Katherine Dreier (1877 - 1952)

Dreier, 1910

Katherine Sophie Dreier werd op 10 september 1877 te Milford, Connecticut, geboren als dochter en jongste kind van de welvarende Duitse emigranten Theodor en Dorothea Adelheid Dreier, die afkomstig waren uit Bremen. Katherine had drie oudere zussen en een oudere broer. Theodor Dreier vertegenwoordigde in New York een Londense ijzer en staal handelaar. In 1889 kregen Katherine en haar oudere zus Dorothea (1870-1923) privé-onderricht. Katherine studeerde aan de Brooklyn Art School in de periode 1895-1897 en daarna een jaar aan het Pratt Instituut, waar ook haar zus studeerde. In 1902 gingen de zussen voor een jaar naar Europa om de Europese kunst in o.a. Italië te bestuderen. Terug in Amerika volgde Katherine lessen bij de kunstschilder Walter Shirlaw (1838-1909). In 1907 bezocht Dreier Parijs en ontmoette zij Gertrude en Leo Stein en de fotograaf Edward Steichen. Na Shirlaws dood ging Katherine voor een lange periode naar Londen, waar zij in aanraking kwam met de ideeën van John Ruskin en William Morris. Haar schilderkunst ontwikkelde zich van op Whistler geïnspireerde landschappen naar een aan van Gogh verwante stijl.

Dreier, 1905

Katherine Dreier maakte in 1905 een muurschildering voor de kapel van de St. Paul's school in Garden City, Long Island, die volgens Marcel Duchamp in 1951 nog in uitstekende conditie was en uitsluitend een schoonmaak nodig had. Tijdens een reis naar Europa zag Dreier schilderijen van Vincent van Goghs op de Sonderbund tentoonstelling in Keulen in 1912. Tijdens het verblijf in Nederland liep Katherine de ziekte tuberculose op en ging zij overhaast naar New York terug in 1913. Een gekocht portret van van Gogh leende Dreier uit aan de Armory Show.

Fontain, foto van Stieglitz, 1917

In 1916 werd zij door de neef van Walter Arensberg, John Covert, gevraagd voor een functie bij de kunstenaarsvereniging Society of Independent Artist. De Society werd opgericht als tegenhanger van de behoudende National Academy of Disign. De bedoeling was om jaarlijks een tentoonstelling te houden die vergelijkbaar was met de Parijse Salon des Indépendants, dus zonder toelatingscommissie. Voor de opening werd dit al op de proef gesteld door de inzending van het kunstwerk Fountain door R. Mutt. Het urinoir was ongeveer een week voor de opening gekocht door Walter Arensberg, Joseph Stella en Marcel Duchamp bij de firma J.L. Mott Iron Works, een bedrijf dat o.a sanitair verkocht op Fifth Avenue 118. Duchamp zette het op de achterkant neer en schilderde op de rand 'R. Mutt' en '1917'. Enkele dagen voor de opening werd het werk afgeleverd bij het Grand Central Palace met het benodigde geld voor het lidmaatschap. Na de weigering verlieten Arensberg en Duchamp als protest het organisatiebestuur van de Society. Fountain werd niet tentoongesteld en was een week later te zien in de galerie 291 van Alfred Stieglitz. Daar werd de nevenstaande foto genomen.

Dreier, 1918 Dreier, 1918

Ondanks dat Dreier ook tegen het tentoonstellen van het urinoir stemde was zij onder de indruk geraakt van Duchamp. Spoedig ging zij op dinsdag Franse lessen volgen bij Duchamp en haalde haar zus over gelijk mee te doen. De prijs was bij meerdere personen $ 1,50 en alleen $ 2. In 1918 schilderde Dreier twee portretten van Duchamp, n.l. het nevenstaande naturalistische, dat helaas verloren ging, en het abstract portret. Toen Marcel Duchamp in 1918 naar Buenos Aires ging, reisde Dreier hem achterna. Zij wilde een reeks artikelen schrijven over de vrouwen in Argentinië. In april 1919 keerde Dreier terug naar New York.

Op 12 augustus 1919 haalde Duchamp Katherine Dreier af in Rotterdam, waar zij met de SS Rotterdam was aangekomen uit New York. Duchamp zorgde ervoor dat Dreier via het Duitse consulaat een Duits paspoort kreeg om haar familie in Duitsland te bezoeken. Daarna bezochten Dreier en Duchamp op 16 november 1919 de ouders van Duchamp in Rouen.

Seville, 1929

Dreier was blij met de terugkeer van Duchamp in New York in januari 1920. In Europa had zij musea, galeries en kunstenaars bezocht en dat stimuleerde haar om in New York een museum voor moderne kunst op te richten, waarbij haar kunstcollectie de kern zou vormen. Duchamp moest haar daarbij helpen. Samen met Man Ray ging Duchamp aan de slag. Man Ray bracht de naam Société Anonyme in, niet wetend dat dit de Franse naam was voor naamloze vennootschap. Op de officiële papieren kwam achter de naam 'Inc.' (=incorporated), dat hetzelfde betekende. Duchamp werd voorzitter, Dreier penningmeester en Man Ray secretaris. Voor de benodigde financiën werd Dreier geholpen door de zakenmannen Henry Hudson en Andre McLaren. Duchamp legde hij zijn voorzitterschap neer toen naar Europa moest terugkeren i.v.m. het aflopen van zijn visum. Hij werd daarna gewoon bestuurslid.

Samen met Man Ray renoveerde Duchamp de gehuurde ruimte op East 47th Street 19. Symbool werd het door Duchamp in Buenos Aires ontworpen schaakstuk (paard). Op 30 april 1920 was de opening van de eerste tentoonstelling van de Société Anonyme. In de komende twintig jaar zou de Société Anonyme nog 84 tentoonstellingen organiseren, maar door een gebrek aan belangrijke medefinanciers werd een eigen museum niet gerealiseerd. Man Ray werd door Dreier benoemd tot de officiële fotograaf.

Bij de piano, afm.: 106,7 x 89 cm De messenslijper, afm.: 79,5 x 79,5 cm

Om in de toekomst tentoonstellingen te houden in de Société Anonyme ging Dreier in 1921 voor achttien maanden een wereldreis maken. In die periode werden er geen exposities gehouden. Zij bezocht in 1922 Berlijn waar zij de Erste Russische Kunstausstellung in Galerie van Diemen zag. Zij kocht o.a. het schilderij De messenslijper van Kazimir Malevich uit 1912-1913 en Bij de piano van Nadezhda Udaltsova uit 1915. Het schilderij van Malevich was van 2 t/m 7 mei 1927 te zien op de tentoonstelling Exposition of Art in Trade, die gehouden werd in het warenhuis Macy in New York.

Na terugkeer in januari 1923 kwam Dreier met de familie Arensberg overeen om van hen het nog niet voltooide Grote Glasraam te kopen. Voor $ 2000 werd het eigendom van Dreier. Daar Duchamp naar Europa zou vertrekken werd het overgebracht naar Dreiers woning op Central Park West. Ook Dreier had last van de financiële depressie. Zij betaalde de helft direct en de rest in de volgende twee jaar.

Op 19 mei 1926 ontmoette Duchamp Dreier in Venetië. Samen brachten zij vier dagen door om de voorbereidingen voor de internationale tentoonstelling van de Société Anonyme door te nemen. Duchamp had in Parijs al werken verzameld, terwijl Dreier het had gedaan in Hannover, Dessau (Bauhaus), Berlijn, Dresden, Praag en Wenen. Terwijl Duchamp via Milaan, waar hij Carlo Carrà nog bezocht, terugkeerde naar Parijs reisde Dreier door naar Rome.

Le Violon, 1914, afm.: 92 x 60 cm Pipe, Glass and Bottle of Rum, afm.: 40 x 52,7 cm

Op 19 november 1926 opende de Société Anonyme de International Exhibition of Modern Art in het Brooklyn Museum te New York, waarbij 300 werken van 106 kunstenaars uit 23 landen werden tentoongesteld tot 1 januari 1927. Van Pablo Picasso waren twee kubistische werken te zien, n.l. Bartafel met muziekinstrumenten en fruitschaal uit 1913, dat Dreier in 1927 gekocht had van Arthur B. Davies, en het nevenstaande (rechts) papier collé Pijp, Glas en Rumfles uit 1914, dat uitgeleend was door Juliana Force. Dreier leende het Grote Glasraam (=Large Glass) uit voor deze tentoonstelling, maar door verkeerd inpakken kwam het gebroken terug bij Dreier, die verhuisd was naar The Haven, een landhuis in West Redding, Connetticut. Daar merkte zij dat pas in 1931 toen zij het wilde uitpakken. Gelukkig was het niet geheel uiteengevallen door het door Duchamp opgeplakte draad. Pas in de lente van 1931, toen Dreier in Europa was (een ander boek spreekt van zomer van 1933), durfde Dreier dit aan Duchamp te vertellen. In de herfst van 1933 kwam Duchamp de schade opnemen en pas in juli 1936 tijdens zijn verblijf in de V.S. herstelde Duchamp het Grote Glasraam en stelde hij het op in de bibliotheek van Katherine.

Dessau, 1929, Duchamp, Dreier en Kandinsky; foto genomen door Kandinsky's vrouw Nina

Begin 1929 bezochten Duchamp en Dreier in gezelschap van mevrouw Thayer Andalusië. Op hun vijfweekse tour brachten zij enige tijd door in Malaga, Granada, Toledo, Madrid en andere plaatsen. Op 1 april 1929 namen ze afscheid van elkaar. Dreier ging naar Parijs en Duchamp ging schaken in Nice. Daarna vervolgden de Europese reis in Duitsland. Op 10 mei 1929 bezochten Dreier en Duchamp het Bauhaus in Dessau en ontmoetten zij Kandinsky en zijn vrouw Nina. In juni 1930 huurde Duchamp voor zeven jaar namens Dreier twee studio's op Place Dauphine 16 op het Ile de la Cité in Parijs. Dreier wilde elk jaar een deel van het jaar in Parijs doorbrengen. Onder Duchamps toezicht werd het appartement opgeknapt. Ook zorgde Duchamp voor de onderverhuur.

bibliotheek West Redding, Connecticut

In 1933 had Dreier een expositie van haar werk in de Academy of Allied Arts in New York. Duchamp vertaalde voor haar de Franse teksten van zijn broer Villon en van Pevsner, die voor de catalogus bestemd waren. De introductie voor een brochure schreven Henri-Pierre Roché en Duchamp, nadat Dreier dit gevraagd had.

Op 1 september 1936 tekenden Dreier en Duchamp het Trust Agreement for the Société Anonyme, waarin 45 kunstwerken die in het bezit waren van Dreier vastgehouden werden totdat een permanente tentoonstellingsruimte gerealiseerd was. I 1937 maakte Dreier haar laatste reis naar Europa. Zij zou met de zeppelin Hindenburg terugkeren naar de V.S., maar was te laat voor het vertrek waardoor zij het verongelukken van de zeppelin in New Jersey op 6 mei 1937 ontliep. Vrienden, die haar aan boord verwachtten, zochten haar naam tevergeefs op de passagierslijst. In de herfst van 1937 bezochten de kunsthandelaar Karl Nierendorf en de architect Mies van der Rohe, die beiden uit Duitsland waren gevlucht, Dreier op in Milford.

In oktober 1941 schonk Dreier de collectie van de Société Anonyme, groot 450 werken waaronder drie werken van Mondriaan, aan de Yale University Art Gallery in New Haven, waar een deel van de collectie vanaf 14 januari 1942 werd tentoongesteld.

Nadat The Haven was verkocht, verhuisde Dreier in april 1946 naar het Georgian House in de West River Street 130 in Milford (Connecticut), waar Duchamp de lift beschilderde. Deze woning lag dichter bij de universiteit en Dreier bezocht geregeld haar geschonken collectie. Zij bleef actief bij het uitbreiden van de collectie. Op 30 april 1950 werd de Société Anonyme na dertig jaar officieel opgeheven.

Standing Woman, afm.: 19 1/4 x12 1/4 x 1 1/8 inch Krant en fruitschaal, afm.: 46 x 37,8 cm Propellers, afm.: 80,9 x 65,4 cm

Dreier overleed op 29 maart 1952 in Milford en Duchamp zorgde ervoor als executeur-testamentair dat het Philadelphia Museum het Grote Glasraam kreeg. De Yale University Art Gallery kreeg het Tu m', de Rotative Plaques Verre en bijna 300 andere werken, het Museum of Modern Art in New York ontving 102 werken waaronder enkele van Duchamp en het nevenstaande schilderij Propellers van Fernand Léger uit 1918, het Solomon R. Guggenheim Museum ontving 34 werken waaronder het nevenstaande schilderij Krant en fruitschaal van Juan Gris en de Phillips Collection te Washington 17 werken waaronder het nevenstaande Standing Woman van Alexander Archipenko uit 1920. Duchamp hielp ook mee aan de expositie In Memory of Katherine S. Dreier, 1877-1952: Her Own Collection of Modern Art, die vanaf 15 december 1952 t/m 1 februari 1953 gehouden werd in de Yale University Art Gallery te New Haven.

Bronnen en verdere informatie

  • S. Klein: Putting Katherine Dreier into Perspective: Modern Art Collecting in United States of America.
  • Jennifer R. Gross: The The Société Anonyme: Modernism for America, New Haven 2006, ISBN: 9780300109214.
  • Eleanor S. Apter: Regimes of Coincidence: Katharine S. Dreier, Marcel Duchamp, and Dada in Women in Dada, Massachusetts 1998, ISBN: 0-262-19409-0.
Laatste wijziging: 110213