Katherine Dreier (1877 - 1952)

Dreier, 1910

Katherine Dreier werd op 10 september 1877 te Milford, Connecticut, geboren als dochter van een welvarende Duitse emigranten. Dreier studeerde aan de Brooklyn Art School en het Pratt Instituut. Haar schilderkunst ontwikkelde zich van op Whistler geïnspireerde landschappen naar een aan van Gogh verwante stijl.

Dreier, 1905

Katherine Dreier maakte in 1905 een muurschildering voor de kapel van de St. Paul's school in Garden City, Long Island, die volgens Marcel Duchamp in 1951 nog in uitstekende conditie was en uitsluitend een schoonmaak nodig had. In 1912 had Dreier van Goghs gezien op de Sonderbund tentoonstelling in Keulen. Een gekocht portret van van Gogh leende Dreier uit aan de Armory Show. In 1916 werd zij door de neef van Walter Arensberg, John Covert, gevraagd voor de functie van directeur voor de Society of Independent Artist.

De Society werd opgericht als tegenhanger van de behoudende National Academy of Disign. De bedoeling was om jaarlijks een tentoonstelling te houden die vergelijkbaar was met de Parijse Salon des Indépendants. Uitgangspunt zou zijn: geen jury, geen prijzen en ieder kon lid worden tegen $ 5 per jaar, een inschrijfgeld van $ 1 en elk lid kon twee werken insturen. Binnen veertien dagen had men 600 leden. Walter Pach werd penningmeester en Dreier moest de lezingen coördineren. Twaalf rijke en prominente New Yorkers zorgen voor $ 10.000. Op 10 april zou de tentoonstelling worden geopend in het Grand Central Palace, een grote tentoonstellingsruimte op de Lexington Avenue tussen de 46th en 47th Street. Duchamp was het hoofd van de plaatsingscommissie en hij stelde voor de werken in alfabetisch volgorde van de makers te plaatsen. Welke kunstenaar mocht beginnen werd door het lot bepaald. De letter R werd getrokken. De tentoonstelling was bijna twee keer zo groot als de Armory Show. 1200 kunstenaars zorgden voor 2125 werken.

Fontain, foto van Stieglitz, 1917

Voor de opening was er een klein schandaal. Ondanks dat elk lid kon inzenden werd het werk Fountain van R. Mutt geweigerd. Het urinoir was ongeveer een week voor de opening gekocht door Walter Arensberg, Joseph Stella en Marcel Duchamp bij de firma J.L. Mott Iron Works, een bedrijf dat o.a sanitair verkocht op Fidth Avenue 118. Duchamp zette het op de achterkant neer en schilderde op de rand 'R. Mutt' en '1917'. Enkele dagen voor de opening werd het werk afgeleverd bij het Grand Central Palace met het benodigde geld voor het lidmaatschap. Na de weigering verlieten Arensberg en Duchamp als protest het organisatiebestuur van de Society. Fountain werd niet tentoongesteld en was een week later te zien in de galerie 291 van Alfred Stieglitz. Daar werd de nevenstaande foto genomen.

Dreier, 1918 Dreier, 1918

Ondanks dat Dreier ook tegen expositie van het urinoir stemde was zij onder de indruk geraakt van Duchamp. Spoedig ging zij op dinsdag Franse lessen volgen bij Duchamp en haalde haar zus over gelijk mee te doen. De prijs was bij meerdere personen $ 1,50 en alleen $ 2. In 1918 schilderde Dreier twee portretten van Duchamp, n.l. het nevenstaande naturalistische en het abstract portret. Toen Marcel Duchamp in 1918 naar Buenos Aires ging, reisde Dreier hem achterna. Zij wilde een reeks artikelen schrijven over de vrouwen in Argentinië. In april 1919 keerde Dreier terug naar New York.

Op 12 augustus 1919 haalde Duchamp Katherine Dreier af in Rotterdam, waar zij met de SS Rotterdam was aangekomen uit New York. Duchamp zorgde ervoor dat Dreier via het Duitse consulaat een Duits paspoort kreeg om haar familie in Duitsland te bezoeken. Daarna bezochten Dreier en Duchamp op 16 november 1919 de ouders van Duchamp in Rouen.

Seville, 1929

Dreier was blij met de terugkeer van Duchamp in New York in januari 1920. In Europa had zij musea, galeries en kunstenaars bezocht en dat stimuleerde haar om in New York een museum voor moderne kunst op te richten, waarbij haar kunstcollectie de kern zou vormen. Duchamp moest haar daarbij helpen. Samen met Man Ray ging Duchamp aan de slag. Man Ray bracht de naam Société Anonyme in, niet wetend dat dit de Franse naam was van naamloze vennootschap. Op de officiële papieren kwam achter de naam 'Inc.' (=incorporated), dat hetzelfde betekend. Duchamp werd voorzitter, Dreier penningmeester en Man Ray secretaris. Duchamp legde hij zijn voorzitterschap neer toen naar Europa moest terugkeren i.v.m. het aflopen van zijn visum. Hij werd daarna gewoon bestuurslid.

Samen met Man Ray renoveerde Duchamp de gehuurde ruimte op East 47th Street 19. Symbool werd het door Duchamp in Buenos Aires ontworpen schaakstuk (paard). Op 30 april 1920 was de opening van de eerste tentoonstelling van de Société Anonyme. In de komende twintig jaar zou de Société Anonyme nog 84 tentoonstellingen organiseren, maar door een gebrek aan belangrijke medefinanciers werd een eigen museum niet gerealiseerd. Man Ray werd door Dreier benoemd tot de officiële fotograaf.

Van 2 augustus t/m 11 september 1920 werd in de Galleries of the Société Anonyme een tentoonstelling gehouden waar Walter Arensberg enkele werken voor uitleende. Van 15 december 1920 t/m 1 februari 1921 werd in de Galleries of the Société Anonyme de tentoonstelling Matisse, Gris, Deain, Picasso, Braque, Rivera, Gleizes, Villon gehouden, waarvoor Arthur B. Davies werken uitleende. Van 13 februari t/m 6 maart 1924 werd de tenttonstelling Paintings by Derain, Lozowick, Malevich, Gris, Metzinger, Braque and Others.

Om in de toekomst tentoonstellingen te houden in de Société Anonyme ging Dreier in 1921 voor achttien maanden een wereldreis maken. In die periode werden er geen exposities gehouden. Na terugkeer in januari 1923 kwam Dreier met de familie Arensberg overeen om van hen het nog niet voltooide Grote Glasraam te kopen. Voor $ 2000 werd het eigendom van Dreier. Daar Duchamp naar Europa zou vertrekken werd het overgebracht naar Dreiers woning op Central Park West. Ook Dreier had last van de financiële depressie. Zij betaalde de helft direct en de rest in de volgende twee jaar.

Op 19 mei 1926 ontmoette Duchamp Dreier in Venetië. Samen brachten zij vier dagen door om de voorbereidingen voor de internationale tentoonstelling van de Société Anonyme door te nemen. Duchamp had in Parijs al werken verzameld, terwijl Dreier het had gedaan in Hanover, Dessau (Bauhaus), Berlijn, Dresden, Praag en Wenen. Terwijl Duchamp via Milaan, waar hij Carlo Carrà nog bezocht, terugkeerde naar Parijs reisde Dreier door naar Rome.

Le Violon, 1914, afm.: 92 x 60 cm Pipe, Glass and Bottle of Rum, afm.: 40 x 52,7 cm

Op 19 november 1926 opende de Société Anonyme de International Exhibition of Modern Art in het Brooklyn Museum, waarbij 300 werken van 106 kunstenaars uit 19 landen werden tentoongesteld tot 1 januari 1927. Daarna volgde in januari en februari de Anderson Galleries te New York, in maart Albright Art Gallery te Boston en in april de Art Gallery of Toronto. Van Georges Braque was het nevenstaande (links) schilderij Viool uit 1914 te zien. Van Picasso waren twee kubistische werken te zien, n.l. Bartafel met muziekinstrumenten en fruitschaal uit 1913, dat Dreier in 1927 gekocht had van Arthur B. Davies, en het nevenstaande (rechts) papier collé Pijp, Glas en Rumfles uit 1914, dat uitgeleend was door Juliana Force. Dreier leende het Grote Glasraam (=Large Glass) uit voor deze tentoonstelling, maar door verkeerd inpakken kwam het gebroken terug bij Dreier, die verhuisd was naar The Haven, een landhuis in West Redding, Connetticut. Daar merkte zij dat pas in 1931 toen zij het wilde uitpakte. Gelukkig was het niet geheel uiteengevallen door het door Duchamp opgeplakte draad. Pas in de lente van 1931 toen Dreier in Europa was (een ander boek spreekt van zomer van 1933) durfde Dreier dit aan Duchamp te vertellen. In de herfst van 1933 kwam Duchamp de schade opnemen en pas in juli 1936 tijdens zijn verblijf in de V.S. herstelde Duchamp het Grote Glasraam en stelde hij het op in de bibliotheek van Katherine.

Dessau, 1929, Duchamp, Dreier en Kandinsky; foto genomen door Kandinsky's vrouw Nina

Begin 1929 bezochten Duchamp en Dreier in gezelschap van mevrouw Thayer Andalusië. Op hun vijfweekse tour brachten zij enige tijd door in Malaga, Granada, Toledo, Madrid en andere plaatsen. Op 1 april 1929 namen ze afscheid van elkaar. Dreier ging naar Parijs en Duchamp ging schaken in Nice. Daarna vervolgden de Europese reis in Duitsland. Op 10 mei 1929 bezochten Dreier en Duchamp het Bauhaus in Dessau en ontmoetten zij Kandinsky en zijn vrouw Nina. In juni 1930 huurde Duchamp voor zeven jaar namens Dreier twee studio's op Place Dauphine 16 op het Ile de la Cité in Parijs. Dreier wilde elk jaar een deel van het jaar in Parijs doorbrengen. Onder Duchamps toezicht werd het appartement opgeknapt. Ook zorgde Duchamp voor de onderverhuur.

bibliotheek West Redding, Connecticut

In 1933 had Dreier een expositie van haar werk in de Academy of Allied Arts in New York. Duchamp vertaalde voor haar de Franse teksten van zijn broer Villon en van Pevsner, die voor de catalogus bestemd waren.

Op 1 september 1936 tekenden Dreier en Duchamp het Trust Agreement for the Société Anonyme, waarin 45 kunstwerken die in het bezit waren van Dreier vastgehouden werden totdat een permanente tentoonstellingsruimte gerealiseerd was. In oktober 1942 schonk Dreier de collectie van de Société Anonyme, waaronder drie werken van Mondriaan, aan de Yale University Art Gallery in New Haven, waar de collectie vanaf januari 1942 werd tentoongesteld.

In april 1946 verhuisde Dreier naar het Georgian House in de West River Street, waar Duchamp de lift beschilderde.

Dreier overleed op 29 maart 1952 in Milford en Duchamp zorgde ervoor als executeur-testamentair dat het Philadelphia Museum het Grote Glasraam kreeg. De Yale University Art Gallery kreeg het Tu m', de Rotative Plaques Verre en bijna 300 andere werken, het Museum of Modern Art 102 werken waaronder enkele van Duchamp, Guggenheim Museum ontving 34 werken en de Phillips Collection te Washington 17 werken. Duchamp hielp ook mee aan de expositie In Memory of Katherine S. Dreier, 1877-1952: Her Own Collection of Modern Art, die vanaf 15 december 1952 t/m 1 februari 1953 gehouden werd op de Yale University Art Gallery, New Haven.