Alfred Flechtheim (1878-1937)

Alfred Flechtheim, 1928

De Duitse kunsthandelaar Alfred Flechtheim werd op 1 april 1878 in Münster geboren als zoon van de graanhandelaar Emil Flechtheim (1850-1931) en Emma Heymann (?-1935). Na een commerciële opleiding in het Château du Rosey te Rolle, een plaats bij Genève, ging Flechtheim voor een verdere opleiding twee jaar bij de graanhandel Louis Dreyfus & Cie in Londen, Liverpool en Rusland werken om aansluitend bij zijn vaders bedrijf te gaan werken. Zijn vader Emil had met zijn oom Axel in 1877 hun vaders handelszaak in granen en voedermiddelen overgenomen. In 1899 verhuisde de familie naar Düsseldorf. Rond 1908 ging ging Flechtheim kunst verzamelen. In 1909 leerde Flechtheim via de Duitse kunsthandelaar Wilhelm Uhde de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler kennen.

In januari 1909 was hij één van de oprichters van de Düsseldorf Sonderbund. Hij werd penningmeester. Volgens de schilder George Grosz kocht Flechtheim op zijn huwelijksreis naar Parijs in 1910 voor al het geld van zijn vrouw Betti Goldschmidt en tot verbijstering van zijn schoonfamilie hedendaagse Franse kunstwerken van o.a. Braque, Derain, Girieud, Friesz en Picasso. Flechtheim bezocht op deze reis o.a. de woning van Wilhelm Uhde en de galerie van Kahnweiler. In 1912 organiseerde de kunstenaarsvereniging Sonderbund van 24 mei t/m 30 september een grote expositie in Keulen, waar moderne kunst werd getoond, zowel de Duitse expressionisten als de Franse avant-garde. Voor de Franse kunst werden van Pablo Picasso elf, van André Derain vier, van Georges Braque zeven en van Maurice de Vlaminck vijf werken door Kahnweiler uitgeleend. Flechtheim leende zelf zes werken uit, waaronder de Mandolinespeler van Picasso uit 1911.

Der Dôme, 1914

Vanaf 1911 kwam Flechtheim regelmatig naar Parijs, waar hij in Café du Dôme en in Café La Rotonde de kunsthandelaren Uhde en Kahnweiler en de kunstenaars Picasso, Braque, Derain en André Salmon ontmoette. Ook de schilder Louis Marcoussis leerde Flechtheim kennen en schilderde in 1914 het verderop staande kubistisch portret van Flechtheim. In 1911 organiseerde Flechtheim samen met Wilhelm Uhde, Daniel-Henry Kahnweiler en Dr. Vincence Kramár de eerste Picasso tentoonstelling in Duitsland in de galerie van Heinrich Thannhauser in München. Door verschil van mening binnen het bestuur van de Sonderbund en het aandringen van de schrijver Carl Sternheim (1878-1942) en kunsthandelaar Paul Cassirer ging Flechtheim zich bezinnen op de kunsthandel. Op 21 december 1913 opende Flechtheim met financiële ondersteuning van Cassirer in Düsseldorf op de Alleestraße 7 zijn eerste galerie, waar van 27 juni t/m 24 juli 1914 23 Dômiers, d.w.z. de kunstenaars die in Café du Dôme samenkwamen, exposeerden. Zelf woonde Flechtheim in de Neanderstraße 10 te Düsseldorf.

Flechtheim met vrouw, april 1915

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden Flechtheim en zijn medewerker Hanns Fehr opgeroepen. De galerieruimte werd volgens de schrijvers Monika Flacke-Knoch en Stephan von Wiese in het boek Alfred Flechtheim, Sammler, Kunsthändler, Verleger verkocht. Dit deed Flechtheim op advies van de Düsseldorfse museumdirecteur Koetschau. Fehr sneuvelde in augustus 1914 in Frankrijk en Flechtheim was tijdens de oorlog als luitenant bij de cavalerie in België aan het front. Flechtheims handelsbezit werd door de bevriende kunsthandelaar Paul Cassirer en Hugo Helbing op de Kurfürstendamm te Berlijn op 5 juni 1917 geveild, nadat het publiek vijf dagen de 238 kunstwerken had kunnen bekijken. De Franse werken gingen vooral naar de verzamelaars Sally Falk uit Genève, Christian Tetzen-Lund uit Kopenhagen, Anthony George Kröller uit Den Haag en Fritz Gurlitt uit Berlijn.

Vele bevriende kunstenaars maakten een portret van Flechtheim. Hieronder een aantal voorbeelden.

Alfred Flechtheim, hoogte: 26 cm
Alfred Flechtheim, afm.: 79 x 55 cm
Alfred Flechtheim, hoogte: 24,5 cm
Alfred Flechtheim, afm.: 106 x 95 cm
 Flechtheim als Torero, afm.: 104 x 80 cm
Der Kunsthändler Alfred Flechtheim
Alfred Flechtheim, hoogte: 18,7 cm
Benno Elkan
Nils von Dardel
Hermann Haller
Karl Hofer
Jules Pascin
Otto Dix
Rudolf Belling
1912
1913
1921
1922
1925
1926
1927

Op 20 april 1919 (Pasen) opende Flechtheim met de tentoonstelling Expressionisten een galerie in de Köningsalle 34 te Düsseldorf, die na de bezetting van het Rheinland, voortgezet werd door Axel Vömel. Door zijn kontakten met de Duitse kunsthandelaren in Parijs, Daniel-Henry Kahnweiler en Wilhelm Uhde, maar ook met de Franse kunsthandelaar Ambroise Vollard werd Flechtheim min of meer de enige vertegenwoordiger van de Franse moderne kunst in Duitsland. Curt Valentin, die later bij de Berlijnse Galerie Buchholz in de Leipzigerstraße werkte en nadat hij in 1937 Duitsland ontvluchtte en in New York de Buchholz Gallery stichtte, werkte eind jaren twintig bij Flechtheim in Berlijn.

Galerie Simon, 1926

Op nevenstaande foto uit 1926 zien we rechts Alfred Flechtheim zittend in de Galerie Simon, de opvolger van galerie Kahnweiler. Achter hem staan op de foto van links naar rechts Kahnweiler, Juan Gris en Otto Waetjan. Naast hem zitten de Vlaminck en Louise Leiris, de stiefdochter van Kahnweiler.

Daniel-Henry Kahnweiler werkte samen met Flechtheim om kunstenaars die bij Kahnweiler onder contract stonden in Duitsland te promoten. Via deze weg werden Braque, Picasso, Gris, Fernand Léger, Marc Chagall, maar ook Kermadec en Masson bekend in Duitsland. Flechtheim vertegenwoordigde ook spoedig de Vlaminck, Derain, Oskar Schlemmer, Klee en Kandinsky. In een brief in december 1920 deelde Kahnweiler aan Flechtheim mede, dat zijn broer Gustav interesse had om als medewerker in zijn kunsthandel te komen werken. Samen met Gustav Kahnweiler bezocht Flechtheim in februari 1921 Berlijn om een ruimte voor een nieuwe galerie te openen. Door de bezetting van Düsseldorf op 8 maart 1921 door Franse en Belgische troepen durfde Flechtheim niet terug te keren. Cassirer stelde aan Flechtheim 2 zalen van zijn galerie in de Viktoriastraße 35 te Berlijn ter beschikking. In juni 1921 nam Flechtheim met 6000 FF deel aan de uit zeven personen bestaande groep Grassat, die probeerde om een deel van Kahnweilers geconfisqueerde bezit terug te kopen. Op 1 oktober 1921 opende Flechtheim op Lützowufer 13 te Berlijn de Galerie Flechtheim met de tentoonstelling Deutsche und französische Kunst aus des XX. Jahrhunderts Beginn. Op 12 november 1922 opende Flechtheim een derde galerie in Schillerstraße 15 te Frankfurt am Main, waar Gustav Kahnweiler de leiding kreeg. Hij breidde zijn galeries nog uit met een galerie in Schildergasse 69-73 te Keulen in december 1922, waar de kunsthistoricus Dr. Otto Erich Jaffé de leiding kreeg, en met de overname van galerie Würthle & Sohn Nachf. in Weihburggasse 9 te Wenen, die geleid werd door Lea Bondi. Door de hyperinflatie kregen de galeries het zeer moeilijk. In oktober 1923 kostte het goedkoopste tramkaartje 100.000 DM. In 1927 ging het financieel beter en Flechtheim verbouwde zijn Berlijnse galerie.

Voorblad Der Querschnitt, januari 1928

Flechtheim werd mede bekend doordat hij gebruik maakte van bekende kunsthistorici voor het schrijven van een inleiding in de catalogi van de tentoonstellingen in zijn galeries. Dit werd nog versterkt door het uitgeven van het tijdschrift Der Querschnitt vanaf januari 1921. Het blad werd in 1924 door de uitgeverij Ullstein-Verlag overgenomen en Hermann von Wedderkop kreeg daarna de leiding. In 1936 werd het tijdschrift na een openlijke aanval door het SS-blad Das schwarze Korps door de nazi's verboden.

Eetkamer Flechtheim Dix: Flechtheim 1926, afm.: 120 x 80 cm

Op 3 december 1923 verhuisden Alfred Flechtheim en zijn vrouw Betti van de Neanderstraße 10 te Düsseldorf naar Bleibtreustraße 16 in de Berlijnse wijk Charlottenburg. Het huis was een verzamelpunt van kunstenaars uit de muziek-, toneel-, film- en schilderswereld, maar ook van winkeliers en bankiers en sportmensen. Flechtheim organiseerde van 13 t/m 23 november 1929 de expositie Seit Cézanne in Paris, waar de belangrijkste kunstenaars van het begin van de twintigste eeuw, waaronder o.a. Braque en Constantin Brancusi, werk hadden hangen of staan.

Nederlands contact

Belling: Flechtheim 1927

In 1930 schonk de kunsthandelaar Van Hasselt aan het Museum Boijmans te Rotterdam het bronzen beeld Portret van de kunsthandelaar Alfred Flechtheim van Rudolf Belling (1886-1972) uit 1927. Flechheim leverde vanaf ongeveer 1926 via Cornelis Wilhelmusvan Hasselt (1872-1951), die gevestigd was op de Schiedamsesingel 35 te Rotterdam, diverse werken aan het Museum Boijmans. Ook het Gemeentemuseum Den Haag, het Stedelijk Museum Amsterdam, Hélène Kröller-Müller en Marie Tak van Poortvliet kochten al of niet via Van Hasselt bij Flechtheim. Van eind 1932 tot begin 1933 organiseerde Flechtheim de expositie Lebendige Deutsche Kunst.

Zie voor meer informatie over de kunstwerken, die via Flechtheim in de Nederlandse musea zijn gekomen het hoofdstuk Vier kunsthandelaren van moderne Duitse kunst in Nederland geschreven door Gregor Langveld in het boek Nederland en Duitsland in het Interbellum: wisselwerking en contacten: van politiek tot literatuur, Hilversum 2003, ISBN: 90-6550-763-9.

Na de machtsovername van Hitler in 1933 werd Flechtheim het mikpunt door zijn joodse afkomst en zijn entartete moderne kunst. Op 1 april 1933 verscheen in Die Volksparole het eerste haatartikel tegen Flechtheim. Op dezelfde datum was de Düsseldorfse galerie overgenomen door Alex Vömel, die lid was van de SA (Sturmabteilung) van de Nazi-partij. In november 1933 sloot Flechtheim zijn Berlijnse galerie en probeerde hij in verband met de nazi's om buiten Duitsland een bestaan op te bouwen. Hij wilde eigenlijk naar New York, maar kwam niet verder dan Londen. Daar ging hij werken in de Mayor Gallery van Freddy Mayor. Mede-eigenaars waren Douglas Cooper en J.F. Duthie. Een groot aantal werken van zijn handelsvoorraad zond Flechtheim naar Kahnweiler in Parijs. Via enkele reizen naar Berlijn haalde hij ook een deel van zijn privé bezit naar Londen. Op 4 december 1935 verscheen opnieuw een haatdragend artikel over Flechtheim, nu in de Westfälischen Landeszeitung Dortmund.

De bruiloft, afm.: 257 x 206 cm herdenkingsplaat

Flechtheim overleed op 9 maart 1937 in Londen aan een bloedvergiftiging. Het Musée national d'art Modern te Parijs erfde het schilderij La Noce (=de bruiloft) van Fernand Léger uit 1911. Flechtheim werd op 11 maart begraven op het kerkhof Golders Green. Op 1 en 2 februari 1938 werd een deel van de kunstverzameling van Flechtheim, n.l. zes schilderijen van George Grosz uit de periode 1926-1931, geveild bij het Amsterdamse veilinghuis S.J. Mak van Waay, Rokin 102. Het archief van Flechtheim, dat Flechtheim bij Freddie Mayor had achtergelaten, werd bij een bombardement op Londen vernietigd. Flechtheims vrouw Betti, die in 1933 geen uitreispapieren kreeg daar zij geen 25% van de waarde van haar grondbezit kon betalen, pleegde op 15 november 1941 in Berlijn zelfmoord. Op 16 november 2003 werd om 11 uur de nevenstaande herdenkingsplaat onthuld aan het huis in de Bleitreustraße 15 in Berlijn, waar Flechtheim in de periode 1923-1933 woonde. Volgens een verderop genoemd artikel van Michael Sontheimer was Flechtheims vrouw Betti wel bij het sterven van Flechtheim aanwezig, maar keerde zij terug naar Berlijn.

Zie voor de kubistische werken in Flechtheims verzameling de webpagina Kubistische werken bij Alfred Flechtheim.

boek, 1987

Tentoonstelling

Van 20 september t/m 1 november 1987 eerde het Kunstmuseum Düsseldorf Flechtheim met de tentoonstelling Alfred Flechtheim, Sammler, Kunsthändler, Verleger: 1937, Europa vor dem 2. Weltkrieg. Bij de tentoonstelling verscheen van Hans Albert Peters en Stephan von Wiese een catalogus onder dezelfde naam. Daarna ging de tentoonstelling van 29 november 1987 t/m 17 januari 1988 naar het Westfälisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte te Münster.

Betwist bezit

De Vliegenier

Flechtheim bezat van Léger het schilderij De Vliegenier uit 1920. Dit schilderij dook op in de Verenigde Staten. Volgens de website van het Cleveland Museum of Art kocht het museum het werk in 1981 bij de New Yorkse kunsthandelaar Klaus Perls. Door het boek Le Musée disparu van de schrijver Hector Feliciano dat in 1995 verscheen en waarvan in 1997 de Engelse vertaling The Lost Museum: The Nazi Conspiracy to Steal the World's Greatest Works of Art in New York verscheen, kwam er openbare druk om twijfelachtige afkomsten te onderzoeken. Het Cleveland Museum of Art onderzoekt of het schilderij wel of niet door de nazi's is geconfisqueerd. Het is onduidelijk wie de eigenaar was tussen 1929 en het begin van de Tweede Wereldoorlog, toen het werk te voorschijn kwam in Zwitserland. Flechtheims nicht Thea Klestadt, die in 1937 op vijfentwintigjarige leeftijd met haar man Fred naar de U.S.A. vluchtte, toonde in 1999 aan de curator William Robinson het boek Berlin Living Environments of the 1920s, waarin een foto uit 1929 was opgenomen van Flechtheims appartement met daarop herkenbaar het schilderij De Vliegenier. Het museum kwam er achter, dat het werk in 1941 in het bezit was van Zwitserse verzamelaars Dr. Max en Berthe Kofler-Erni.

Volgens het artikel Flechtheim-Erben schrecken Kunstmuseen auf van Stefan Koldehoff op Welt Online (30-6-2010) eisen de erfgenamen van Flechtheim ruim zestig kunstwerken op uit negen Duitse musea: Die Berliner Museen, het Kunstmuseum in Bonn, de Kunstsammlung NRW en het Museum Kunst Palast in Düsseldorf, het Lehmbruck-Museum in Duisburg, het Städel in Frankfurt, de Bayerischen Staatsgemäldesammlungen, de Staatsgalerie Stuttgart en het Von-der-Heydt-Museum in Wuppertal. De musea werden eind 2008 aangesproken met Bitten um überprüfung der Provenienzen von Flechtheim-Gemälden, maar hebben daarop niet positief gereageerd. Het gaat vooral om de kunstwerken, die behoorden tot de privéverzameling van Flechtheim. Axel Vömer, de medewerker die de zaak overnam, eigende deze privéverzameling zich toe en verkocht de werken. Onder de betwiste werken zijn schilderijen van Braque, Gris, Léger en Picasso.

In het artikel The Flechtheim Paintings Inside Germany's Most Complicated Art Restitution Battle geschreven door Michael Sontheimer in Der Spiegel van 25 juni 2012 wordt uitvoerig ingegaan op het betwiste bezit.

Zie voor meer informatie over verdwenen kunstwerken in de periode 1933-1945 de website www.lootedart.com.

Laatste wijziging: 181112