Heinz Berggruen werd geboren op 6 januari 1914 te Wilmersdorf, een dorpje vlakbij Berlijn, dat op 1 oktober 1912 geannexeerd was door Berlijn. Hij was de zoon van de joodse handelaar in schrijfwaren, Ludwig Berggruen, en Antonie Zadek en studeerde na het Goethe-Gymnasium in Berlijn het najaar van 1932 aan de Friedrich Wilhelms Universität. Begin 1933 stapte Berggruen over op kunstgeschiedenis en literatuur in het Franse Grenoble en Toulouse. In het bezit van Licence ès lettres op zak keerde Berggruen in 1935 terug naar Berlijn. Hij schreef feuilletons voor de Frankfurter Zeitung. In 1936 verliet hij mede wegens het opkomend nazisme Duitsland en ging hij met een Berkeley-Stipendium naar de Verenigde Staten van Amerika. Hij werd journalist bij de San Francisco Chronicle en schreef vooral over kunst. Na een jaar kreeg hij een baan bij het San Francisco Museum of Art. Daar werd zijn interesse voor Paul Klee gewekt en ging hij om met Diego Rivera en Frida Kahlo.
Heinz trouwde in San Francisco in 1939 met Lillian Zellerbach en het echtpaar kreeg twee kinderen, n.l. John-Henry (1943) en Helen (1945). In 1939 zorgde Heinz ervoor, dat zijn joodse ouders uit Duitsland naar Engeland konden vluchten. Heinz werd Amerikaans staatsburger en keerde als Amerikaanse soldaat in 1941 terug in Europa. In 1945 scheidde Berggruen van Lillian. Na de oorlog werd hij redakteur in München en bij de UNESCO in Paris. Daarna werd hij kunsthandelaar en verzamelaar. In zijn kleine Parijse galerie, die in 1947 werd geopend op het Ile de la Cité en daarna in 1949 een iets grotere in de Rue de l'Université 70, stelde hij werken van Klee, Pablo Picasso, Kandinsky, Georges Braque en Henri Matisse tentoon. Hij was bevriend met Picasso en Matisse, maar ging ook om met Daniel-Henry Kahnweiler, Braque, André Breton, Louis Aragon, Tristan Tzara, Paul Éluard, Fernand Léger, Joan Miró, Alberto Giacometti, Germaine Richier, Douglas Cooper. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kocht Berggruen een aantal Klees van Douglas Cooper, die met het geld zijn kubistische verzameling uitbreidde. Heinz Berggruen vond het altijd jammer dat hij Paul Klee niet had ontmoet.
Heinz Berggruen handelde in geïllustreerde boeken, schetsen, ontwerpen en grafiek van o.a. Toulouse-Lautrec, Marc Chagall, Braque, Juan Gris, Kandinsky, Henri Laurens, Léger, Matisse, Miró, Man Ray, Wols, Picasso, Schwitters en vooral Klee. Voor de vier jaarlijkse tentoonstellingen maakte hij een meesterlijke catalogus. In 1951 leerde Berggruen via Tristan Tzara Picasso kennen.
mei - juni | 1962 | Fernand Léger |
mei - september | 1973 | Oeuvres cubistes |
mei - september | 1974 | |
november | 1977 | |
juni - juli | 1979 | Fernand Léger |
In 1959 trouwde Berggruen met de filmactrice Bettina Moissi en het echtpaar kreeg twee kinderen, n.l. Nicolas (1961) en Olivier (1963). In 1973 werd Berggruen weer een Duitse staatsburger. In 1980 stopte hij met zijn galerie en legde hij zich geheel toe op het uitbreiden van zijn kunstverzameling. Aan het New Yorkse Metropolitan Museum of Art schonk hij in 1984 zijn Klee-verzameling, groot 90 werken, maar hij ging daarna door met het verzamelen van werken van Paul Klee. Zijn verzameling werd van 1991 tot 1996 tentoongesteld in de National Gallery te Londen.
Vanaf 6 september 1996 is zijn verzameling onder de naam 'Picasso und seine Zeit' gedurende 20 jaar te zien in Berlijn. Tegenover het Slot Charlottenburg zijn in het rechter Stühlergebouw werken van Matisse, Picasso (85), Klee (50), Braque (1), Laurens, Cézanne (7) van Gogh (2) en Giacometti te zien.
Tussen de meer dan 80 werken van Picasso is een aantal uit de kubistische periode, o.a. het nevenstaande schilderij Portret van Braque van Picasso uit 1909-1910. In de loop van de tentoonstellingsjaren zijn nog 40 werken bij de tentoonstelling gevoegd. Het museum heet nu Museum Berggruen en wordt uitgebreid met het naastgelegen gebouw.
De collectie werd geschat op $ 450 miljoen dollar en op zeven werken na, n.l. 2 van van Gogh en 5 van Cézanne, wordt de collectie nu in 10 jaarlijkse termijnen gekocht door de Duitse Staat voor $ 200 miljoen. Dankzij de directeur van de Staatliche Museen zu Berlin, de heer Wolf-Dieter Dube, gaf Berggruen de voorkeur aan Berlijn ondanks dat hij de dubbele prijs kon krijgen van het Cleveland Museum of Art. De collectie wordt eigendom van de Stiftung Preussischer Kulturbesitz, een overkoepelende organisatie voor alle Berlijnse Staatsmusea. Met deze aankoop werd het gat, dat geslagen werd tijdens het 'Derde Rijk' door het verbieden van de zogenaamde 'Entarteten Kunst', enigszins gevuld.
Op zaterdag 17 augustus 2002 kwam ik Heinz Berggruen tegen in de museumshop. Hij was zo vriendelijk voor een mevrouw, die zo juist een boek van hem had gekocht, een opdracht voorzien van zijn handtekening in het boek te zetten. Dat je hem kon tegenkomen kwam mede door het feit dat Berggruen in het gebouw op de bovenste verdieping woonde. Berggruen schreef behalve het boek over zijn verzameling en zijn ontmoetingen met Picasso, de autobiografie Hauptweg und Nebenwege -genoemd naar een werk van Klee- en Ein Berliner kehrt heim (1999). In 2004 werd ter gelegenheid van Berggruens negentigste verjaardag het museum officieel Museum Berggruen. Heinz Berggruen overleed op vrijdag 23 februari 2007 te Parijs. Op 2 maart 2007 werd Berggruen in aanwezigheid van o.a. de Duitse President Horst Köhler en de Minister-President Angela Merkel begraven op het kerkhof te Berlin-Dahlem. De erven leenden na Heinz Berggruens dood 50 werken uit aan het museum.
In 2003 kocht Berggruen via de Acquavella Galleries te New York van het Museum of Modern Art te New York het nevenstaande schilderij Huizen op de heuvel. Horta de Ebro van Pablo Picasso uit 1909. Berggruen betaalde tussen $12 en de $15 miljoen voor het werk, dat sinds 1979 in het museum hing. Het museum had het werk geërfd van de kunstverzamelaar Nelson Rockefeller. De eerste koopster was Gertrude Stein geweest. Het MOMA verkocht het schilderij, daar het museum ook in het bezit was van het schilderij Het reservoir, Horta de Ebro van Picasso uit 1909, dat sinds 1970 door Nelson Rockefellers broer David ondergebracht was in het museum. In 1991 schonk David het museum een aandeel van 10% van het werk.
Door een uitwisseling van het Musée Picasso te Parijs en Museum Berggruen te Berlijn was het voor het Musée Picasso mogelijk om van 20 september 2006 t/m 8 januari 2007 de tentoonstelling Picasso/Berggruen Une collection particulière te houden, waar meer dan 150 werken, documenten en voorwerpen van Picasso te zien waren. Bij de tentoonstelling verscheen een catalogus (ISBN: 2-7118-5247-4).
In november 2005 kwam de kunsthistoricus Olivier Berggruen, de jongste zoon van Heinz, in het nieuws, daar hij bij Sotheby's voor $ 13,7 miljoen incl. kosten (20% over de eerste 0,2 miljoen en 12 % over de rest) de nevenstaande aquarel Geel naakt van Picasso uit 1907 kocht. Hij versloeg voor deze voorstudie van de Demoiselles d'Avignon vijf andere bieders. Van te voren was de opbrengst geraamd op $ 4 miljoen.