Berthe Weill (1865-1951).

Picasso: portret van Berthe Weill, 1920

Berthe Weill was een van de eerste kunsthandelaars, die werk van Pablo Picasso kocht. Zij was eind 1900 aan Picasso, die voor het eerst Parijs bezocht, voorgesteld door de Spaanse kunsthandelaar Pere Manyac. Deze fabriekseigenaar uit Barcelona probeerde in Parijs via jonge kunstenaars een plaats te veroveren in het Parijse kunstleven. Manyac had Picasso onder contract. Voor 150 francs per maand kreeg Manyac de schilderijen die gemaakt werden. (De schrijver Pierre Daix schreef de naam van de handelaar in zijn boek La vie de peintre de Pablo Picasso echter als Pedro Mañach.)

Galerie Berthe Weill

Affiche

Berthe Weil werd geboren op 20 november 1865 in Parijs als één van de zeven kinderen van Salomon Weill en Jenny Lévy. Berthe Weill werkte eerst in de antiekwinkel van de heer Mayer in de Rue Laffitte, die gespecialiseerd was in gravures uit de achttiende eeuw. Na de dood van Mayer opende zij in 1897 een soortgelijke zaak in de Rue Victor-Massé 25 te Parijs. Op 1 december 1900 werd dit de Galerie Berthe Weill. Volgens de autobiografie van Wilhelm Uhde werkte ook een zus van Berthe in de galerie. Weill steunde als een van de eersten de jonge kunstenaars zoals Kees van Dongen, Henri Matisse, André Derain, Maurice de Vlaminck, Othon Friesz. Van 1 april t/m 15 april 1902 organiseerde Pere Mañach (ook geschreven als Manyac) een exposite bij Berthe Weill voor Louis Bernard-Lemaire en Paplo Picasso. Eind 1902, toen Picasso opnieuw naar Parijs was gekomen en Mañach was teruggekeerd naar Barcelona, organiseerde Berthe Weill een expositie met o.a. werken van Picasso van 15 november t/m 15 december. Te zien waren schilderijen die Mañach bij Weill had achter gelaten en recent werk. Helaas werd er niets verkocht. Picasso zou spoedig daarna in het voorjaar van 1903 terugkeren naar Barcelona. Een nieuwe expositie van Picasso werd van 24 oktober t/m 20 november 1904 gehouden, samen met werken van Raoul Dufy. De bijbehorende catalogus werd door de criticus Maurice Le Sieutre geschreven. De schrijver Guillaume Apollinaire bezocht deze tentoonstelling en schreef het adres van Picasso op zijn catalogus van de tentoonstelling. Tot 1912 stelde Dufy één of twee keer per jaar bij Weill werken tentoon.

Berthe Weill, die La Mère Weill des merveilles werd genoemd, hield een lijst bij van de kopers. Bij de eerste twaalf stonden André Level en Robert Ellissen, twee leden van de beleggingsclub La Peau de l'Ours. Level kocht twee werken van Picasso voor de prijs van 200 francs. Denkelijk werd via Berthe Weill vele werken voor La Peau de l'Ours gekocht.

Van 17 januari t/m 1 februari 1911 werd in de galerie van Berthe Weill een tentoonstelling gehouden met werken van Jean Metzinger, Albert Gleizes en Fernand Léger. In 1914 had Diego Rivera van 21 april t/m 6 mei zijn eerste tentoonstelling bij Berthe Weill. Rivera liet vijfentwintig werken zien uit de periode 1913-1914. In het anonieme voorwoord van de catalogus viel Berthe Weill het kubisme aan.

affiche Modigliani catalogus Modigliani

Berthe Weill verplaatste haar galerie in 1917 naar de Rue Taitbout 50, waar Amedeo Modigliani van 3 t/m 30 december 1917 zijn eerste solotentoonstelling had. De nieuwe dealer van Modigliani, Léopold Zborowski, organiseerde deze tentoonstelling onder de naam Exposition des Peintures et de dessins de Modigliani. De tentoonstelling bestond uit 32 schilderijen en ongeveer 30 tekeningen. De catalogus bevatte het gedicht Sur un portrait de Modigliani van Blaise Cendrars. Volgens de schrijver Pierre Sichel, die in 1967 een biografie over Modigliani schreef, zou de tentoonstelling al op de eerste dag op last van de politie gesloten zijn, wegens een vanaf de straat zichtbaar schilderij van een vrouwelijk naakt met schaamhaar. Berthe Weille maakte zestien jaar later echter bekend, dat zij het betreffende schilderij en alle andere naakten had verwijderd en die dag de galerie had gesloten. De criticus Francis Carco liet in L'éventail van 15 augustus 1919 echter merken, dat de tentoonstelling daarna gewoon weer open was geweest. Door de nodige ophef was Modigliani hierdoor wel direct bekend.

Een kubist die ook bij Weill tentoonstelde was Juan Gris. Uiteindelijk verhuisde Berthe Weill haar galerie in 1920 naar de Rue Laffitte 46, de straat met vele galeries. In 1924 hield Valentine Prax, die in 1920 getrouwd was met Ossip Zadkine, bij Berthe Weill een tentoonstelling van werk op glas en doek. Valentine was in Caylus, waar het echtpaar Zadkine 's zomers verbleef, begonnen met het schilderen op glas. Samen met Zadkine liep zij rommelwinkeltjes af voor oude lijstjes. Zij verwijderde het oorspronkelijke plaatje en beschilderde de binnenkant van het glas.

boek, 1933

Door haar slechte gezondheid moest Berthe Weill in 1926 haar galerie sluiten, al beweert haar achterneef Françoise Job dat de galerie pas in 1939 sloot. Zonder inkomen was zij afhankelijk van de gulheid van de kunstenaars, die zij eerder had gesteund. Op 28 februari 1933 verscheen in Parijs de autobiografie van Berthe Weill met de titel Pan! ..dans l'oeil ..ou trente ans dans les coulisses de la peinture contemporaine 1900-1930 en afbeeldingen gemaakt door Raoul Dufy, Pascin en Picasso. Op 12 december 1946 werden door Maurice Rheims 80 kunstwerken geveild in een galerie, die gevestigd was op Avenue de Matignon 3, waarvan de baten bestemd waren voor het levensonderhoud van Berthe Weill. Berthe Weill, sinds 1948 Chevalier de la Légion d'Honneur, overleed op 17 april 1951.

Tentoonstellingen

februari 1902
Leerlingen van Gustave Moreau, o.a. Matisse en Marquet
19 januari - februari 1903
groepstentoonstelling van werken van Raoul Dufy, Jean Metzinger, Evelio Torent (1876-1940) en Emile Lejeune (1885-1964).
mei 1903
Matisse en Marquet
2 t/m 30 april 1904
groepsexpositie van Matisse, Marquet, Manguin, Camoin en Puy
24 oktober t/m 20 november 1904
groepsexpositie van o.a. Dufy, Picabia, Picasso
21 oktober t/m 20 november 1905
groepsexpositie Fauves: Camoin, Derain, Dufy, Manguin, Marquet, Matisse, de Vlaminck
14 januari t/m 10 februari 1907
groepsexpositie van o.a. Delaunay en Metzinger
30 mei - 18 juni 1910
Paul Briaudeau, Charles Lacoste, André Lhote, Louis Paviot, Jean Plumet en Otto van Rees

Een lijst van alle expositities in de galerie van Berthe Weill tussen 1901 en 1926 staat in het boek Women Artists and the Parisian Avant-Garde: Modernism and 'Feminine' Art, 1900 to the Late 1920's. van Gillian Perry, dat in 1995 is uitgegeven in Manchester door de Manchester University Press.

Volgens de schrijver Pierre Assouline in zijn boek L'homme de l'art gaf Berthe Weille in de jaren twintig het tijdschrift Bousilleur! uit.

Bronnen en verdere informatie

boek, 2009
  • Een Franstalige biografie kunt u vinden op het internet. Berthe Weills achterneef Françoise Job scheef de tekst van de webpagina Berthe Weill galériste à Montmartre.
  • In 2009 verscheen een herdruk, groot 300 exemplaren, van de autobiografie van Berthe Weill Pan !.. dans l'oeil (ISBN: 9782913224834). De oorspronkelijke uitgave is aangevuld met een lijst van tentoonstellingen, die in de galerie zijn gehouden.
Laatste wijziging: 190113