Clovis Sagot had na een carrière als clown in 1904 een oude apotheekzaak in de Rue Laffitte 46 te Parijs gekocht en verbouwd tot een kleine galerie. Aangezien een oudere broer van Sagot een belangrijke dealer van gravures was, stond Clovis bekend als Sagot le frère. Bij de koop van de ruimte kocht hij ook een groot aantal medicijnen, die Sagot aan zieke kunstenaars beschikbaar stelde. Volgens Fernande Olivier woonde Sagot buiten en bracht hij vaak bloemen uit zijn tuin mee, die hij weg gaf. Hij had een goed oog voor nieuw schilderstalent, die hij via zijn galerie en financiën steunde.
In 1905 nodigde Pablo Picasso, die zeer slecht bij kas zat, de kunsthandelaar Clovis Sagot uit om naar zijn werk te komen kijken. Sagot koos 3 werken uit en wilde daarvoor 700 francs betalen. Picasso vond dat te weinig en Sagot vertrok. Na enkele dagen zocht Picasso Sagot opnieuw op. Sagot bood nu 500 francs. Picasso was woedend en keerde kwaad naar zijn atelier terug. Enkele dagen later ging Picasso toch weer naar Sagot en aanvaarde het bod van 300 francs.
In de galerie ontmoette Picasso in gezelschap van Guillaume Apollinaire de schilderes Marie Laurencin. Apollinaire en Laurencin vormden spoedig daarna een stel. In 1909 schilderde Picasso het nevenstaande portret van Clovis Sagot. Sagot kocht het schilderij van Picasso en het kwam later bij de verzamelaar Gottlieb Reber terecht. Reber verkocht het schilderij aan Mr. A.E. von Saher te Amsterdam. Saher vertrok in 1939 naar de Verenigde Staten en trouwde daar in 1950 met de weduwe Dési Goudstikker. Via P.M. Hirschand te New York kwam het schilderij in 1956 bij de Stiftung zur Förderung der Hamburgischen Kunstsammlungen. Het schilderij hangt nu in de Kunsthalle Hamburg.
Picasso maakte in de galerie van Sagot ook kennis met Leo en Gertrude Stein. Leo Stein kocht bij deze gelegenheid Jong meisje met bloemenmand uit de roze-periode. Het was het eerste schilderij van Picasso dat de Steins kochten.
In 1911 stopte Sagot met het aankopen van werken van Picasso, daar de gevraagde prijs zijn financiële mogelijkheden te boven ging. In plaats van werken van Picasso ging Sagot nu kubistische werken van de op dat moment beginnende schilder Juan Gris inkopen en hield hij een expositie van Gris' werken.
In februari 1913 overleed Sagot. Apollinaire schreef op 13 februari 1913 in L'Intransingeant een artikel om hem te herdenken. Na de dood van Sagot zette zijn vrouw de zaak voort. In een advertentie deelde zij mee dat zij werken in voorraad had van o.a. Picasso, Gris, Auguste Herbin, Jean Metzinger, Albert Gleizes, Fernand Léger, André Lhote, Laurencin en Otto van Rees. Één van de kopers, o.a. van werken van Gris, was de beginnende kunsthandelaar Léonce Rosenberg.
Van 2 t/m 17 maart 1914 werd bij Sagot een tentoonstelling voor Herbin georganiseerd. Denkelijk maakte de Eerste Wereldoorlog een einde aan de activiteiten van de galerie.