Alexandre Mercereau, die aan het begin van zijn loopbaan schreef onder het pseudoniem Esmer Valdor, was één van de schrijvers en dichters, die het kubisme bij het grote publiek over het voetlicht bracht.
In 1904 werd Mercereau door zijn vriend Jean Valmy-Baysse (1874-?) uitgenodigd om mee te gaan werken aan een nieuwe krant La Vie. Andere medewerkers waren Charles Vildrac (1882-1971), de dichter René Arcos (1880-1959), die werkte als textielontwerper, Albert Gleizes en de medische student Georges Duhamel (1884-1966). De groep speelde met de gedachte een kunstenaarsgemeenschap op te richten, maar het geld ontbrak daarvoor. Door financiële problemen kwam spoedig een einde aan La Vie en Gleizes, Mercereau en Arcos stichtten de Association Ernest Renan, die de arbeiders door kunst moest ontwikkelen. In 1906 ging Mercereau met Nicholas Riabouchinsky naar Rusland om als correspondent van de krant La Guerre Sociale van Gustave Hervé te werken. In Moskou werd hij gevraagd mee te werken aan het symbolistische tijdschrift Zolotoe Runo (= Het Gulden Vlies) en La Balance.
Als vervolg op de Association Ernest Renan stichtten in de herfst van 1906 Arcos, Henri-Martin Barzun (1881-1972), Duhamel, Gleizes, Vildrac en de in Rusland verblijvende Mercereau de Abbaye de Créteil, een utopische gemeenschap in Créteil, een plaats zuid-oostelijk onder Parijs. De groep huurde twee gebouwencomplexen van de industrieel Barriquand, die al acht jaar leeg stonden. Barzun zorgde voor een drukpers, waarmee de andere leden van de groep van plan was de kosten van de groep te betalen. Een oude dienstmaat van Gleizes en Arcos uit 1901, de drukker Lucien Linard, werd gevraagd voor de leiding van de drukkerij en instructie van de leden. Ieder lid van de gemeenschap moest ongeveer vier à vijf uur werken in de drukkerij. Daarnaast moest men de gebouwen voor bewoning opknappen. Bezoekers waren o.a. Roger Allard, Jules Romains en Pierre-Jean Jouve.
In 1907 keerde Mercereau samen met zijn Russische vrouw terug naar Frankrijk, waar hij zich aansloot bij de groep L'Abbaye de Créteil, die op dat moment bestond uit Gleizes, Arcos, Vildrac en de musicus Albert Doyen. Duhamel, wiens zus Rose getrouwd was met Vildrac, en Barzun waren zeer regelmatige bezoekers. Tijdens de zomer organiseerden Gleizes en Mercereau open dagen waar gedichten werden gelezen, muziek werd gemaakt en exposities te zien waren van o.a. Gleizes, Charles Berthold-Mahn (1881-1975), Jacques D'Otemar, Henri Doucet en de Italiaan Umberto Brunelleschi. Deelnemers waren o.a. de latere theoreticus van het futurisme Filippo Tomasso Marinetti (1876-1944) en de Romeense beeldhouwer Constantin Brancusi (1876-1957).
Tegenvallende inkomsten en meningsverschillen zorgden ervoor, dat in de herfst van 1907 Romains, Duhamel en het echtpaar Vildrac de gemeenschap verlieten. In januari 1908 moesten Arcos, Gleizes, Mercereau en Linard vertrekken, daar er geen geld meer was voor het verder huren van het huis. De drukpers werd verplaatst naar de Rue de Blainville te Parijs, waar tot het plotselinge vertrek van Linard nog drukwerk werd verricht.
Zie voor verdere informatie de Franstalige website www.duhamel-abbaye-de-creteil.com.
In 1908 tekende Gleizes het nevenstaande portret van Mercereau. Door zijn grote kennissenkring zorgde Mercereau in 1909 ervoor dat Gleizes de schilder Henri Le Fauconnier ontmoette, waar Gleizes op de Salon d'Automne onder de indruk van was geraakt. Ook de ontmoeting met Jean Metzinger werd door Mercereau geregeld.
In hetzelfde jaar en in 1912 was Mercereau de contactpersoon tussen een groep kunstenaars in Moskou en Parijs. Via zijn bemiddeling was een groot aantal werken, waaronder het nevenstaande schilderij Grand Nu van Braque, te zien op de Gulden Vlies expositie van 1909 te Moskou. Vooral de expositie in 1912 liet het publiek kennismaken met het kubisme. Alexandre Mercereau was correspondent van het Russische kunsttijdschrift La Toison d'Or uitgegeven in Moskou en koos de werken uit, die werden afgebeeld. De artikelen werden zowel in het Russisch als Frans gepubliceerd.
Alexandre Mercereau verzorgde het verzamelen van de kunstwerken voor een grote moderne kunst tentoonstelling in Boedapest in 1913 en in Praag in mei 1914. Oost Europa kon kennis maken met het kubisme door werken van o.a. Alexander Archipenko, Patrick Henry Bruce, Robert Delaunay, Marcel Duchamp, Raymond Duchamp-Villon, le Fauconnier, Gleizes, André Lhote, Louis Marcoussis, Metzinger, Piet Mondriaan, Diego Rivera en Jacques Villon. Het was een expositie die georganiseerd werd door Skupina vytvarnych umelcu, de groep van plastische kunstenaars, die in 1911 door Emil Filla en Arnost Procházka was opgericht.
Dankzij Mercereau kwam Albert Gleizes in kontakt met Jacques Povolozky. Gleizes kreeg in 1921 van Povolozky een expositie in zijn galerie en Povolozky publiceerde ook Gleizes boek Du Cubisme et les moyens de le comprendre.
Samen met Paul Fort werkte Mercereau aan het tijdschrift Vers et Prose. Mercereau leidde in de twintiger jaren L'Académie du Caméléon, die gevestigd was op Boulevard Raspail 241 te Parijs. Hier werden samenkomsten georganiseerd voor literatuur, muziek en andere kunstvormen. De academie werd ook Sorbonne montparnassienne genoemd en in 1927 opgeheven.