Walter Arensberg werd op 4 april 1878 te Pittsburgh, Pennsylvania, geboren als oudste kind van Conrad Christian Arensberg en zijn tweede vrouw Flora Belle Covert. Walter behaalde een graad aan de Harvard universiteit in 1900. Na zijn studie maakte hij een reis naar Europa, waar hij bijna een jaar doorbracht in Florence, Italië, en geïnteresseerd raakte in Dante. Na terugkeer in de V.S. studeerde Arensberg nog een jaar aan Havard, waarna hij verhuisde naar New York. Arensberg werd daar journalist bij de Evening Post en kreeg hij interesse in kunst. In 1907 ging Arensberg naar Boston, waar hij op 26 juni 1907 trouwde met Mary Louise Stevens, de zus van zijn Havards klasgenoot Sidney Stevens. Het paar woonde vijf jaar in Boston terwijl Arensberg poëzie schreef.
Louise was in 1879 in Dresden, Duitsland, geboren en dochter van John Edward en Harriet Louisa Stevens. In 1882 emigreerde de familie Stevens naar Ludlow, Massachusetts. Daar vergaarde de familie een fortuin in de textielindustrie. Louise studeerde muziek en ging ook in Dresden naar school.
Tijdens een verblijf in New York bezocht Arensberg op 15 maart 1913, de laatste dag van de expositie, de Armory Show. Onder de indruk van de expositie en vooral de ideeën en kunstenaars verhuisde het echtpaar Arensberg van Cambridge, Massachusetts, naar New York, waar het ging wonen in een appartement op de West 67th Street 33. Hier begonnen zij, dankzij de financiën van Louise, kunst en kunstenaars om hem heen te verzamelen. Hij begon met een klein stilleven van Jacques Villon. Van Francis Picabia kochten zij het werk Voorjaarsdansen uit 1912. Behalve jonge kunstenaars, waarvan Arensberg ook werk verzamelde, bezochten ook dichters de bijeenkomsten van Arensberg, die in 1915 al zeer bekend en beroemd waren. Tussen 1915 en 1921 verzamelde Arensberg meer dan 70 werken, die hij hoofdzakelijk kocht via de Carroll Galleries en de Modern Gallery van Marius de Zayas.
In 1915 kwamen vele Europese kunstenaars als gevolg van de Eerste Wereldoorlog naar New York waar ze de gastvrijheid van Arensberg ondervonden. Een van de belangrijkste was Marcel Duchamp, die door Walter Pach direct na aankomst op 15 juni 1915 naar Arensberg werd gebracht. Hij wilde Duchamp, die in de V.S. beroemd was geworden door de Armory Show, ontmoeten en gastvrijheid verlenen. Totdat Duchamp een woning had gevonden verbleef Duchamp bij de familie Arensberg. De Franse kunstenaars die bij Arensberg kwamen waren Duchamp, Francis Picabia, Albert Gleizes, Jean Crotti, de componist Edgar Varèse, de criticus Henri-Pierre Roché en de dichter Henri-Martin Barzun. Bekende Amerikaanse kunstenaars waren o.a. Charles Demuth, Joseph Stella, Beatrice Wood, de fotograaf Man Ray, Arthur Dove, Marsden Hartley, Katherine Dreier, Walter Pach, Mina Loy en danseres Isadora Duncan. De kring rond Arensberg werd de New Yorkse tak van de Dada-beweging, die de traditionele waarden op politiek, moreel, godsdienstig en kunst gebied verwierpen. Duchamp werd de leider in New York met de z.g. ready-mades.
Arensberg betaalde voor Duchamp de huur van het studioappartement op West 67th Street 33 te New York op voorwaarde dat Arensberg het Grote Glasraam zou krijgen als dat klaar zou zijn. In 1916 maakte Duchamp voor de familie Arensberg een met de hand ingekleurde kopie van zijn beroemdste schilderij in Amerika sinds de Armory Show, Naakt een trap afdalend. Pas in 1927 zou Arendsberg het originele werk kunnen kopen. Arensberg stopte rond 1920 met de bijeenkomsten voor de Avant-garde wegens het sterk verminderd werkkapitaal van de Arensbergs. Dit kwam o.a. door de slechte investeringen, onzorgvuldig boekhouden en de financiële teruggang in de V.S. na de Eerste Wereldoorlog.
In 1921 publiceerde Walter The Cryptography of Dante en in 1922 Cryptography of Shakespeare. Daarna hield hij zich vooral bezig met de controverse tussen Sir Francis Bacon en Shakespeare. Wie schreef werkelijk de toneelstukken? Walter Arensberg stichtte in 1937 de Francis Bacon Library om al zijn activiteiten, o.a. cryptografie en onderzoek naar Bacon, Shakespeare en Dante onder te brengen.
In 1921 vertrok de familie Arensberg vrij plotseling uit New York naar Hillside Avenue 7065 te Hollywood, California. Alleen de Beatrice Wood, die in 1927 ook verhuisde naar California, en Marcel Duchamp onderhielden daarna nog hun contact met Arensberg. In hoeverre de twee jaar durige liefdesaffaire van Louise Arensberg en Henri-Pierre Roché vanaf de zomer van 1917 hierbij nog een rol speelde is onbekend. Vanuit Hollywood leende de familie Arensberg vele werken voor een expositie aan musea en galeries uit. Naast moderne kunst kocht Arensberg ook veel Oosterse, Byzanteinse en Renaissance schilderijen, Amerikaanse volkskunst en Pre-Columbiaanse kunst. Pas in 1930 zagen Arensberg en Duchamp elkaar weer. Duchamp ging daarna kunstwerken voor Arensberg selecteren. Arensberg kocht in totaal 35 werken via Duchamp en daarnaast nog 36 werken van Duchamp.
Direct na de tentoonstelling Fantastic Art, Dada, Surrealism, die in New York (MOMA) van 9 december 1936 tot 17 januari 1937 werd gehouden, kocht Arensberg drie werken, n.l. Why not sneeze, de aquarel Le roi et la reine traversés par des nus vites van Man Ray en Mariée van Julien Levy. Ook kocht Arensberg van Bernard Poissonnier de aquarel Vierge no. 2.
In 1944 tekende de familie Arensberg een overeenkomst met de University of California te Los Angeles om hun kunstbezit over te dragen mits een museum werd gebouwd. Daar dit niet lukte werd het contract in de herfst van 1947 opgezegd en benaderde de familie vele andere instellingen en musea. Daar Walter in 1949 een zware hersenbloeding had en Louise kanker kreeg, werd de schenking weer actueel. Uiteindelijk tekende Fiske Kimball, de directeur van het Philadelphia Museum of Art, op 27 december 1950 een overeenkomst met Walter en Louise Arensberg over de schenking van de Arensbergs collectie, die meer dan 1000 voorwerpen betrof, aan het museum. Het museum verplichtte zich om de collectie in een aparte afdeling voor een periode van minstens 25 jaar voor het publiek toegankelijk te maken.
Vanaf 19 oktober 1949 werd in het Art Institute of Chicago de tentoonstelling Twentieth Century Art from the Louise and Walter Arensberg Collectie gehouden. Van Marcel Duchamp waren 30 werken te zien. Op 25 april 1950 zag Marcel Duchamp voor het laatst de familie Arensberg persoonlijk om te praten over de eventuele schenking aan het Metropolitan Museum.
Op 25 november 1953 overleed Louise Arensberg aan kanker en op 29 januari 1954 overleed Walter Arensberg aan een hartaanval. De Arensberg Collectie, die bestond uit 43 werken van Marcel Duchamp, 19 van Constantin Brancusi, 10 van Braque, 28 van Picasso, 19 van Paul Klee en ongeveer 800 andere werken, was vanaf 19 oktober 1954 als een permanente tentoonstelling in 22 zalen te zien in het Philadelphia Museum of Art. Daar is ook het door Katharine Dreier geschonken Grote glasraam te zien. In Europa was tot 1960 slechts één werk van Marcel Duchamp in het openbaar te zien, n.l. Joueurs d'échecs in het Musée National d'Art Moderne in Parijs.
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | nu te zien in |
![]() | Man in het café | Juan Gris | 1912 | Geschonken aan Philadelphia Museum of Art |
![]() | Contrastes de Formes | Léger | 1913 | Geschonken aan Philadelphia Museum of Art |
![]() | Viool | Braque | 1913 | Geschonken aan Philadelphia Museum of Art |
![]() | Vrouwelijk naakt | Picasso | 1910 | Geschonken aan Philadelphia Museum of Art |
![]() | Man met gitaar | Picasso | 1912-1913 | Op 29 juli gekocht bij Jacques Seligmann & Co te New York In 1950 geschonken aan Philidelphia Museum of Art |
| Viool en gitaar | Picasso | 1913 | Geschonken aan Philadelphia Museum of Art |
Francis Naumann: Walter Conrad Arensberg: Poet, Patron and Participant in the New York Avant-Garde, Philadelphia 1980.