Alexandre Mercereau, die aan het begin van zijn loopbaan schreef onder het pseudoniem Esmer Valdor, was één van de schrijvers en dichters, die het kubisme bij het grote publiek over het voetlicht bracht. Mercereau maakte deel uit van de door Henri-Martin Barzun (1881-1972) gefinancierde en door Albert Gleizes in 1906 gestichte groep L'Abbaye de Créteil, een utopische commune in Créteil, een plaats zuid-oostelijk onder Parijs. Andere leden waren o.a. Charles Vildrac (1882-1971), Georges Duhamel (1884-1966), René Arcos, Charles Berthold-Mahn (1881-1975) en Jacques D'Otemar.
In 1904 werd Mercereau door zijn vriend Valmy-Baysse uitgenodigd om mee te gaan werken aan een nieuwe krant La Vie. In 1906 ging Mercereau naar Rusland om als correspondent van de krant La Guerre Sociale van Gustave Hervé te werken. In Moskou werd hij gevraagd mee te werken aan het symbolistische tijdschrift Zolotoe Runo (= Het Gulden Vlies).
In 1907 keerde hij samen met zijn Russische vrouw terug naar Frankrijk, waar hij zich aansloot bij de groep L'Abbaye de Créteil, die op dat moment bestond uit Gleizes, Arcos, Vildrac en de musicus Albert Doyen. Duhamel, wiens zus Rose getrouwd was met Vildrac, en Barzun waren zeer regelmatige bezoekers. Tijdens de zomer organiseerden Gleizes en Mercereau open dagen waar gedichten werden gelezen, muziek werd gemaakt en exposities te zien waren. Deelnemers waren o.a. de latere theoreticus van het futurisme F.T. Marinetti (1876-1944) en de Romeense beeldhouwer Constantin Brancusi (1876-1957). In januari 1908 moest iedereen vertrekken, daar er geen geld meer was voor het verder huren van het huis. De huisdrukkerij waar ieder een deel van de dag in moest werken bracht te weinig op.
Door zijn grote kennissenkring zorgde Mercereau in 1909 ervoor dat Gleizes de schilder Henri Le Fauconnier ontmoette, waar Gleizes op de Salon d'Automne onder de indruk van was geraakt. Ook de ontmoeting met Jean Metzinger werd door Mercereau geregeld. In hetzelfde jaar en in 1912 was Mercereau de contactpersoon tussen een groep kunstenaars in Moskou en Parijs. Via zijn bemiddeling was een groot aantal werken, waaronder het nevenstaande schilderij Grand Nu van Braque, te zien op de Gulden Vlies expositie van 1909 te Moskou. Vooral de expositie in 1912 liet het publiek kennismaken met het kubisme.
Alexandre Mercereau was correspondent van het Russische kunsttijdschrift La Toison d'Or uitgegeven in Moskou en koos de werken uit, die werden afgebeeld. De artikelen werden zowel in het Russisch als Frans gepubliceerd.
Alexandre Mercereau verzorgde het verzamelen van de kunstwerken voor een grote moderne kunst tentoonstelling in Boedapest in 1913 en in Praag in mei 1914. Oost Europa kon kennis maken met het kubisme door werken van o.a. Alexander Archipenko, Patrick Henry Bruce, Robert Delaunay, Marcel Duchamp, Raymond Duchamp-Villon, le Fauconnier, Gleizes, André Lhote, Louis Marcoussis, Metzinger, Piet Mondriaan, Diego Rivera en Jacques Villon. Het was een expositie die georganiseerd werd door Skupina vytvarnych umelcu, de groep van plastische kunstenaars, die in 1911 door Emil Filla en Arnost Procházka was opgericht.
Dankzij Mercereau kwam Albert Gleizes in kontakt met Jacques Povolozky. Gleizes kreeg in 1921 van Povolozky een expositie in zijn galerie en Povolozky publiceerde ook Gleizes boek Du Cubisme et les moyens de le comprendre.
Samen met Paul Fort werkte Mercereau aan het tijdschrift Vers et Prose. Mercereau leidde in de twintiger jaren L'Académie du Caméléon, die gevestigd was op Boulevard Raspail 241 te Parijs. Hier werden samenkomsten georganiseerd voor literatuur, muziek en andere kunstvormen. De academie werd ook Sorbonne montparnassienne genoemd en in 1927 opgeheven.