Johan Conrad Theodor Kickert werd geboren op 23 november 1882 in Den Haag met de naam Kikkert. (Bij Koninklijk Besluit van 9 december 1919 werd de naam Kickert.) Zijn ouders, Cornelis Johannes Kikkert en Anna Maria Margaretha Vigelius, waren op 21 september 1881 getrouwd in Den Haag. Het echtpaar kreeg na Conrad nog zoon Nicolaas, voordat moeder Anna op 27 februari 1890 overleed. Vader Kikkert hertrouwde in 1894. Al vroeg wist Conrad dat hij schilder wilde worden. Hij bezocht een kostschool, waar de schrijver Arthur van Schendel een van de leraren was, maar volgde verder geen kunstopleiding voor het schilderschap. Hij woonde o.a. in Zandvoort en was bevriend met de in Haarlem wonende Lodewijk Schelfhout. Naast het schilderen schreef Kickert kunstkritieken voor het Haarlemsch Dagblad en Onze Kunst. Op 1 augustus 1907 trouwde Conrad met Maria Wilhelmina de Breuk, roepnaam Mary.
Na enkele bezoeken aan Parijs, vestigde Kickert zich begin 1909 definitief in Parijs. Op 20 mei 1909 werd dochter Aleyda, roepnaam Popke, geboren. Kickert had een atelier gehuurd in de Rue Lhomond en woonde met de familie in de Rue du Guet 6 in de Parijse voorstad Clamart. Daar verzamelde hij dankzij een aanzienlijke erfenis vele Franse kunstwerken. Later schonk hij deze aan het Haags Gemeentemuseum. In 1910, 1911 en 1912 nam Kickert deel aan de Salon des Indépendants en in 1911 aan de Salon d'Automne.
In Parijs werd Kickert bekend om het schilderen met het paletmes in plaats van met een kwast. Hij werd dan ook genoemd le père de Couteau. In Parijs ontmoette Kickert weer Schelfhout die hem meenam naar Café le Dôme en de bijeenkomsten van Paul Fort in La Closerie des Lilas, het verzamelpunt van de Montparnasse kubisten Léger, Le Fauconnier, Metzinger, Gleizes, Delaunay. Kickert kwam onder invloed van het kubisme, maar wendde zich in 1913 daarvan af. In dat jaar schilderde Kickert o.a. in het dorpje Ploumanach, Bretagne, waar hij samen met Le Fauconnier de zomer doorbracht. Werk dat daar gemaakt was exposeerde Kickert in 1915 op de zomertentoonstelling te Domburg.
Kickert was voor de Nederlandse schilders van groot belang doordat hij in 1910 medeoprichter was van de Moderne Kunstkring. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Kickert in Nederland, waar hij zich bezighield met de Moderne Kunstkring en de Galerie d'art français. Deze galerie van Jan van Deene werd gehouden in een deel van Kickerts huis op de Prinsengracht 756 in Amsterdam. De galerie zou tot 1926 bestaan. Na het organiseren van enkele succesvolle tentoonstellingen kwamen in 1914 moeilijkheden. Door de Eerste Wereldoorlog was er geen tentoonstelling in 1914. Bovendien royeerde Kickert Leo Gestel en Jan Sluijters in 1915, daar zij ook tentoonstelden bij een in Kickerts ogen concurrerende vereniging, de Hollandsche Kunstenaarskring. Ook Mondriaan verliet de M.K.K. uit solidariteit. Van 26 september t/m 30 november 1915 organiseerde Kickert in zijn eigen pand de vierde tentoonstelling. Hij moest concurreren met de door Schelhout opgerichte Genootschap van Kunstenaren Moderne Kunstkring die van 3 t/m 25 oktober in het Stedelijk Museum exposeerde. In 1916 was er weer een leegloop van leden.
Tijdens de oorlog leerde Kickert Geertje van der Werff, roepnaam Gée, kennen en verliet hij zijn vrouw en dochter. Begin oktober 1919 keerde Kickert met Gée naar Parijs terug, waar zij de slaapkamer van Mondriaans atelier in de Rue du Départ betrokken. Na het vertrek van Mondriaan naar een atelier in de Rue de Coulmiers nam de familie Kickert op 1 november 1919 het atelier in de Rue du Départ over. Op 30 januari 1920 kocht Kickert voor een bedrag van 4.000 Francs een oude boerderij met vele bijgebouwen in Talou bij Choisel, een dorp in de Vallée de Chevreuse op ongeveer 45 km ZW van Parijs. Er was geen stromend water, alleen een waterput en geen elektriciteit. Hij knapte de boerderij op en stelde de bijgebouwen als artelier voor andere kunstenaars open en de eerste was Marcel Gromaire (1902-1971). In 1925 moest hij de boerderij wegens geldgebrek verkopen. Het echtpaar Kickert keerde terug naar Parijs. Kickert voorzag in zijn onderhoud door o.a. schilderles te geven in de Rue Boissonade 18 in de Parijse wijk Montparnasse.
Op 24 maart 1921 scheidde Kickert van zijn eerste vrouw en trouwde op 27 april 1921 trouwde met Geertje Henriëtte Rebecca van der Werff (1895-) in Amsterdam. In 1923 had Kickert een expositie bij Galerie Barbazanges met werken uit de periode 1917-1923. De zware structuur, de donkere kleuren en de voorkeur voor het paletmes had invloed op de groep Neo-Constructeurs, waar Moreau, Ségonzac, Yves Alix, Gromaire en Sabbagh deel van uit maakten. Zijn ideeën legde Kickert o.a. vast in een artikel in L'Amour de l'Art. Op 19 juli 1925 werd dochter Anne geboren. Op uitnodiging van Yvonne en Anders Osterlind (1887-1960) bracht het gezin Kickert enkele weken door in Versailles. Na diverse adressen vestigde Kickert zich in Rue Boissonade 33 in Parijs. Het huis werd later voorzien van het nevenstaande bord.
Werken van Kickert hingen op de tentoonstelling Exposition Hollandaise in het Musée Jeu de Paume, die van 10 april t/m 31 mei 1926 gehouden werd. Erkenning bleek ook uit zijn deelname aan de restauratie van het uit de tijd van Lodewijk XV stammend theater van Belfort in 1930. Kickert overleed op 26 juni 1965 te Parijs en op 29 juni werd hij met een in memoriam in Le Figaro herdacht.
Dochter Aleyda overleed volgens het archief van Herbert Henkels (1940-2002), dat ondergebracht in RKD (=Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie) in 1979. Zij was op 23 februari 1934 getrouwd met Tijs Mol.
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | nu te zien in |
![]() | Bloeiende appelboom | Mondriaan | 1912 | In 1913 gekocht van Mondriaan en in 1934 geschonken aan het Gemeentemuseum, Den Haag |
![]() | Vrouw met spiegel | le Fauconnier | 1909 | In 1934 geschonken aan het Gemeentemuseum, Den Haag |
![]() | Overvloed Abundance | le Fauconnier | 1910-1911 | In 1934 geschonken aan het Gemeentemuseum, Den Haag |
![]() | De Jager | le Fauconnier | 1911-1912 | In 1934 geschonken aan het Gemeentemuseum, Den Haag |
![]() | La toilette | le Fauconnier | 1913 | In 1934 geschonken aan het Gemeentemuseum, Den Haag |