebouw Jeu de Paume al of niet naar Duitsland waren verzonden, kan opzoeken. Op deze website staan 19 werken van Picasso. Van nummer Ka 1130, een compositie met vergeelde krantenuitknipsels met de afmetingen 50 cm bij 45 cm en ingelijst onder glas, wordt de vernietiging vermeld. Bij enkele kaarten staat ook een afbeelding van het kunstwerk. Van Braque worden 16 werken, van Gleizes 1 werk, van Léger 8 werken en van Marcoussis 1 werk vermeld. In totaal worden 1213 kaarten gekoppeld aan Kann.