De Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein tekende gelegen in haar ziekenhuisbed op 23 juli 1946 haar testament, dat opgesteld was door de in Frankrijk werkende Amerikaanse advocaat Charles D. Morgan. Op 19 juli was zij opgenomen in het Hôpital Américain de Paris, Boulevard Victor Hugo 63 in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine. Enkele dagen eerder waren Gertrude en haar levenspartner Alice Toklas voor een vakantie vanuit Parijs vertrokken naar het huis Le Prieuré St. Martin van Bernard Faÿ (1893-1978) in Luceau, een dorp gelegen tussen Le Mans en Tours. Faÿ, die gevangen zat in Fresnes in afwachting van zijn proces in verband met zijn collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog, had hen uitgenodigd. In december 1946 werd hij veroordeeld tot o.a. verbeurd verklaring van zijn bezittingen en levenslange dwangarbeid, maar hij ontsnapte tijdens een ziekenhuisbezoek op 30 september 1951. Hij wist te ontkomen naar Zwitserland en kreeg in 1959 gratie van de Franse president.
Tijdens een uitstapje werd Gertrude zo ziek, dat in Azay een dokter erbij werd geroepen. Hij verzorgde een afspraak bij een specialist in Parijs. Met de trein gingen Alice en Gertrude naar Parijs waar Allan Stein stond te wachten met een ambulance. Die bracht Gertrude naar het ziekenhuis in Neuilly-sur-Seine. Op 26 juli brachten Allan en zijn vrouw Roubina een bezoek aan Gertrude in het ziekenhuis. De volgende dag zou zij geopereerd worden.
Gertrude overleed nadat zij nog bijgekomen was van de zware operatie op 27 juli 1946. Dokters probeerden haar nog te redden na een hartstilstand, maar na een uur werd de poging gestaakt en de dood vastgesteld om 18:30 uur. Aanwezig waren Alice Toklas en Gertrudes neef Daniel (roepnaam Dan) Raffel en zijn vrouw. Daniel Raffel was het oudste kind van Gertrudes zus Bertha, die getrouwd was met Jacob (roepnaam Jay) Raffel. Gertrude Stein werd pas op 22 oktober 1946 begraven op de begraafplaats Père Lachaise te Parijs. Alice B. Toklas overleed op 7 maart 1967 en werd naast haar levenspartner in Division 94 begraven. Op de webpagina Cemetery of Père-Lachaise van de website About.com wordt als u Stein intikt de juiste plaats aan de noordkant van de begraafplaats bij de hoek Avenue Circulaire en Avenue Pacthod aangegeven. Door te tikken op de aangegeven plaats wordt een foto van het graf getoond.
Gertrude Stein liet haar manuscripten en correspondentie met literaire waarde na aan de Yale University in New Haven (Connecticut). Het nevenstaande schilderij Portret van Gertrude Stein van Pablo Picasso uit 1905-1906 werd door Gertrude geschonken aan het Metropolitan Museum of Art in New York. Naast haar kunstverzameling en persoonlijke bezittingen had Gertrude $ 20.000 in effecten en $ 6.650 aan geld op een rekening bij de Mercantile Trust Company. De nalatenschap zou bij Gertrudes levenspartner Alice Babette Toklas blijven en daarna gaan naar Allan Daniel Stein, het enige kind van Gertrudes overleden broer Michael Stein en zijn vrouw Sarah. Alice Toklas, die 69 jaar was, en Allan Stein, die 50 jaar was, werden samen executeur-testamentair zonder daarvoor een vergoeding te krijgen. Voor het levensonderhoud van Alice was de volgende tekst opgenomen. In so far as it may become necessary for her proper maintenance and support, I authorize my Executors to make payments to her from the principal of my Estate, and, for that purpose, to reduce to cash any paintings or other personal property belonging to my Estate. Bovendien mochten de executeurs Carl van Vechten (1880-1964) alles betalen voor het publiceren van de nog niet uitgegeven manuscripten. Van Vechten had Gertrude en Alice voor het eerst ontmoet op 31 mei 1913 toen hij dineerde bij hen. Hij was op 29 mei aangekomen in Parijs en zocht met een aanbevelingsbrief van Mabel Dodge contact. Als antwoord werd hij uitgenodigd. Het was het begin van een levenslange vriendschap.
Het testament moest volgens het testament worden ingeschreven in de Amerikaanse staat Maryland. De drie kinderen van haar overleden zus Bertha werden niet genoemd als erfgenaam. Bij de registratie van het testament in Baltimore verviel echter de aanwijzing van Toklas en Allan Stein als executeur, daar zij geen inwoners van Baltimore waren. Volgens de schrijver Edward Burns stelde de rechtbank advocaat Edgar Allan Poe aan als administrateur voor de nalatenschap. Afwijkend van het testament regelde hij een vast maandgeld van $ 400 voor Toklas.
Volgens de aanwezige correspondentie in de nalatenschap van Gilbert Avery Harrison aan de University of California te Los Angeles (=UCLA) was Daniel C. Joseph in 1965 de administrateur. Ook een afschrift van het testament bevindt zich in de Gilbert A. Harrison Collection bij de UCLA.
In 1934 werd voor de verzekering van de kunstverzameling bij Lloyd's te Londen een inventaris gemaakt, die gedateerd was op 19 februari 1934. De lijst bevindt zich in het Stein Archives in het Harry Ransom Center van de University of Texas te Austin. Begin 1938 werd door Janet Flanner (1892-1978), die de nieuwe woning in de Rue Christine kwam bezoeken, op verzoek van Gertrude een inventaris gemaak van de kunstverzameling. Zij telde 131 grote schilderijen, waarvan 104 van Picasso. Flanner, een Amerikaanse jounaliste die o.a. van 1925 tot 1975 als Parijse correspondent voor het blad The New Yorker werkte, was in 1921 naar Parijs gegaan en een regelmatige bezoekster in de Rue de Fleurus geworden. Flanner zou Alice Toklas nog helpen door het weghalen van de kunstverzameling openbaar te maken in Letter from Paris in The New Yorker van 16? december 1961.
Om diverse kosten te betalen werden in de loop der tijd diverse kunstwerken verkocht. Drie schilderijen werden in april 1947 via Galerie de Baune verkocht aan Dr. Ralph Withington Church te Santa Barbara (Californië) om de ziekenhuiskosten en de Franse en Amerikaanse successierechten te betalen. Toklas en Allan Stein schonken aan de Yale Collection of American Literature een aantal werken, waaronder het portret van Gertrude Stein van Francis Picabia uit 1933, om het Stein Archive met de literaire werken meer zichtbaar te maken. Het nevenstaande post-kubistische schilderij Calligrafisch Stilleven van Picasso uit 1922 werd in juli 1949 verkocht aan de kunsthandel M. Knoedler & Co. te New York om Carl van Vechten kapitaal te verschaffen. Dit vermeldde Toklas in een brief gedateerd 23 maart 1948 aan Donald C. Gallup (1913-2000), een curator van de Yale Collection of American Literature. Picasso had Toklas verteld, dat het schilderij 10.000 francs waard was. In 1953 kocht The Art Institute of Chicag het werk bij de genoemde kunsthandel. In de periode 1950-1951 verkocht Alice Toklas een gouache uit 1904 en een tekening uit 1905 van Picasso om de eerder genoemde Bernard Faÿ aan geld te helpen. In 1953 verkocht Toklas via de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler 42 tekeningen van Picasso uit de periode 1903-1907.
De bezittingen van Gertrude Stein in de V.S. brachten echter niet voldoende op en in 1957 was er overleg tussen de advocaat van Toklas en de advocaten van de erfgenamen Stein. Overeengekomen werd de verkoop van het nevenstaande pre-kubistische schilderij La Rue-des-Bois van Picasso uit 1908. Via Galerie Louise Leiris werd het werk in 1957 verkocht aan Riccardo Juncker in Milaan. Het werk bevindt zich nu in het Museo del Novecento e Case Museo te Milaan. Daarnaast werd ook nog een terracotta kop van Picasso uit 1908 verkocht aan Kahnweiler. Hij schonk in 1957 het werk aan het Musée National d'Art Moderne te Parijs. Nadat de kosten van de advocaten in Frankrijk en de V.S. en de verzekering van de kunstwerken waren betaald bleef nog geld over voor Toklas' onderhoud in enkele komende jaren.
In 1961 probeerde Toklas opnieuw via verkoop van twee werken van Picasso, waaronder het kleine nevenstaande papier collé Gitaar met muziekpapier uit 1913, haar financiële situatie te verbeteren. De erfgenamen Stein tekenden protest aan en wonnen het geschil bij een rechtzaak. De verkoop werd teruggedraaid en volgens een brief van Toklas' advocaat Russell Porter, gedateerd 3 augustus 1962, moest Toklas in ieder geval één werk terugkopen.
Daar Allan Stein overleed op 18 januari 1951 werden Allans kinderen Michael, Gabrielle en Daniel Stein de erfgenamen. Daniel, geboren op 27 augustus 1927, was het enige kind uit Allans eerste huwelijk met Yvonne Daunt. Allans weduwe Roubina zorgde voor problemen, daar zij haar twee kinderen Michael, geboren in 1938?, en Gabrielle, geboren in 1940, mee wilde laten delen bij de opbrengst van de verkoop van kunstwerken. Terwijl Alice Toklas in Rome verbleef om het winterse weer in Parijs te ontlopen was de kunstverzameling door de erfgenamen geïnventariseerd. Roubina merkte o.a. dat er tekeningen van Picasso ontbraken. De erfgenamen verkregen een gerechtelijk bevel om de gehele verzameling uit huis te halen op grond van langdurige afwezigheid waardoor er onvoldoende toezicht was en de kunstwerken te lijden zouden hebben van de temperatuur. De kunstverzameling werd ondergebracht in een kluis van de Chase Bank te Parijs. Toen Toklas in juni 1961 terugkeerde in Parijs trof zij een leeg appartement.
Een bijkomend probleem voor Toklas was het feit dat het gebouw waar zij woonde in dezelfde periode werd verkocht. De nieuwe eigenaar meende door haar verblijf in Rome, dat de woning beschikbaar was. Doordat Janet Flanner, Monroe Wheeler en Virgil Thomson een beroep deden op André Malraux, de minister van cultuur, kon de woning voor Toklas voorlopig behouden blijven. Uiteindelijk werd via het gerecht bepaald, dat Toklas eind 1964 moest verhuizen. Toklas verhuisde naar de Rue de la Convention.
Flanner en Doda Conrad, de culturele attaché op de ambassade van de V.S., schreven diverse brieven naar de advocaten van de erfgenamen om het geldgebrek van Toklas op te lossen. Op 7 maart 1967 overleed Alice Toklas. De laatste jaren had zij hoofdzakelijk in bed doorgebracht en had zij last van doof- en blindheid.
Alice Toklas had de hoop, dat de kunstverzameling na haar dood door Allan Stein aan de Yale Library zou worden geschonken als aanvulling op de al gegeven werken. Zelf schonk zij o.a. de nevenstaande twee stoelen, die zij na een ontwerp van Picasso begin jaren dertig had geborduurd, en het door Dora Maar nevenstaande geschilderd portret van haar. De overgebleven werken van de kunstverzameling werden echter niet aan de Yale Library geschonken. De stoelen zijn op een foto uit 1922 met de oude bekleding te zien en op een foto die gepubliceerd werd op 30 maart 1934 in de Gazette des beaux-arts met de nevenstaande bekleding.
Gezien het thema van deze website wordt uitsluitend gekeken naar de kubistische werken van Juan Gris en Picasso. De erfgenamen wilden de kunstverzameling verkopen, daar zij o.a. successierechten moesten betalen. Op 22 februari 1947 maakte de Franse Staat daarvoor een inventaris op. Volgens de schrijver James R. Mellow werden de werken van Picasso in de lente van 1968 van Parijs naar Londen gebracht en bleven de werken van Gris in Chase Manhatten Bank in Parijs.
De overeenkomst met het consortium werd op 14 december 1968 getekend. William Rubin (1927-2006) en William Lieberman (1923-2005), twee curators van het museum, kozen zes werken uit de 47 gekochte werken van de kunstverzameling, die absoluut in aanmerking kwamen voor het museum. Het consortium sprak af deze werken, wie ze ook zou verwerven, aan het museum te schenken. De deelnemers aan het consortium konden na loting voor de volgorde steeds een keuze maken uit de kunstverzameling. In de collectie waren nog de volgende kubistische werken.
| kunstwerk | titel | jaar | aangekocht door |
![]() | Glazen op een tafel | 1913-1914 | André Meyer |
![]() | Boek en Glazen | 1914 | E.V. Thaw, Inc. |
![]() | Bloemen | 1914 | Nelson Rockefeller |
![]() | Tafel voor het raam | 1921 | E.V. Thaw, Inc. |
![]() | Het groene kleed | 1925 | David Rockefeller |
![]() | Schaal met peren | 1926 | ? |
![]() | Scheepsdek | 1924 | Nelson Rockefeller |
| kunstwerk | titel | jaar | aangekocht door | nu (dec. 2011) te zien in |
![]() | zelfportret | 1906 | André Meyer | Metropolitan of Art, New York |
![]() | Hoofd van een zeeman | 1906-1907 | David Rockefeller | |
| Hoofd van een slapende vrouw | 1907 | John Hay Whitney | Museum of Modern Art, New York |
| La Rue-des-Bois | 1908 | André Meyer | |
![]() | Landschap | 1908 | David Rockefeller | Museum of Modern Art, New York |
| Glazen en fruit | 1908 | Nelson Rockefeller | Museo Yhyssen-Bornemisza, Madrid |
| Stilleven met fruit en glas | 1908 | John Hay Whitney | Museum of Modern Art, New York |
| Vaas, kalebas en fruit op een tafel | 1908 | John Hay Whitney | Yale University Art Gallery, New Haven |
| Het reservoir, Horta de Ebro | 1909 | David Rockefeller | |
| Huizen op een heuvel, Horta de Ebro | 1909 | Nelson Rockefeller | Museum Berggruen, Berlijn |
![]() | Le Journaal | 1912 | John Hay Whitney | |
| De tafel van de architect | 1912 | William S. Paley | Museum of Modern Art, New York |
![]() | Het kleine glas | 1912 | ? | |
![]() | Viool | 1912 | André Meyer | |
![]() | Gitaar op een tafel | 1912 | Marlborough Gallery | Hood Museum of Art, Hanover, New Hampshire |
![]() | Man met gitaar | 1913 | André Meyer | |
![]() | Student met pijp | 1914 | Nelson Rockefeller | Museum of Modern Art, New York |
![]() | Vrouw met gitaar | 1914 | David Rockefeller | Museum of Modern Art, New York |
![]() | Stilleven met rumfles | 1914 | John Hay Whitney | |
![]() | Kruik, pot en citroen | 1907 | David Rockefeller | |
![]() | Nez quart de Brie (studie) | 1907 | Georges en Edna Seligmann | Kunsthalle, Hamburg |
![]() | Hoofd van een vrouw in bruin en zwart | 1907 | Nelson Rockefeller | |
![]() | Studie voor Naakt met gordijn | 1907 | Nelson Rockefeller | |
![]() | Studie voor Naakt met gordijn | 1907 | Lionel Steinberg | Museo Thyssen-Bornemisza |
![]() | Gitaar op een tafel | 1912 | Nelson Rockefeller | |
![]() | Studie voor een viool | 1912 | Nelson Rockefeller | |
![]() | Stuk peer, wijnglas en klaveraas | 1914 | John Hay Whitney | Yale University Art Gallery, New Haven |
![]() | Gitaar | 1918 | David Rockefeller |

Linda Wagner-Martin: 'Favored Strangers' Gertrude Stein and her family, New Brunswick 1995, ISBN: 0-8135-2169-6.