Vincence Kramár werd op 8 mei 1877 geboren in Vysoké bij Jizerou in Bohemië. Hij studeerde in 1896 enkele maanden aan de Academie van Praag en daarna aan de universiteit van Praag, München en Wenen (1899-1901). Tussen 1902 en 1908 maakte Kramár diverse reizen naar Italië. Vanaf 1909 begon Kramár een kunstcollectie op te bouwen. In 1910 maakte Kramár reizen door West-Europa en bezocht hij vele musea en tentoonstellingen zowel van oude als moderne kunst. In september 1910 bezocht hij voor het eerst Parijs. Op 7 oktober bracht Kramár een bezoek aan de galerie van Ambroise Vollard en kocht van hem schilderijen van Othon Friesz en Albert Marquet. Kramár bezocht ook het atelier van André Derain en kocht van hem enkele werken. Op 25 oktober 1910 bracht Kramár zijn eerste bezoek aan de galerie van Daniel-Henry Kahnweiler. Kramár kocht ook bij Clovis Sagot en Berthe Weill.
In 1911 trouwde Kramár met Marie Goldnaglova (1890-1974) en spoedig werd zoon Vincenc geboren. Via brieven bleef Kramár in contact met Kahnweiler, die hem op de hoogte hield van het werk van Pablo Picasso. Kramár kocht als eerste werk van Picasso op 22 mei 1911 de gouache Harlequin uit 1909 en op 26 mei 1911 bij Vollard het bronzen Vrouwenhoofd van Picasso uit 1909. Ook kocht hij van Vollard Picasso's zelfportret uit 1907 en Vrouw in een armstoel uit 1910. Bij dit verblijf in Parijs ontmoette Kramár Picasso en kocht hij via Kahnweiler zes schilderijen van Picasso. Op nevenstaande foto uit 1931 zien we achter Kramár het zelfportret uit 1907, in het midden Mandoline en Pernodglas uit 1911 en rechts Vrouw met gitaar bij de piano uit 1911 van Picasso.
Tot 1914 kocht hij via Kahnweiler vele werken van Georges Braque, Picasso en Derain. Via Kahnweiler en Picasso probeerde Kramár de grote verzameling El Greco's van Zuloaga te zien. Kramár bezocht Parijs van 24 april tot 31 mei 1911 en van 25 november tot 9 december 1911. Ook in 1912 bezocht Kramár van 25 april tot 5 mei Parijs. Op 30 april 1912 tekende Picasso voor Kramár de route van Place Pigalle naar Picasso's studio in Le Bateau-Lavoir. Kramár ontmoette Picasso opnieuw tijdens zijn bezoek van 7 mei tot 25 juni 1913. In 1913 bezocht Kramár in München de galerie van Heinrich Thannhauser en kocht daar het schilderij Viool, glas, pijp en anker (Herinnering aan Le Havre) uit 1912 van Picasso. Volgens Pepe Karmel in Picasso and Braque a symposium werden de schilderijen Mandoline en Pernodglas uit 1911 en Viool, glas, pijp en anker (Herinnering aan Le Havre) uit 1912 door Kramár in juni 1912 gekocht via Kahnweiler.
In 1913 kocht Kramár het schilderij Stilleven met klarinet van Georges Braque. In Praag kon men zijn grote particuliere verzameling van kubistische werken bezoeken. Via Kahnweiler werd hij tijdens het jaar op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. Zo zond Kahnweiler hem in 1912 het boek La Jeune peinture francaise van André Salmon en Du Cubisme van Jean Metzinger en Albert Gleizes.
In 1914 werd Kramárs dochter Ruzena geboren. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam er een eind aan de jaarlijkse bezoeken aan Parijs. Na de Eerste Wereldoorlog werd Tsjechië samen met Slowakije op 28 oktober 1918 een zelfstandige republiek met Tomas Masaryk (1850-1939) als president. In 1919 werd Kramár directeur van Obrazarna Spolecnosti vlasteneckých prátel umení v Cechách (=Galerij van de Vereniging van Vaderlandse Vrienden van de kunsten in Bohemen), die later overging in Národní Galerie in Praag. In 1923 werd Kramár door de Tsjechische regegering met een speciale opdracht naar Parijs gestuurd om Franse kunst te kopen voor de Národní Galerie. Ook Emil Filla maakte deel uit van de delegatie. Er werd voor 6 miljoen Tsjechische kronen gekocht.
Kramár schreef een boek over Picasso en publiceerde in 1921 in Brno zijn boek Kubismus. Dit boek, dat voorzien was van 23 afbeeldingen van werken van Picasso en één van Braque, werd uitgegeven min of meer als speciaal nummer van het Tsjechische tijdschrift Moravsko-slezská. In 2002 verscheen in Parijs de Franse vertaling Le Cubisme.
In 1932 verscheen van Kramár het boek Umeni Emila Filly a Antonina Procházky (=De kunst van Emil Filla en Antonin Procházka) te Opava (Silezië). Het was de eerste monografie over Filla en Procházka. In hetzelfde jaar maakte Kramár voor het eerst sinds 1923 weer een reis naar Parijs, waar hij Kahnweiler, Picasso, Braque, de Exposition Picasso in Galerie Georges Petit en de collectie van Raoul la Roche bezocht.
Op 31 januari 1939 werd Kramár gedwongen om zijn functie bij Obrazarna Spolecnosti vlasteneckých prátel umení v Cechách op te geven. Na de Tweede Wereldoorlog weigerde Kramár om directeur te worden van de Národní Galerie. In de volgende jaren schreef Kramár diverse brieven en artikelen om het kubisme te verdedigen. In 1958 verscheen het boek Vragen over Moderne Kunst, waaraan hij een aantal jaren had gewerkt. Op nevenstaande foto uit 1947 zien we naast Kramár het Doos, kopje, appel en glas van Picasso uit 1909, daarboven Viool en glas van Braque uit 1910-1911 en rechts Vrouw van Picasso uit 1907.
In de herfst 1959 bracht Kahnweiler een bezoek aan Kramár en zijn verzameling in Kramárs woning aan de Kortlarka te Praag. Eind vijftiger jaren ging de communistische staat druk uitoefenen op particuliere verzamelaars. Het bezit moest aan de staat komen. Ook op Kramár werd druk uitgeoefend en na diverse besprekingen kreeg Kramár de mogelijkheid om werken aan de Staat te schenken in plaats van een groot bedrag te betalen. Kort voor zijn dood op 7 november 1960 te Praag schonk hij dertig werken uit zijn verzameling aan de Tsjechische Staat, de rest werd tussen zijn twee kinderen verdeeld. Het nationale museum Národní Galerie te Praag hield in 1960 de expositie Donation Vincenc Kramár.
Van 10 januari t/m 3 maart 1968 werd in het Museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam de tentoonstelling Het Cubisme te Praag en de verzameling Kramár gehouden. De tentoonstelling was eerder te zien in The Tate Gallery te Londen in september-oktober 1967 en in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in november-december 1967.
Na de fluwelen revolutie in 1990 waarmee Tsjechoslowakije brak met de Sovjet Unie probeerden de erfgenamen de werken, die Kramár in 1960 had afgestaan, te vergeefs via het gerecht terug te krijgen. In 2000 werd een expositie gehouden in de Národní Galerie onder de titel Vincenc Kramár - od starych mistruk Picassovi (=Vincenc Kramár: Van Oude meesters tot Picasso). Deze expositie zou ook in het Musée Picasso worden gehouden, maar vlak voor de opening te Praag werd het uitvoeren van de werken door de Tsjechische regering verboden. Wel verscheen op 1 december 2002 het boek Vincenc Kramár: Un théoricien et collectionneur du cubisme à Prague geschreven door Jana Claverie, Hélène Klein, Vojtech Lahoda en Olga Uhrova (ISBN: 2711844102). Ook verscheen op 1 november 2002 in samenwerking met de École nationale supérieure des Beaux-Arts de Franse vertaling van Kramárs boek over het kubisme uit 1921 onder de titel Le cubisme (ISBN: 284056114X).
Zie voor de werken de webpagina: Kubistische verzameling Vincenc Kramár.