Theo van Doesburg werd op 30 augustus 1883 geboren te Utrecht als Christian Emil Marie Küpper. Zijn moeder, Henriette Catharina Margadant (-1920), was op dat moment getrouwd met Wilhelm Küpper, maar deze verliet zijn vrouw in 1883. Theo's moeder verhuisde in 1884 met de kinderen naar Amsterdam waar zij denkelijk gign samenwonen met de eveneens uit Utrecht afkomstige Theodorus Doesburg. Zij trouwden in 1893 na de dood van Küpper in 1892. Misschien was de stiefvader wel de biologische vader en was Theo zich daarvan bewust gezien zijn aangenomen naam. Na een korte tijd op de School voor Vocale en Dramatische Kunst van Cateau Esser in Amsterdam wilde hij tegen de wens van zijn ouders schilder worden. Hierdoor verliet hij op achtienjarige leeftijd het huis. Daar hij vanaf 3 mei 1902 een dagboek bijhield zijn vele gegevens over hem bekend. In een artikel uit 1928 Quelques notice biographiques sur le peintre et architecte Theo van Doesburg was zijn werk te verdelen in:
Van 12 maart 1903 tot 30 maart 1904 vervulde Theo van Doesburg zijn militaire dienst. Denkelijk ontmoette hij tijdens zijn verblijf in Apeldoorn zijn op 10 februari 1881 te Rotterdam geboren eerste echtgenote, de dichteres Agnita Henrica Feis (1881-1944). Van haar hand was de catalogusinleiding van Theo's tentoonstelling van 42 tekeningen en schetsen, die van 30 juli tot 10 augustus 1908 gehouden werd bij de Haagse Kunstkring. Op 4 mei 1910 trouwden Theo en Agnita en vestigen zich in Amsterdam.
Vanaf 20 juli 1912 verschenen in Eenheid artikelen van Theo onder de titel Proeve tot een nieuwe kunstkritiek. In 1914 nam van Doesburg met drie schilderijen deel aan de Salon des Indépendants te Parijs. Bij de mobilisatie in verband met de Eerste Wereldoorlog werd van Doesburg als postbode gelegerd in Alphen, Noord-Brabant. Denkelijk werd van Doesburg in december 1914 ingekwartierd bij de familie Milius te Tilburg. Behalve dat hij de kantoorbediende Helena Hermina Frederika Milius (roepnaam Lena) ontmoette leerde Van Doesburg ook zijn latere vriend Antony Kok (1881-1969) kennen. In de zomer van 1915 werd van Doesburg overgeplaatst naar Utrecht. In verband met een lezing zocht van Doesburg kontakt met Piet Mondriaan. Een geregelde briefwisseling was het gevolg. Van Doesburg gaf inderdaad op 30 oktober een lezing in Utrecht. In 1916 gaf hij nog een vijftal lezingen op diverse plaatsen in Nederland. Op 6 februari 1916 bracht van Doesburg in gezelschap van Lena een bezoek aan Mondriaan in Laren. Met Mondriaan ontmoette hij die dag ook de componist Jacob van Domselaar, Peter Alma en hun vrouwen. Uiteindelijk werd van Doesburg op 18 februari 1916 gedemobiliseerd en ging hij bij zijn moeder in Haarlem wonen.
In 1916 werkte van Doesburg mee aan de oprichting van de Vereniging van beeldende kunstenaars 'De Anderen' (24 maart) te Amsterdan en de Leidsche Kunstclub 'De Sphinx' (31 mei) te Leiden. Hier betrok van Doesburg in april 1917 een atelier. Op 11 mei 1917 werd de scheiding van Agnita Feis uitgesproken en kon van Doesburg op 30 mei 1917 trouwen met Lena Milius. Vanaf begin 1917 ontwierp van Doesburg een groot aantal glas-in-lood ramen en later ook tegelvloeren.
Uit het kontakt met Mondriaan ontstond in 1917 de oprichting van het tijdschrift De Stijl. Het eerste nummer verscheen in november. In de eerste jaargang werd Mondriaans boek De Nieuwe Beelding in de Schilderkunst in afleveringen geplaatst. Door het tijdschrift De Stijl werd het kontakt met buitenlandse kunstenaars intensiever, o.a. met Archipenko en zijn vriendin Tour Donas. De samenwerking met de Nederlandse leden ging echter steeds slechter.
In juli 1919 vertrok Mondriaan naar Parijs en in februari 1920 bezocht Theo van Doesburg Mondriaan. Van Doesburg maakte in Parijs kennis met de kunsthandelaar Léonce Rosenberg (6 maart) en de kunstenaars Fernand Léger, Thorwald Hellesen en Leopold Survage. Bovendien hernieuwde hij zijn kennismaking met Alexander Archipenko, Tour Donas, Gino Severini en Miachel Larionov. Van Doesburg werd benoemd tot vertegenwoordiger van de Section d'Or in Nederland met de opdracht om tentoonstellingen te organiseren. Zie hiervoor de webbladzijde: La Section d'Or in het buitenland.
In mei 1920 verscheen in De Stijl gedichten van I.K. Bonset. Onder dit pseudoniem schreef van Doesburg gedichten en artikelen met een dadaistische inslag. In mei 1921 kwam daarbij het pseudoniem Aldo Camini, die een Dada-anti-filosofie uitte in het artikel Caminoscopie. Van Doesburg had dit volgens hem als manuscript op 20 april 1921 in Milaan z.g. gevonden.
Tijdens de opening van de expositie La Section d'Or in Den Haag op 10 juli 1920 waar hij een lezing hield ontmoette van Doesburg de pianiste Nelly van Moorsel, die zijn derde echtgenote zou worden. In december 1920 bracht van Doesburg op uitnodiging van de Adolf Behne een bezoek aan Berlijn. In veertien dagen ontmoette hij belangrijke Duitse architecten en kunstenaars, o.a. Walter Gropius, Hans Richter, Feininger en bracht hij een bezoek aan Das Bauhaus in Weimar en aan Der Sturm van Herwarth Walden in Berlijn. Onder de indruk besloot van Doesburg zo spoedig mogelijk in Weimar te willen gaan werken. Op 17 maart 1921 vertrok van Doesburg met Nelly voor een reis door Europa. Zij bezochten o.a. Parijs (van 28 maart tot 9 april), waar zij o.a. Mondriaan, Rosenberg, Jean Crotti, Survage, Angiboult, Tzara en Donas spraken, Menton, waar op dat moment Georges en Tine Vantongerloo verbleven, Milaan en Weimar (van 29 april tot 26 november). In Weimar kwamen Lena Milius, Antony Kok en het echtpaar Oud op bezoek. Na een lezing op 1 december 1921 in Antwerpen, waarbij Nelly werk van Jacob van Domselaar speelde, ontmoette van Doesburg Seuphor. Op 5 december vertrok van Doesburg naar Leiden en Nelly naar Wenen voor een muzikale opleiding. Op 30 december keerde Nelly plotseling in Amsterdam terug en van Doesburg besloot om samen naar Weimar te gaan. Op 1 januari 1922 kwamen zij in Weimar aan.
In Weimar probeerde van Doesburg de ideeën van De Stijl uit te dragen. Van 8 maart tot 8 juli gaf hij elke woensdagavond een cursus. Zijn wens om docent te worden in Weimar kwam echter niet uit. In september 1921 werden z.g. Dada-avonden gehouden, waar Tzara, Arp en Nelly, die zich Pétro van Doesburg noemde, aan meewerkten. Op 4 december verlieten Theo van Doesburg en Nelly Weimar en vestigden zij zich in Den Haag. In januari 1923 werden op diverse plaatsen dadaïstische avonden door Theo en Nelly van Doesburg, Kurt Schwitters en Vilmos Huszar gehouden. Op 31 januari 1923 werd de scheiding tussen van Doesburg en Lena Milius uitgesproken. In april 1923 brachten Theo en Nelly van Doesburg nog een bezoek aan Weimar, maar door de geweldige inflatie en de benoeming van Moholy-Nagy op de plaats die van Doesburg zichzelf had bedacht besloten Theo en Nelly naar Parijs te gaan.
In april 1923 vestigden van Doesburg en Nelly zich in de Rue du Moulin Vert 51 te Parijs. Zij gingen zich o.a. bezighouden met de voorbereidingen van een tentoonstelling van de architecten van De Stijl in de Galerie L'Effort Moderne van Léonce Rosenberg. Hierbij kregen zij hulp van de architect Cornelis van Eesteren, die zij in 1921 in Weimar hadden leren kennen. De tentoonstelling werd van 15 oktober tot 15 november 1923 gehouden onder de naam Les Architectes du Groupe 'De Stijl'. Projets et maquettes par Theo van Doesburg, C. van Eesteren, Huszar, W. van Leusden, J-J.P. Oud, G. Rietveld, Mies van der Rohe, Wils.
Op 1 februari 1924 betrokken van Doesburg en Nelly een atelierwoning op Avenue Schneider 64 te Clamart. Eind 1924 begon van Doesburg aan zijn elementaristische komposities, de op Mondriaans werken lijkende kleurenvlakken, die 45 graden gedraaid waren en contra-koposities werden genoemd. Er volgde een verwijdering tussen van Doesburg en Mondriaan. Van 12 januari tot 14 maart 1925 verbleven Theo en Nelly van Doesburg in Duitsland. Theo gaf een aantal lezingen en Nelly trad met Kurt Schwitters op. In 1926, van 12 juni tot 18 augustus, maakten Theo en Nelly een reis door Italië.
Door Hans Arp en zijn vrouw Sophie Taeuber werd van Doesburg in september 1926 betrokken bij de verbouwing van het amusementscomplex Aubette aan de Place Kleber te Straatsburg. Theo van Doesburg vestigde zich in verband met de verbouwing tijdelijk vanaf het voorjaar van 1927 in Straatsburg, terwijl Nelly in Parijs bleef. Na vele problemen ging het complex op 17 februari 1928 open. Een meningsverschil over de betalingen zorgde ervoor dat een gepland dubbelhuis voor de familie Arp en van Doesburg niet door ging. Financieel stond van Doesburg er slecht voor en hij raakte zijn atelier in Clamart kwijt. In juni 1928 betrok van Doesburg een nieuw atelier in Villa Corot in de Rue d'Arcueil te Parijs.
Op 24 november 1928 trouwde Theo van Doesburg met Nelly van Moorsel. In mei 1929 werd de ruzie met Mondriaan bijgelegd, maar in april 1930 kwam er opnieuw een breuk door de verwikkelingen rond Cercle et Carré en van Doesburgs groep Art Concret.
In 1929 werd begonnen met de realisatie van de door van Doesburg ontworpen atelierwoning in de Rue Charles Infroit 41 te Meudon, een voorstad zuidwestelijk van Parijs. Pas in december 1930 konden Theo en Nelly hun intrek nemen. Tijdens de bouw werkte van Doesburg op initiatief van Hans Arp plannen uit voor de groep Abstraction-Création, ter vervanging van de ter ziele zijnde groepen Cercle et Carré en Art Concret. Op 24 februari 1931 vertrok van Doesburg met zijn vrouw Nelly in verband met zijn jaarlijkse asthma-aanvallen naar Davos. Hier overleed van Doesburg op 7 maart aan een hartaanval. Bij zijn crematie op 9 maart waren Nelly en zijn ex-vrouw Lena Milius aanwezig.
Van 15 januari tot 1 februari 1932 werd tijdens de tweede tentoonstelling van de groep Association Artistique 1940 in het Parc des Expositions, gelegen bij Porte de Versailles, te Parijs een retrospectieve expositie met 59 werken uit de periode 1906-1930 gehouden. Daarna zou Nelly alles in het werk stellen om Theo van Doesburg bekend en erkend te maken. Pas in 1936 werd in Nederland door Nelly een drietal tentoonstellingen samengesteld: van 2 maart t/m 18 april in het Leidsch Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden; van 2 t/m 31 mei in vier zalen van het Stedelijk Museum te Amsterdam en van 20 juni t/m 20 augustus (?) in het nieuwe Van Abbemuseum te Eindhoven. De laatste expositie was samen met Matthieu Wiegman.
Vanaf 13 december 1968 was in het Van Abbemuseum een solotentoonstelling van Theo van Doesburg. Tijdens de opening kreeg Theo van Doesburg postuum de Sikkens-prijs. Jean Leering, die van 1 april 1964 tot 1 december 1973 directeur was en getrouwd was met een nicht van Theo van Doesburgs vrouw Nelly, was al in 1964 van plan een tentoonstelling te houden. Door tijdrovend onderzoek naar de architectonische werkzaamheden van Theo van Doesburg, het vervaardigen van vijf reconstructies en het vinden van participanten werd pas eind 1968 een tentoonstelling gerealiseerd. De tentoonstelling werd aangepast ook getoond in het Haags Gemeentemuseum, de Kunsthalle in Nürnberg en Kunstmuseum van Bazel. In een testament van 16 februari 1967 benoemde Nelly Leering tot executeur-testamentair, waardoor Leerling veel te maken kreeg met van Doesburgs nalatenschap. Na de dood van Nelly in 1975 werd het huis na vele problemen in verband met de successierechten geschonken aan de Nederlandse Staat. Na restauratie werd het opengesteld voor kunstenaars en onderzoekers.
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Theo van Doesburg. | ![]() |