Ferdinand Berckelaers werd op 10 maart 1901 te Antwerpen geboren. Zijn vader, Eugène Berckelaers, overleed in 1910 aan een longkwaal. In 1912 hertrouwde zijn moeder, Caroline Mariën, met Charles van Riel. Ferdinand sloot zich aan bij Vlaamsgezinde activisten. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte Ferdinand met zijn ouders en grootvader in september 1914 naar Nederland. Tot het einde van 1914 verbleef Ferdinand in Tilburg, daarna keerde de familie terug naar België. In 1918 nam Ferdinand in verband met een clandestiene publicatie de naam Michel Seuphor (een anagram van Orpheus) aan. Ferdinand Berckelaers behaalde in 1921 zijn diploma van bibliothecaris. In 1921 richtte hij samen met Geert Pijnenburg (=Geert Grub) in Antwerpen het literair, politiek, wetenschappelijk en filosofisch tijdschrift Het Overzicht op. Het eerste nummer verscheen op 15 juni. Vanaf nummer 13 nam Jozef Peeters de plaats van Geert Pijnenburg over. Het tijdschrift zou tot en met februari 1925 bestaan en en in totaal verschenen er 25 nummers. Voor het tijdschrift reisde Berckelaers, die zich voortaan Michel Seuphor ging noemen, o.a. naar de belangrijkste kunstcentra: Berlijn, Rome en Parijs.
In 1922 ontmoette hij in Berlijn de futuristen Filippo Marinetti en Enrico Prampolini, de beeldhouwer Belling, Laszlo Moholy-Nagy en de galeriehouder Herwarth Walden.
In april 1923 bezocht Seuphor in Parijs in acht dagen tijds een aantal kunstenaars voor een interview, n.l. Robert Delaunay, Jean Cocteau, Pablo Picasso, Constantin Brancusi, Amédée Ozenfant, Céline, Tzara, Fernand Lèger en als laatste Piet Mondriaan. Seuphor reisde terug naar Antwerpen om zijn tijdschrift klaar te maken, maar vertrok daarna weer naar Parijs om Mondriaan opnieuw te bezoeken. Het was het begin van een lange vriendschap. In maart 1925 vestigde Seuphor zich definitief in Parijs. In Parijs was Seuphor verder bevriend met de beeldhouwer-schilder Georges Vantongerloo, Joaquin Torrès-Garcia, Hans Arp en Sophie Taueber-Arp. In januari 1926 reisde Seuphor naar Italië. Hij woonde een maand in Napels en twee maanden in Rome. Via Venetië bezocht Seuphor een maand Boedapest. Daarna keerde hij terug naar Parijs. Van januari tot juli 1927 woonde Seuphor bij Paul Dermée en Céline Arnauld in de Rue des Morillons 23. Samen met Dermée organiseerde Seuphor elf poëtische avonden van L'Esprit Nouveau in de galerie Au Sacre du Printemps.
In de zomer van 1927 ontmoette Seuphor op weg naar Spanje Léopold Survage in Collioure. In oktober was Seuphor weer terug in Parijs. Samen met zijn vriendin, de IJslandse schilderes Ingeborg Bjarnason (ook geschreven Bjornesson), woonde Seuphor in de zomer van 1928 in Menton. Hier maakte hij kennis met Fritz Glarner, die later dankzij Seuphor, in New York een zeer goede vriend van Mondriaan werd. Na de zomer maakte Seuphor een reis door Midden Europa. Terug in Frankrijk gingen Seuphor en Ingeborg wonen in Rue Kléber 5 te Vanves. Op zondagmorgen kwamen hier Mondriaan, Vantongerloo en Torres-Garcia bijeen. Florence Henri, Luigi Russolo, Hans Arp, Sophie Taeuber voegden zich spoedig daarbij. Samen met Torrès-Garcia was Seuphor de oprichter van het blad Cercle et Carré. Daar Seuphor ernstig ziek werd, een zware longontsteking, verschenen slechts drie nummers.
Op nevenstaande foto, die genomen is in 1929 in het atelier van Seuphor, zitten van links naar rechts zitten de beeldhouwer-schilder Vantongerloo, de schilder Torrès-Garcia, Mondriaan, Florence Henri, mevrouw Vantongerloo en schilderes Ingeborg Bjarnason. Staand een onbekende architect.
De meeste leden van Cercle et Carré sloten zich in 1932 aan bij de beweging Abstraction-Création, waarvan Georges Vantongerloo, Auguste Herbin en Theo van Doesburg in 1931 de oprichters waren, en in 1939 bij Réalités Nouvelles. Theo van Doesburg overleed tijdens de voorbereidingen in maart 1931. In 1932 zwierf Seuphor door Europa, min of meer afhankelijk van de kunstenaars of bekenden die hij bezocht. Hij verbleef o.a. van september tot november 1932 te Sablons in Moly-Sabata, waar Robert Pouyaud op aanraden van Albert Gleizes een woon- en werkgemeenschap had gesticht, en daarna bij dokter Miéville in La Tour de Peilz. In april 1933 was Seuphor terug in Parijs waar hij zijn toekomstige vrouw, Suzanne Plasse, ontmoette. Het paar trouwde in 1934 en ging wonen in Nîmes en vanaf 23 augustus 1934 in Anduze. Seuphor werd fulltime dichter en schrijver.
Op 23 februari 1935 werd een zoon, Clément, geboren, die op 20 juni helaas overleed. Op 12 november 1936 werd de tweede zoon, Régis, geboren. Eind 1944 slaagde Seuphor erin om een contract voor 10 jaar af te sluiten met de uitgeverij Les Editions du Pavois uit Parijs. Zijn vorige werken zouden opnieuw worden uitgegeven. In april 1945 verhuisde het gezin seuphor naar Aubagnac.
In het tijdschrift Cévennes van 17 en 24 januari 1948 verscheen van Seuphor de tekst La destinée de Mondrian. Ze werden door Pierre-André Benoît ook uitgegeven onder de naam Les arts en provence nummer 3 en 4. Op 21 januari verscheen het artikel ook in de uitgave L'Aube. Eind juni 1948 verhuisde het gezin Seuphor naar Parijs, nadat Seuphor zijn meubels en zijn bibliotheek van 12000 boeken had verkocht. In 1950 en 1951 bracht Seuphor een bezoek aan Nederland, Zwitserland, New York en Londen om te spreken met personen die Mondriaan gekend hadden. Hij sprak o.a. met mevrouw Elout-Drabbe, Hans Arp, Larry Holtzmann en Fritz en Lucy Glarner. Dit allemaal om een biografie van Mondriaan te schrijven. In 1951 en 1952 tekende Seuphor veel. Zijn werken vielen vooral op door de min of meer dichte horizontale strepen. Hij noemde het lacunetekeningen met horizontale strepen. In januari 1954 werd bij Galerie Berggruen dankzij Hans Arp een expositie van Seuphors tekeningen gehouden.
Seuphor, die in 1965 Fransman werd, organiseerde vele tentoonstellingen, o.a. in 1959 in de Verenigde Staten Construction and Geometry Painting en van januari tot april 1969 samen met André Berne-Joffroy in het Musée de l'Orangerie des Tuileries in Parijs een retrospectieve expositie van Mondriaan. Eerder, n.l. in 1956, was de biografie Piet Mondrian. sa vie, son oeuvre verschenen. Het verscheen gelijktijdig in New York en Keulen en in 1958 in Milaan. Vanaf 1958 waren er diverse exposities van Seuphors tekeningen, collages en wandtapijten. In 1975 werd op 13 april door de Franse televisie een door Seuphor en Michel Pamart samengestelde film van 53 minuten over Piet Mondriaan uitgezonden. In februari en maart 1978 hield het Musée National d'Art Moderne Georges Pompidou een tentoonstelling van de door Seuphor geschonken werken van Larionov, Robert Delaunay, Stanton Macdonald-Wright, Russell, Patrick Henry Bruce, Marcel Janco, Baumeister, Huszar, Peeters, Werkman, Fleischmann, Joosten, Marcelle Cahn, Tryvadotti en Atlan.
In januari 1996 stierf Suzanne Seuphor en Michel was niet in staat om de crematie op het kerkhof Père-Lachaise bij te wonen. Op 12 februari 1999 overleed Seuphor in het Parijse ziekenhuis Hôpital Laënnec en hij werd op 19 februari gecremeerd op Père-Lachaise. Seuphor was een veelzijdig beeldend kunstenaar, schrijver en kunstcriticus. Samen met Michel Ragon schreef Seuphor vanaf 1973 een vijfdelige geschiedenis van de abstracte kunst.