Douglas Cooper (1911-1984)

Douglas Cooper

De Engelsman Arthur William Douglas Cooper werd op 20 februari 1911 te Londen geboren in een welvarende familie, die in Australië in de onroerendgoedsector fortuin had gemaakt. Cooper studeerde aan de middelbare school Repton en vanaf 1929 aan de Universiteit van Cambridge. Na een jaar verliet hij Cambridge wegens het ontbreken van de richting kunstgeschiedenis. Hij studeerde daarna aan de Sorbonne in Parijs en aan de universiteit van Marburg-in-Hessen (Duitsland). Door zijn verblijf in Frankrijk en Duitsland sprak Cooper vloeiend Frans en Duits. Via zijn oom Gerald Cooper ontmoette Douglas de verzamelaar Samuel Courtauld en bezocht hij in 1921 een voorstelling van de Ballets Russes van Serge Diaghilev. Cooper publiceerde in de jaren dertig onder het pseudoniem Douglas Lord en woonde enige tijd in een huis op Groom Place 8 te Londen waar de schilder Francis Bacon de inrichting voor had ontworpen.

In 1932 erfde Cooper van zijn grootmoeder een groot kapitaal, waarvan hij éénderde deel, ongeveer £ 100.000, besloot te besteden aan het opbouwen van een kubistische kunstverzameling van de vier belangrijkste vertegenwoordigers, Pablo Picasso, Georges Braque, Juan Gris en Fernand Léger. In mei 1933 bezocht Cooper voor het eerst het atelier van Léger in de Rue Notre Dame-des-Champs 86 te Parijs. Een probleem was de opgelopen prijs van de kubistische werken door de vraag uit Amerika.

Douglas Cooper, Reber en Ingeborg Eichmann, 1937 Douglas Cooper en Flechtheim, 1937

Een voordeel was dat Cooper enige jaren samen met Fred Hoyland Mayor en J.F. Duthie eigenaar was van de The Mayor Gallery LTD in de Corkstreet 18 te Londen, waardoor Cooper contact had met de kubisten Braque, Picasso en Léger, enkele belangrijke verzamelaars zoals G.F. Reber en kunsthandelaren zoals Daniel-Henry Kahnweiler, Alfred Flechtheim en Pierre Loeb. Cooper organiseerde in april 1936 een expositie van werken uit de Galerie de l'Effort Moderne van Léonce Rosenberg. In de volgende jaren kocht Cooper van Rosenberg acht werken van Léger.

In de zomer van 1938 maakte Cooper met zijn vriend Sholto MacKenzie, roepnaam Basil en later Lord Amulree, een toer door Frankrijk. Op de terugweg van Zuid-Frankrijk viel Cooper, die de auto bestuurde, in slaap en reed op de RN7 tegen een boom. De andere inzittenden hadden geen letsel, maar Cooper werd naar het ziekenhuis in Moulins gebracht. Hij was net op tijd weer bij kennis om te voorkomen, dat een oog werd verwijderd. Hij werd overgebracht naar Dr. Voigt in Zürich, die wel zijn oog maar niet het licht in Coopers oog kon redden. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezat Cooper 137 kubistische werken. Dit was mede mogelijk geweest door de geringe vraag en de lage prijzen.

Door zijn verwonding werd hij bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet gemobiliseerd. Hij vertrok naar Parijs en daar reed hij enige tijd op een Franse ambulance van Comte Etienne de Beaumont. Een geslaagde rit met gewonde Engelsen naar Bordeaux en met een Britse torpedobootjager naar Plymouth zorgde in Engeland nog voor een probleem. Cooper, die geen papieren had en een oud Frans uniform droeg, werd aangezien voor een spion en vastgezet. Pas na enkele dagen zorgde een vriend voor zijn vrijlating. Via Basil MacKenzies vader kwam Cooper bij de British Army Intelligence. Wegens zijn kennis van het Duits werd hij uiteindelijk ondervrager. Hij werd o.a. ingezet om krijgsgevangenen in Cairo te ondervragen. Via werk op Malta kwam Cooper terecht bij de afdeling Monuments and Fine Arts van de Control Commission for Germany, die zou proberen de kunstschatten in Europa veilig te stellen. Zijn kennis van de kunstwereld kwam hem hierbij goed van pas. De schrijver Hector Feliciano zou voor zijn boek The Lost Museum dankbaar gebruik maken van Coopers aantekeningen van zijn zoektocht naar werken, geld en foute kunsthandelaren. Dankzij de z.g. Schenker Papers was Cooper en zijn collega's instaat de verdwenen kunst uit Frankrijk richting Duitsland te achterhalen. Cooper deed ook veel onderzoek in Zwitserland.

John Richardson, 1949

In 1947 kwam Cooper terug naar Londen, waar hij introk bij Basil MacKenzie op Edgerton Terrace 8 te Londen en de wanden volhing met werken uit zijn kunstcollectie. Cooper schreef artikelen voor o.a. Times Literary Supplement en het Burlington Magazine en bracht maandelijks een bezoek aan Parijs. In de lente van 1949 ontmoette Cooper op een party van John Lehmann de kunstcriticus John Richardson, die op 6 februari 1924 was geboren. Samen maakten zij reizen langs tentoonstellingen, musea en verzamelaars. Eind juni 1949 gingen Cooper en Richardson tot half oktober een reis maken door Europa.


Douglas Cooper en Picasso, 1961 Cannes Braque, Cooper en Richardson, 1955 Cooper en Léger, 1949

Zij bezochten Léger en Picasso in zijn atelier in de Rue des Grands Augustin. In Parijs voegde Basil MacKenzie zich bij het gezelschap, dat vertrok naar Aix-en-Provence en daarna naar het eiland Porquerolles voor twee weken strand. Hierna volgen een rit langs exposities in Italië en Zwitserland. In 1950 werd opnieuw een grote reis door Midden-Europa gemaakt. Vanuit Torino gingen zij naar Vallauris om Picasso te bezoeken. Op de terugweg naar Engeland verbleven zij in de omgeving van Avignon, waar Basil MacKenzie zich aansloot. Tijdens een rit in de omgeving zagen zij het Château de Castille te koop staan. Cooper was weg van het gebouw en kocht het landhuis uiteindelijk. Samen met Richardson restaureerde Cooper het huis en zij zouden tot eind december 1960 samenleven in het Château des Cubistes. Het huis werd een pleisterplaats voor kunstenaars en kunstliefhebbers. Picasso kwam vaak op bezoek, maar daar kwam in 1970 een eind aan door Coopers mening over het erkennen van Picasso's kinderen.

Overval op Cooper, 25 oktober 1961 Douglas en Billy Cooper

Op 25 oktober 1961 werd Cooper in Nîmes neergestoken, daar hij weigerde zijn geld af te geven bij een overval op straat. Zwaargewond werd hij opgenomen in het ziekenhuis, maar herstelde. Een ander misdrijf, n.l. een diefstal van 27 kunstwerken uit het Château in 1974, zorgde ervoor dat Cooper in 1977 verhuisde naar Monte Carlo. Hij betrok daar een drietal kleine appartementen, die beter beveiligd konden worden. Een deel van zijn collectie moest Cooper wegens ruimtegebrek verkopen. De in 1936 geboren architect en ontwerper William A. McCarty, roepnaam Billy, was daar zijn geliefde, die hij in 1972 adopteerde opdat Billy zijn collectie kon erven. In 1983 werd Cooper enkele keren opgenomen in het ziekenhuis van Nîmes. Hij schonk in zijn laatste levensjaar aan het Prado te Madrid het hieronder staande schilderij Portret van Josette van Juan Gris uit 1916. Cooper overleed op 1 april 1984 en liet Billy McCarty-Cooper $ 40 miljoen na.

Portret van Josette Guitare sur une table Oriole Lane

Billy Cooper schonk enkele werken aan het Kunstmuseum Basel en verhuisde in 1986 naar een villa aan de Oriole Lane in Los Angeles. Ook Richardson kreeg een aantal werken. Billy Cooper, geholpen door Dorothy Kosinski, organiseerde met Coopers collectie museumexposities in Londen, Bazel en Dallas totdat hij op 31 mei 1991 overleed aan aids. Op 25 januari 1992 werd tijdens de veiling Important Furniture, Silver, Books and Decorative Arts from the Collection of William McCarty-Cooper bij Christie's in New York slechts één kubistisch schilderij, n.l. het nevenstaande schilderij Guitare sur une table van Juan Gris uit 1916 aangeboden. Dit schilderij was door Cooper in 1980 verkocht, maar in 1986 weer door McCarty gekocht. De veiling, hoofdzakelijk boeken en meubelen, bracht ongeveer 30 miljoen dollars op voor diverse aids bestrijdende instellingen. Op 11 mei 1992 werd bij Christie's in New York een aantal kubistische tekeningen uit de erfenis geveild. De opbrengst van 86 werken was $ 1,5 miljoen inclusief veilingkosten. Op 19 mei 1992 volgde nog een veiling van 180 voorwerpen van Tribal art, die McCarty in ongeveer tien jaar had verzameld.

Cooper door Levine; afm.: 35 x 28 cm

Op 25 april 1985 verscheen bij het door John Richardson geschreven artikel Remembering Douglas Cooper in The New York Review of Books de nevenstaande caricatuur van Cooper gemaakt door David Levine (1926-2009). De tekening was door Cooper gekocht van Levine en nagelaten aan zijn erfgenaam William A. McCarty Cooper. Op 11 mei 1992 werd de tekening uit 1985 bij het veilinghuis Christie's in New York geveild. De nieuwe eigenaar betaalde $ 1.430 inclusief veilingkosten.

Zie voor de verzameling de webpagina's:

Bronnen en verdere informatie

  • Catalogus Douglas Cooper and the Masters of Cubism, ISBN: 3-7204-0052-2.
  • John Richardson: The Sorcerer's Apprentice: Picasso, Provence, and Douglas Cooper, Chicago 1999, ISBN: 0-226-71245-1.
  • Het artikel Billy; An Epicurean Life Late 20th Century op de website van The New York Social Diary.
  • Het artikel Anatomy of the Collector op de website van The New York Social Diary.
  • Carol Vogel: Cubist Collection Brings $21.5 Million at Auction in The New York Times van 12 mei 1992.
Laatste wijziging: 310113