Paul Rosenberg (1881-1959) was op vakantie in Tours, toen op 3 september 1939 de Tweede Wereldoorlog begon. Bang dat Parijs gebombardeerd zou worden besloot Rosenberg zijn schilderijen naar Tours over te brengen. Zijn in de Rue de la Boétie 21 gevestigde galerie was gespecialiseerd in Franse kunst uit de negentiende en twintigste eeuw. Hij bezat o.a. werken van Picasso, Braque, Douanier Rousseau, Laurencin, Modigliani en Matisse. Met Picasso had Rosenberg vanaf 1918 een exclusief contract en met Braque sinds 1922. Volgens de schrijver André Salmon, die dat schreef in nummer 11 van de Revue de France uit 1921, kocht Rosenberg de werken uit de twintigste eeuw hoofdzakelijk voor de toekomst van zijn zoon in de kunsthandel.
In oktober 1939 huurde Rosenberg de villa Le Castel in Floirac, een plaats vlakbij Bordeaux. Een deel van zijn Picasso's waren wegens een door Alfred H. Barr georganiseerde retrospectieve expositie in de Verenigde Staten. Een ander deel van zijn kunstbezit stuurde Rosenberg naar zijn galerie in Londen. In Tours en Parijs bleven desondanks nog meer dan 300 kunstwerken, 1200 kunstboeken en catalogi, enkele duizenden originele fotoplaten van zijn verhandelde schilderijen en zijn galerieboeken vanaf 1906 achter. Samen met zijn zoon Alexander en zijn chauffeur Louis Le Gall inventariseerde Rosenberg zijn bezittingen. Tijdens de opmars van het Duitse leger in Frankrijk bracht Rosenberg nog een deel van zijn schilderijen naar Tours, waar zij onder de naam van de zwager van Le Gall werden opgeslagen. Zij zouden heel de oorlog in veiligheid blijven. Andere schilderijen, in totaal 162, bracht Rosenberg van Tours naar de Banque Nationale pour le Commerce et l'Industrie (=BNCI) in Libourne. Op 22 juni 1940 had Rosenberg in deze bank een kluis gehuurd. Schilderijen, die te groot waren of een speciale betekenis hadden, nam Rosenberg mee naar Floirac. Daar verborg Rosenberg honderd schilderijen.
Zo hield Rosenberg het nevenstaande niet-kubistisch schilderij van Paul Rosenbergs vrouw en dochter Micheline, dat gemaakt was door Picasso, toen Picasso en zijn vrouw Olga Khokhlova in de zomer van 1918 hun wittebroodsweken doorbrachten in de villa La Mimoseraie van Eugenia Errazuriz vlak bij Biarritz en de familie Rosenberg vakantieburen waren, in zijn villa. In 1940 werd het werk geconfisqueerd en kwam het schilderij bij het verzamelpunt Jeu de Paume. Op 3 maart 1941 gebruikte de ERR het schilderij om voor Göring twee oude meesters te verkrijgen. Samen met 10 andere geconfisqueerde schilderijen, waaronder een stilleven van Braque uit de kunstverzameling van Alphonse Kann, ruilde de ERR het schilderij bij de Duitse kunsthandelaar Gustav Rochlitz te Parijs. Na de oorlog kwam het schilderij terug in Rosenbergs bezit. Een bijbehorende schets en ook andere tekeningen van Micheline gemaakt door Picasso, die in oktober 1918 samen met zijn vrouw Olga naast Rosenberg kwam wonen, kwamen niet meer te voorschijn.
Op 14 juni 1940 trok het Duitse leger Parijs binnen en Rosenberg, die met zijn gezin en de gezinnen van twee zussen van zijn vrouw, in Floirac verbleef probeerde naar Spanje te vluchten. Dit lukte voor een deel van de familie op 17 juni en in augustus 1940 kregen alle leden van de familie een visum voor de Verenigde Staten. Rosenberg probeerde gelijk om zijn bezittingen in Floirac door zijn chauffeur Le Gall naar New York te laten opsturen. De ingehuurde verhuizer hield de zaak op en op 15 september 1940, 's morgens om 8 uur, overviel een commando de villa en vroegen zij naar Louis Le Gall. Het commando, dat volledig op de hoogte was, doorzocht het huis en laadde de klaarstaande verhuiskratten op de vijf meegebrachten vrachtwagens. De vrachtwagens brachten de buit naar de Duitse ambassade in Parijs. Denkelijk was de Duitse ambassade getipt door de antiekhandelaren Yves Perdoux en Comte de Lestang, die 10 % van de buit in de vorm van schilderijen zouden krijgen. Het ambassadelid Carl-Théo Zeitschel schreef in een notitie aan de ambassadeur Otto Abetz gedateerd 15 november 1940, dat de Lestang intermédiaire was geweest. In een aanvullende notitie gedateerd 27 november 1940 vermeldde Zeitschel, dat een Duitse expert de collectie van 78 kunstwerken op 3.415.400 francs schatte. Op de lijst stond het al eerder op deze bladzijde genoemde Mme. Rosenberg et sa fille voor 80.000 Franse francs gewaardeerd. Perdoux en de Lestang werden betaald met drie schilderijen van Pissarro.
In maart 1941 werd op gezag van de Duitse Devisenschutzkommando, die op zoek was naar geld en waardenpapieren, de kluis in Libourne opengebroken. De kluisinhoud werd geïnventariseerd en op 11 juni weer in een kluis opgeborgen. Op 5 september 1941 werden de kunstwerken in opdracht van Braumüller geconfisqueerd door de ERR (=Einsatztab Reichsleiters Rosenberg). De ERR was een speciale militaire groep onder leiding van Alfred Rosenberg, die in bezette gebieden kunstobjecten bij Joodse eigenaren in beslag moest nemen. De 162 schilderijen werden direct naar de Jeu de Paume, een gebouw in de Jardin des Tuilleries bij het Louvre te Parijs, gebracht. Elk voorwerp kreeg een etiket met nummer en een kaart. Een meevaller achteraf was, dat in het begin van de oorlog alles vrij nauwkeurig door de Duitsers genoteerd werd al waren verschrijvingen altijd aanwezig. Zo werd bv. bekend, dat het schilderij Oosterse vrouw zittend op de vloer, ook genoemd Odalisque, van Matisse uit 1927 via omzwervingen in 1991 terecht kwam in het Seattle Art Museum. In augustus 1998 werd een rechtszaak gevoerd door de erven van Paul Rosenberg om het schilderij terug te krijgen. Op 14 juni 1999 deelde het museum mee, dat het schilderij aan de erfgenamen zou worden teruggegeven.
Op 17 oktober 1941 werden 111 werken in beslag genomen in de Rue de Boétie 21, waar Rosenberg zijn woning en galerie had. Het nevenstaande kubistische schilderij Femme en rouge et vert van Fernand Léger uit 1914 was één van de werken. De werken werden overgebracht naar de Jeu de Paume. Hier werden volgens het boek van Rose Valland Le Front de l'art 32 schilderijen gereserveerd voor een uitwisseling. De schilderijen wilde men ruilen voor meer gewenste werken.
Na de bevrijding van Parijs begon Paul Rosenberg vanuit New York met het zoeken naar zijn gestolen kunstwerken. Via zijn broer Edmond, die tijdens de oorlog in Parijs was ondergedoken, kwam hij te weten dat zijn huis was leeggeroofd, dat de kunstwerken in Tours dankzij Louis Le Gall en de enkele werken die waren opgeslagen in een banksafe in Libourne door Braque de oorlog hadden overleefd, dat Le Gall een lijst had van de gestolen werken in Floirac, dat de concierge in de Rue de la Boétie enkele werken had gered en dat alle fotoalbums er nog waren. Paul Rosenberg wist spoedig, dat vele werken in Parijs verkocht waren en andere naar Duitsland waren gebracht. Pas in de zomer van 1945 slaagde Rosenberg erin om terug te keren naar Parijs.
Schilderijen uit het geconfisqueerde bezit van Rosenberg werden ook in Zwitserland verhandeld. De Zwitserse industrieel Emil Bührle kocht tijdens de Tweede Wereldoorlog 13 werken uit het bezit van Paul Rosenberg en Alphonse Kann. In september 1945 reisde Rosenberg door Zwitserland en bezocht hij galerieën en verzamelaars. Hij zag vele schilderijen uit zijn bezit. De schilderijen van hem die hij bij Bührle ontdekte zou hij kunnen kopen voor de prijs, die Bührle betaald had aan Theodor Fischer en Toni Aktuaryus. Bührle moest de schilderijen na de z.g. Raubgut-Prozessen aan Rosenberg teruggeven. Bührle kocht na de rechtszaak de schilderijen van Rosenberg.
In september 2008 kreeg het Musée National Picasso te Parijs wegens een dation het hoger op deze webpagina staande schilderij Moeder en kind. Picasso schilderde in augustus 1918 het schilderij van mevrouw Rosenberg en dochter Micheline. De dation, d.w.z. een betaling van successierechten met kunstwerken, werd gedaan door de afgebeelde Micheline, die in New York getrouwd was met de Fransman Robert Joseph Sinclair. Robert Joseph Sinclair heette tot 3 augustus 1949 nog officieel Léonce Schwartz. De handelswaarde van het schilderij werd geschat tussen de 20 en 25 miljoen euro.