Gertrude Stein werd geboren op 3 februari 1874 te Allegheny (nu een deel van Pittsburgh), Pennsylvania, waar haar vader, Daniel Stein, samen met zijn broer een textielhandel had. Toen Gertrude 6 maanden was kwam zij met haar familie begin juli 1875 voor het eerst naar Europa. De familie woonde een lange tijd in Wenen en vanaf 24 december 1877 in Parijs. Vader Stein, die heen en weer reisde tussen Europa en de Verenigde Staten verdiende zijn geld met o.a. onroerend goed en aandelenhandel. Na ruim een jaar keerde de familie via Londen begin 1879 terug naar Amerika (East Oakland, Californië). In 1888 overleed Gertrudes moeder en in januari 1891 overleed Gertrudes vader plotseling. De kinderen Stein verhuisde naar San Francisco. Gertrude en en haar zus Bertha trokken in 1892 in bij een welvarende tante in Baltimore. In september 1893 ging Gertrude psychologie studeren aan de in 1879 geopende Havard Annex, een onderwijsinstelling voor vrouwen aan de Harvard University in Cambridge (Massachusetts). Het onderwijs was gescheiden voor mannen en vrouwen. Havard Annex kreeg in 1894 de naam Radcliffe College. Daar zij geen toelatingsexamen Latijn had afgelegd kon zij de studie niet afronden. Terwijl zij vanaf 1897 al medicijnen studeerde aan Johns Hopkins University in Baltimore werkte zij met hulp van Margaret Lewis en haar nicht Helen Keyser haar Latijn bij en haalde het examen en studeerde zij af aan het Radcliffe College. In Baltimore ontmoette Gertrude de zussen Claribel en Ette Cone. Het zou een levenslange vriendschap opleveren. Totdat haar broer Leo, die ook aan het Johns Hopkins University studeerde, besloot naar Italië te gaan om de kunst te bestuderen woonden zij samen in Baltimore. Haar oudere broer Michael beheerde een ruim privékapitaal dat haar in staat stelde een onafhankelijke opinie en een bohémienachtige levensstijl op na te houden. Zij reisde in 1900 door Europa: Italië, Duitsland en Engeland en woonde korte tijd bij haar broer Leo in Londen. In Parijs bezochten zij de wereldtentoonstelling.
Tijdens de zomer van 1901 bezocht Gertrude samen met Leo Spanje en in 1902 Florence en Londen. Pas begin februari 1903 vertrok zij naar New York. 's Zomers ging Gertrude weer naar Europa en bezocht zij samen met Leo Florence, Siena en Rome. Daarna verbleef zij in het appartement aan de Rue de Fleurus 27 in Parijs, dat Leo begin 1903 had gehuurd. Begin 1904 keerde Gertrude voor korte tijd terug naar de V.S. om in juni met Mabel Weeks terug te keren naar Parijs. Daar trok zij in bij Leo en volgde enige lessen aan de Académie Julian. Leo en daarna Gertrude gingen kunst verzamelen. De Steins vormden het middelpunt van een grote groep Amerikanen, schilders en dichters, die vooral op zaterdagavond langs kwamen. Vooral jonge studenten, die geen Frans spraken, weinig geld hadden en weinig wisten van het kunstmilieu, waren de gasten. Een van de eersten was de Amerikaanse schilder Alfred Maurer. Andere bezoekers waren o.a. Patrich Henry Bruce, Walter Pach, Max Weber, Marsden Hartley, Man Ray, Arthur B. Davies, Walt Kuhn, de fotograaf Edward Steichen, Alfred Stieglitz, de verzamelaar Albert Barnes en de schrijver Gelett Burgess.
In 1904 bracht Gertrude een bezoek aan de V.S. en kwam in juni 1904 terug naar Parijs in gezelschap van Etta Cone. Via Clovis Sagot, die een kleine galerie had, ontmoette Gertrude Pablo Picasso. Een andere schilder die bij de Steins over de vloer kwam was Henri Matisse. Op zekere dag bracht Matisse een bezoek aan Gertrude Stein en liet haar een zo juist bij Père Sauvage gekocht Afrikaans beeldje zien. Toen later ook Picasso op bezoek kwam zag Picasso het beeldje en hield het de hele avond in zijn handen. De volgende ochtend kwam Matisse bij Picasso in zijn atelier en zag de vloer bezaaid met vellen tekenpapier. Op elk stond vrijwel hetzelfde: een groot vrouwengezicht met één enkel oog. Het kubisme was geboren.
Voor Gertrude was de reis van haar broer Michael en schoonzus Sarah naar San Francisco na de aardbeving van 1906, waardoor San Francisco getroffen was, achteraf van groot belang. Op een party ontmoetten haar broer en schoonzus Alice B. Toklas (1877-1967), die uit hetzelfde gegoede Joodsmilieu kwam als de Steins. Alice Babette Toklas was op 30 april 1877 te San Francisco geboren. Haar ouders Ferdinand en Emma Toklas kregen tien jaar later nog een zoon, Clarence. In 1890 verhuisde de familie Toklas naar Seattle waar Alice school ging op het Mt. Rainier Seminary. In 1893 ging zij studeren aan het conservatorium van de University of Seattle. In 1895 keerde de familie terug naar San Francisco wegens ziekte van de moeder. Haar moeder overleed in 1897 waarna Alice voor het huishouden ging zorgen.
Door de enthousiaste verhalen van vriendin Annette Rosenshine, die met Michael en Sarah Stein naar Parijs was gegaan, besloot Alice samen met haar vriendin Harriet Levy, die Alice $ 1000 had geleend, naar Parijs te gaan. Op 8 september 1907 arriveerde Alice Toklas in Frankrijk. Na een overnachting in Caen kwamen zij op 9 september in Parijs aan, waar zij 's avonds werden uitgenodigd door Michael en Sarah Stein. Ook Gertrude was bij het diner aanwezig. Op 28 september werd Alice uitgenodigd bij Gertrude en Leo Stein. Ook Picasso en Fernande waren die avond uitgenodigd. In augustus 1910 trok Alice B. Toklas in bij de Steins.
Gertrude zorgde ervoor, dat Picasso naamsbekendheid kreeg in de Verenigde Staten, door een artikel met de titel Picasso te schrijven voor Camera Work in het augustusnummer van 1912. Camera Work werd van januari 1903 tot eind 1917 uitgegeven door de fotograaf Alfred Stieglitz.
Na een reis naar Spanje werden Gertrude en Alice in 1912 uitgenodigd door Mabel Dodge (1879-1962) voor een verblijf aan haar Italiaanse Villa Curonia in de Via delle Piazzole te Arcetri, een dorp in de buurt van Florence. De bankiersdochter Mabel Ganson was sinds oktober 1904 getrouwd met de architect Edwin Dodge (1874-1938), nadat zij in 1903 weduwe was geworden. In juli 1900 was Mabel getrouwd met Karl Evans en in januari 1902 werd zoon John geboren. In 1903 kwam Karl om bij een ongeluk tijdens een jacht. Gertrude schreef in de villa Portrait of Mabel Dodge at the Villa Curonia. Dodge liet driehonderd exemplaren drukken en stuurde die naar vrienden en kennissen.
In januari 1913 brachten Gertrude en Alice een bezoek aan Engeland om een uitgever voor haar werken te vinden. Zij verbleven o.a. bij Roger Fry en maakten zij kennis met de uitgever John Lane. Begin 1913 was de vriendschap tussen Gertrude en Alice, die als secretaresse voor Gertrude werkte, veranderd in een liefdesrelatie, waardoor er een breuk kwam tussen Gertrude en haar broer Leo. Dit had tot gevolg dat de kunstverzameling verdeeld werd. Zie eventueel de webpagina: Het kunstbezit van Leo en Gertrude Stein. Gertrude en Alice zouden verhuizen, maar Leo vertrok in april 1914 naar Italië waardoor het appartement in de Rue de Fleurus weer beschikbaar kwam. Gertrude en Alice besloten niet te verhuizen, maar de woning in de Rue de Fleurus te moderniseren. Zo werd er elektriciteit aangelegd en de potkachel werd vervangen door een openhaard.
Op 5 juli 1914 kwamen Gertrude en Alice uit Parijs aan op het Victoria Station in Londen om een contract te tekenen voor het uitgeven van Gertrudes boek Three Lives bij John Lane. Terwijl zij het weekend na het tekenen van het contract doorbrachten in Lockridge bij Alfred North Whitehead (1861-1947), die samen met Bertrand Russell Principia Mathematica schreef, trokken de Duitse legers België en daarna Frankrijk binnen. Pas na de Slag aan de Marne keerden Gertrude en Alice op 15 oktober 1914 terug naar Parijs. In het voorjaar van 1915 ontvluchtten Gertrude en Alice Parijs na een Duits bombardement uit twee Zeppelins, dat plaats vond op 21 maart. Via Barcelona gingen zij naar Mallorca waar zij tot het voorjaar van 1916 bleven in Terreno. Geldgebrek zorgde voor de verkoop van het schilderij Vrouw met hoed van Matisse voor $ 4000 aan Michael en Sarah Stein in februari 1916. Via Madrid keerden Gertrude en Alice op 20 juni 1916 terug in Parijs. Terug in Parijs werden zij vrijwilligsters bij de American Fund for French Wounded (=AFFW) voor het bevoorraden van de ziekenhuizen. In februari 1917 kwam uit Amerika een Ford aan waarmee zij in maart aan de slag gingen. Zij gingen helpen in Parijs, Perpignan en Nîmes. Terwijl zij in Nîmes waren stuurde Michael Stein in april 1918 een aantal schilderijen naar Nîmes in verband met de herhaaldelijke beschieting van Parijs door het Duitse Leger. Michael verzekerde de schilderijen voor 40.000 francs. Na de wapenstilstand van 11 november 1918 vroeg het hoofd van de AFFW, Isabel Lanthrop, aan Gertrude en Alice om te helpen in de Elzas daar zij Duits spraken. Zij sloten de vestiging in Nîmes en via Parijs reden zij met de auto richting Strasbourg. Vanuit Mulhouse verdeelden zij de hulpgoederen tot de Franse Staat het overnam. In de lente van 1919 keerden zij terug naar Parijs. Nadat Kahnweiler uit het buitenland was teruggekeerd bezochten Gertrude en Alice hem geregeld op zondag in Boulogne.
Begin jaren twintig kwam door de zeer gunstige wisselkoers vele Amerikanen naar Parijs. Onder de vele bezoekers bij Gertrude en Alice waren o.a. Mina Loy, Kay Boyle, Ezra Pound, Ernst Hemingway en F. Scott Fitzgerald. Dankzij de schrijfster Edith Sitwell (1887-1964) kon Gertrude op 4 en 7 juni 1926 een voordracht geven in Cambridge en Oxford. De zomer van 1926 brachten Gertrude en Alice door in Hôtel Pernollet in Belley en reden zij in de buurt rond om een zomerwoning te zoeken. Pas in het voorjaar van 1929 konden zij een woning in Bilignin huren voor 4500 francs per jaar. Het huis had geen stromend water, maar wel een grote moestuin.
In juli 1927 verscheen van Gertrude in nummer 4 van Transition een artikel naar aanleiding van het overlijden van Juan Gris. In april 1927 waren Eugène Jolas en zijn vrouw Maria McDonald gestart met het literaire tijdschrift Transition. Denkelijk was Gertrude vanaf 1910 bevriend met Gris. In juni 1914 kocht Gertrude via de galerie van Kahnweiler haar eerste drie werken van Gris. De aanleiding was de verbouwing van het appartement. Gertrude verkocht voor de benodigde financiën drie schilderijen van Picasso en ontving daar meer voor dan nodig was voor de verbouwing. Het overschot werd besteed aan drie werken van Gris.
Gertrude schreef het voorwoord voor o.a. de catalogus van de tentoonstelling In Memoriam Juan Gris 1887-1927, die gehouden werd in de Galerie Alfred Flechtheim in Berlijn in februari 1930, de tentoonstelling Paintings by Francis Picabia van 3 t/m 25 januari 1936 in de Art Club Chicago en de tentoonstelling Juan Gris van 13 juni t/m 3 juli 1938 in Galerie Roland Baläy et Louis Carré in Parijs.
Daar niemand de werken van Gertrude wilde uitgeven startten Gertrude en Alice rond 1930 de uitgeverij Plain Edition. Om de benodigde financiën te verkrijgen verkocht Gertrude via broer Michael enkele werken van Picasso aan Etta Cone. Aan de uitgeverij kwam een eind door het succes van het boek The Autobiography of Alice B. Toklas in 1933. Via haar literaire tussenpersoon William Aspenwall Bradley werd het boek uitgegeven door Harcourt Brace. Voor het verschijnen van het boek vanaf mei 1933 een vierdelig korte versie uitgebracht in Atlantic Monthly, een sinds 1857 in Boston (Massachusetts) bestaand tijdschrift dat nieuwe schrijvers en dichters een ruime kans gaf om nationaal door te breken. Bovendien werd het werk als 'boek van de maand' gepromoot en kreeg het vele recensies.
De bekendheid van Gertrude werd versterkt door de opera Four Saints in Three Acts van Virgil Thomson, waarvoor Gertrude het libretto schreef. Op 8 februari 1934 was de officiële premiere in het Wadsworth Atheneum in Hartford (Connecticut) met uitsluitend afro-amerikaanse artiesten. Florine Stettheimer ontwierp het decor en de costuums. Op 20 februari 1934 volgde een reeks van 70 uitvoeringen in vijftien weken op Broadway in New York. Op 24 oktober 1934 kwamen Gertrude en Alice met de S.S. Champlain, die pas sinds juni 1932 in de vaart was, vanuit Le Havre aan in New York voor meer dan 40 voordrachten in de Verenigde Staten. Op 2 november begon de reeks voordrachten in de Colony Club in New York. Tijdens het verblijf in de V.S. waren zij enkele malen de gast van Bobsy Goodspeed in Chicago. Het echtpaar Goodspeed had Stein en Toklas in de zomer van 1934 bezocht in Bilignin (Haute-Savoie), waar Stein vanaf 1929 elke zomer een huis huurde. Op 7 november vlogen Gertrude en Alice voor het eerst van hun leven. Op aandringen van Bobsy namen zij het vliegtuig om in Chicago de premiere van Four Saints in Three Acts bij te wonen. Op 4 mei 1935 gingen Gertrude en Alice aanboord van de S.S. Champlain in New York om terug te keren naar Europa. Via Parijs gingen zij bijna direct door naar Bilignin, waar het Franse leger oefende. Een bezoeker in Bilignin was Bernard Faÿ, die bezig was met de Franse vertaling van Gertrudes boek The Autobiography of Alice B. Toklas.
Vanaf eind 1937 woonden Gertrude en Alice op de eerste verdieping van de Rue Christine 5. Tijdens hun zomerverblijf in Bilignin in 1939 werd de oorlogsdreiging zo groot dat zij hals over kop naar Parijs gingen om o.a. schilderijen op te halen. Het dagelijkse leven werd door Francis Rose (1909-1979) in nevenstaand werk in 1939 vastgelegd. In juni 1940 veroverde de Duitsers Parijs en het duurde tot augustus 1944 voor Gertrude en Alice terugkeerden in Parijs. Zij brachten de oorlogstijd hoofdzakelijk door in Bilignin, maar moesten in de winter van 1942-1943 het gehuurde huis verlaten voor de oorspronkelijke eigenaar, de familie Putz. Door Mae d’Aiguy werden Gertrude en Alice i.v.m. hun joodse achtergrond ondergebracht in de villa Le Clos Poncet bij Culoz op ongeveer 20 km NO van Bilignin. Ook de historicus Bernard Faÿ (1893-1978), die na de oorlog veroordeeld werd in verband met de dood van vele vrijmetselaars, hielp Gertrude en Alice. Op nevenstaande foto uit 1937 zitten Gertrude en Faÿ op een muur van het zomerverblijf in Bilignin.
Op 28 juli 1944 schreef Faÿ op initiatief van Picasso een verzoek tot bescherming van de kunstverzameling van Gertrude in de Rue Christine. Faÿ schreef op 31 juli aan Picasso, dat hij de verzekering had gekregen, dat de kunstverzameling onaangeroerd zou blijven.
De schilderijen overleefden de oorlog in Parijs. Na de Tweede Wereldoorlog werd Gertrudes woning op Rue Christine 5 een ontmoetingsplaats voor de Amerikaanse soldaten. In december 1945 voelde Gertrude tijdens een bezoek aan Brussel hevige pijn. Een paar maanden later werd vastgesteld dat zij kanker had. Op 19 juli 1946 werd zij opgenomen in het ziekenhuis in Neuilly-sur-Seine, waar zij op 23 juli haar testament maakte en 27 juli 1946 overleed. Aanwezig waren Alice en Gertrudes neef Daniel Raffel en zijn vrouw. Daniel Raffel was de oudste zoon van Gertrudes zus Berthe. Gertrude Stein werd pas op 22 oktober begraven op de begraafplaats Père Lachaise te Parijs. In 1963 verscheen van Toklas haar biografie What is Remembered. Alice B. Toklas overleed op 7 maart 1967 en werd bij haar levenspartner begraven. Op haar verzoek werd haar naam gegraveerd op de achterkant van de eenvoudige grafsteen.
Op 25 mei 1985 werd in Bilignin aan de villa waar Gertrude en Alice de zomers in de periode 1929-1943 doorbrachten een gedenkplaat aangebracht. Ook aan de gevel van de woning in de Rue de Fleurus werd een gedenkplaat aangebracht (zie nevenstaande foto).
Na de dood van Gertrude Stein in 1946 was haar neef Allan, de zoon van haar broer Michael en schoonzus Sarah, de enige erfgenaam van de kunstverzameling, maar kreeg Toklas volgens het testament de kunstverzameling in bruikleen. Alleen het schilderij Portret van Gertrude Stein van Picasso uit 1905-1906 erfde het Metropolitan Museum of Art te New York. Daar Allan overleed in 1951 werden Allans kinderen Michael, Gabrielle en Daniel Stein de erfgenamen. De collectie, die bij de dood van Toklas in 1967 al sinds 1961 was opgeslagen in de Chase Manhattan Bank te Parijs, was min of meer bestemd voor het Museum of Modern Art te New York, maar het museum had niet de financiële middelen om voor $ 6 miljoen de kunstverzameling te kopen. Onder leiding van David Rockefeller, voorzitter van de Board of Trustees, werd een consortium gevormd. Deelnemers waren naast David zijn broer Nelson Rockefeller, William S. Paley (1901-1990), John Hay Whitney en André Meyer. De erfgenamen verkochten 38 werken van Pablo Picasso en 9 van Juan Gris. William Rubin (1927-2006) en William Lieberman (1923-2005), twee curators van het museum, kozen zes werken uit de kunstverzameling, die absoluut in aanmerking kwamen voor het museum. Het consortium sprak af deze werken, wie ze ook zou verwerven, aan het museum te schenken. De kunsthandelaar Eugène Thaw werd de schakel tussen de erfgenamen en het consortium en slaagde erin snel overeenstemming te verkrijgen. De deelnemers aan het consortium konden na loting voor de volgorde steeds een keuze maken uit de kunstverzameling.
In 1909 verscheen het eerste boek van Gertrude Stein, n.l. Three Lives, waar in korte verhalen de mentale processen van drie vrouwen werd beschreven. In 1925 verscheen The Making of Americans, en in 1933 Autobiography of Alice B. Toklas dat in 1934 in een Franse vertaling uitkwam. Daarnaast schreef zij een boek over Picasso met daarin haar opvattingen over het kubisme (1938) en een artikel over Juan Gris in Transition (1927). Met haar vurige pleidooien zorgde zij vooral in Amerika voor het bekend worden van het kubisme. Ook schreef zij twee libretto's voor de opera Four Saints in Three Acts (1934) en The Mother of Us All (1947) beide van Virgil Thomson. Andere titels waren: Tender Buttons (1914), Composition as Explanation (1926), How to Write (1931), Narration (1935), Lectures in America (1935), Wars I Have Seen (1945), Brewsie and Willie (1946), Things As They Are (1951).
Diverse kunstenaars hebben een portret van Gertrude gemaakt.
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | nu te zien in/opmerking |
![]() | Gertrude Stein | Pablo Picasso | 1905-1906 | Olieverf op linnen. Nu in het Metropolitan Museum of Art, New York |
![]() | Gertrude Stein | Jacques Lipchitz | 1920 | Brons. Zowel in het Museum of Modern Art te New York als in het Centre Pompidou te Parijs is een exemplaar aanwezig. |
![]() | Gertrude Stein | Francis Picabia | 1937 | Olieverf op linnen. Nu privébezit Pittsburgh. |
![]() | Gertrude Stein | Louis Marcoussis | 1933 | Ets. Nu in het Museum of Modern Art, New York. Volgens informatie bij de veilinggegevens van eenzelfde etsafdruk als hiernaast zijn van de ets tien afdrukken gemaakt in 1934 en 12 in 1991. Op de veiling van 26 juni 1997 bij Christie's in Londen moest de koper £ 748 betalen voor de afdruk 6/10. |
Andere kunstenaars die een kunstwerk met de titel 'Gertrude Stein' maakten waren o.a. Christian Bérard (1902-1949) in 1928, Jo Davidson (1883-1952) in 1923, Francis Rose (1909- ) rond 1933, Pavel Tchelitchew (1898-1957) in 1930, Félix Édouard Vallotton (1865-1925) in 1907.
Opmerking
Het hierbovenstaande bronzen beeld van Gertrude Stein van Jacques Lipchitz dat nu in het Museum of Modern Art aanwezig is, werd gekocht door Etta Cone (1870-1949) nadat haar zus Claribel in 1929 was overleden. De gipsen versie van het beeld bevindt zich in het museum Kröller-Müller te Otterloo.
In 1970 maakte Perry Miller Adato een documentaire van Gertrude Steins leven met de titel When This You See, Remember Me.
Zie voor een overzicht van de kubistische schilderijen de webpagina's:
- Kubistische werken van Juan Gris aangekocht door Gertrude Stein.
- Kubistische werken van Pablo Picasso aangekocht door Gertrude Stein.

Linda Wagner-Martin: 'Favored Strangers' Gertrude Stein and her family, New Brunswick 1995, ISBN: 0-8135-2169-6.