Eind 1952 ontmoette Pablo Picasso Jacqueline Hutin in de pottenbakkerij Atelier Madoura in Vallauris, waar Picasso ontwerpen had gemaakt. Picasso had in 1946 voor het eerst de eigenaars Georges en Suzanne Ramié ontmoet. Jacqueline was de nicht van de eigenares van de pottenbakkerij, mevrouw Suzanne Ramié. Jacqueline was geboren op 24 februari 1927 en afkomstig uit Roussillon. Zij was kort tevoren gescheiden van de ingenieur André Hutin en had een dochter Catherine, roepnaam Cathy, die geboren was in 1948. Het huis waarin ze woonde heette Le Ziquet, waardoor zij door Picasso ook Madame Z. werd genoemd. In Vallauris nam zij haar meisjes naam Roque weer aan. Eind oktober 1953 bezocht Jacqueline elke dag het atelier van Picasso, La Galloise. De zomer van 1954 brachten Jacqueline en Picasso door in Perpignan. Picasso verbleef bij de Comte Jacques en Comtesse Paule de Lazerme in de Rue de l'Ange 16 en had daar een atelier. (Door een overeenkomst tussen de familie Lazerme en de gemeente in 1979 is het huis nu Musée Hyacinthe Rigaud.) Picasso was via Totote Hugué (=Jeanne de Rochette), de weduwe van Picasso's vriend Manolo (Manuel Hugué, 1872-1945), het jaar daarvoor in contact gekomen met deze kunstliefhebbers. Jacqueline bracht bijna dagelijks een bezoek aan Picasso, die in 1953 verlaten was door Françoise Gilot. De volgende jaren bracht Jacqueline met Picasso door. Ze gingen wonen op La Californie in Cannes.
Op 2 maart 1961 trouwde Picasso in het geheim met Jacqueline in het stadhuis van Vallauris, maar op 14 maart was het geheim algemeen bekend. Op zondag 8 april 1973 overleed Picasso. Zijn kinderen en kleinkinderen hadden hem al jaren niet meer gezien, o.a. door het afschermen van Picasso door Jacqueline, maar ook na zijn dood waren ze niet welkom. Kleinzoon Pablito, zoon van Paulo, dronk op de begrafenisdag als protest een fles kaliumchloride (bleekmiddel) leeg en overleed daaraan op 11 juli 1973. Pas in september 1977 was de erfenis geregeld.
In 1986 hielp Jacqueline bij een tentoonstelling van werken van Picasso, waarvan zij de eigenaresse was, in Madrid. Op 15 oktober 1986, de openingsdag van de Madrileense tentoonstelling, schoot Jacqueline zich door het hoofd in haar huis, genaamd Notre-Dame-de-la-Vie, te Mougins. Zij werd op vrijdag 17 oktober bijgezet in het kleine mausoleum van Picasso op het landgoed Château de Vauvenarques waar Picasso sinds 1973 al lag. Haar dochter Catherine Blaye-Hutin erfde van haar moeder o.a. een aantal kubistische werken van Picasso. Opnieuw werd het >Musée Picasso in Parijs verrijkt met werken van Picasso uit een dation, de successierechten betaald door Catherine via kunstwerken, in 1990. De werken werden tentoongesteld onder de titel Une nouvelle dation in het Grand Palais te Parijs van 12 september 1990 t/m 14 januari 1991. Vanaf 7 november 2003 t/m 28 maart 2004 werd in het nieuwe gebouw van het Pinacothèque museum, gelegen op Place de la Madeleine 28 te Parijs, de tentoonstelling Picasso, intime: la collection de Jacqueline. De tentoonstelling van 90 werken ging daarna naar Japan en de V.S. Catharine scheidde van haar man.
In oktober 2007 verscheen het boek La vérité sur Jacqueline et Pablo Picasso geschreven door Pépita Dupont (ISBN: 978-978-2749107370). De journaliste Dupont was de laatste vier jaar van Jacquelines leven bevriend met Jacqueline. Marina Picasso en Catherine Blaye-Hutin probeerden via een rechtzaak een schadevergoeding te verkrijgen. Zo werd Dupont op 21 juni 2008 te Parijs veroordeeld tot het betalen van 1 euro aan Chatherine Hutin in plaats van de geëiste 200.000 euro en op 4 juni 2009 in Nanterre tot 1 euro in plaats van 310.000 euro wegens inbreuk op de privacy.
