André Mare werd in 1885 geboren in de plaats Argentan, waar in 1881 ook Fernand Léger ter wereld kwam. André Mare ontmoette Léger op de Académie Julian. Hij bracht zijn militaire dienst samen met Léger door en deelde in 1904 een atelier met hem op Avenue du Maine 21 te Parijs. Hij werkte vooral in de toegepaste kunst, o.a. meubels, in de Art Déco stijl. In 1905 schilderde Mare zijn vrouw Charlotte. Het nevenstaande schilderij werd op 10 juni 2004 verkocht bij Camard & Associés te Parijs. Vanaf 1906 nam Mare deel aan de Salon des Indépendants en de Salon d'Automne. In zijn werk was de invloed te zien van het post-impressionisme, fauvisme en kubisme. Op de bijeenkomsten bij de gebroeders Duchamp in Puteau ontmoette Mare de 'salonkubisten'.
In 1911 werd hij als decorateur bekend door deelname aan de Salon d'Automne waar hij met de beeldhouwer Desvalličres, Raymond Duchamp-Villon, Roger de la Fresnaye, Marinot, Marie Laurencin en Georges Rouault een werkkamer en een eetkamer volledig had ontworpen en ingericht.
Voor de Salon d'Automne, die gehouden werd van 1 oktober t/m 8 november 1912, wilde Mare dit met dezelfde medewerkers herhalen. Hij haalde Raymond Duchamp-Villon over om mee te doen met La Maison Cubiste. Het huis bestond uit een door Raymond Duchamp-Villon ontworpen voorgevel van 10 bij 3 meter met daar achter drie door André Mare ingerichte kamers. Roger de La Fresnaye ontwierp het houtwerk, de schoorsteenmantel en kandelaars. Jacques Villon ontwierp het theemeubel. Andere medewerkers waren J.L. Gampert, M. Marinot, M. Th. Lanos en A. Versan.
Daarnaast hingen in het huis nog schilderijen van Marcel Duchamp, Albert Gleizes, Marie Laurencin, Fernand Léger (Le Passage ŕ niveau, 1912), Jean Metzinger (Vrouw met waaier, 1912), Roger de la Fresnaye, Paul Vera, Ribbemont-Dessaignes en stonden er beelden van Desvalličres en Raymond Duchamp-Villon. De getoonde opvatting werd door de Tsjechische architecten Josef Godár, Josef Chochol en Pavel Janák in Praag in praktijk gebracht.
In verband met de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog meldde Mare zich op 2 augustus 1914 bij zijn eenheid in Cherbourg in het bezit van zijn tekenspullen en een fototoestel. Tijdens zijn diensttijd stuurde hij herhaaldelijk zijn tekenwerk naar zijn vrouw Charlotte. Vanaf februari 1915 werkte hij op verzoek van zijn vriend Roger de la Fresnaye, die de leiding had, tot het einde van de oorlog mee aan het ontwerpen van camouflage. Hij werkte met theaterdecorateurs en schilders. Bij de schilders zaten bekenden uit de kubistische kring, n.l. Villon en Louis Marcoussis. (In 1998 werd de expositie André Mare, Cubisme et camouflage gehouden in Bernay, Parijs en Brussel, waarbij ook een catalogus verscheen.) In maart 1917 werd Mare gewond door een granaat bij een mosterdgasaanval. Hij werd door de schrijver en dichter Georges Duhamel, die na de mobilisatie zijn oude beroep van chirurg weer uitvoerde, geopereerd.
Na de Eerste Wereldoorlog startte André Mare met Louis Süe (1875-1968) in 1919 de onderneming La Compagnie des Arts Français gevestigd in de Rue du Faubourg Saint Honoré 116. Door de economische neergang verkochten zij in 1927 de zaak aan de Galeries Lafayette. In 1928 werd de ontwerper Jacques Adnet (1900-1984) de nieuwe directeur van La Compagnie des Arts Français. André Mare overleed in 1932 aan de gevolgen van de oorlogsverwonding en tuberculose.
Van 11 juni t/m 16 oktober 2005 werd in het Musée des Beaux-Arts et de la Dentelle te Alençon de expositie André Mare (1885-1932) - Aux sources du cubisme et de l'Art Déco gehouden.