Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd het bezit van de Duitse kunsthandelaar Wilhelm Uhde in beslag genomen. Uhde verliet daarop Frankrijk en keerde pas in 1924 terug naar Frankrijk.
Na de oorlog werden de werken op grond van artikel 297 van het Verdrag van Versailles (28 juni 1919) op een veiling verkocht als herstelbetaling voor de oorlogsschade. De benadeelden moesten voor hun verlies bij de Duitse Staat aankloppen. Op 7 oktober 1919 nam het Franse parlement een wet aan om de opbrengst van de verkoop van geconfisqueerde Duitse goederen te regelen. Op 30 mei 1921 werd Uhdes bezit in het veilinghuis Hôtel Drouot geveild. De veiling was georganiseerd door de Liquidateur-Séquestre, L. Bareillier-Fouche, een ambtenaar van het Ministerie van Financiën. De veilingmeester was Alphonse Bellier en als deskundige in verband met de kubistische schilderijen Léonce Rosenberg. Rosenberg verzorgde ook de cataogus, waarin een aantal werken stond afgebeeld. Op zondag 29 mei kon het publiek tussen 14.00 en 18.00 uur de werken bekijken. Onder de 73 werken waren o.a. schilderijen van Georges Braque (17), Raoul Dufy (5), Juan Gris (1), Auguste Herbin (2), Marie Laurencin (3), Fernand Léger (1), Jean Metzinger (3), Pablo Picasso (13) en Henri Rousseau (5). De Franse musea hadden de opdracht om niets te kopen op deze veiling. De werken werden voor een totaal prijs van 168.000 Franse francs verkocht, waarvan 65.094 FF voor de dertien Picasso's. Een koper moest op de hamerprijs nog 17,5% veilingkosten betalen.
In het boek van Malcolm Gee Dealers, Critics, and Collectors of Modern Painting: Aspects of the Parisian Art Market Between 1910 and 1930, uitgegeven te New York in 1981 (ISBN: 0-8240-3931-9) staat een overzicht van de verkochte schilderijen van o.a. Braque, Gris, Léger en Picasso afkomstig uit La Gazette de l'Hôtel Drouot van 2 juni 1921. De veilingnummers voorzien van een * waren afgebeeld in de catalogus. Behalve de titel van het werk, werden ook de afmetingen vermeld en of het schiderij een ovale vorm had. Soms werden ook aanvullende gegevens, bv. een jaartal, of het werk een papier collé was of wat achterop stond. De naam van de koper stond niet vermeld. In de loop van de tijd is ook een aantal niet afgebeelde schilderijen als veilingstuk achterhaald.
Het hieronderstaande overzicht van Braque, Gris, Léger en Picasso komt hoofdzakelijk uit bovengenoemd boek van Malcolm Gee aangevuld met gegevens uit andere bronnen.

| veiling- nr. | kunstwerk | veilingtitel | extra geg. | prijs in FF | opmerking |
| 1 | La Ville | 600 |
Aangezien de opgegeven afmetingen, 88 x 65 cm, geen standaard maat is, en geen kubistisch schilderij van Braque deze afmetingen heeft, is het denkelijk een typefout en moet het 81 x 65 cm zijn. Gezien de maat en het geschilderde kan het geveilde werk het nevenstaande schilderij uit 1909 zijn, dat nu Le pont de la Roche-Guyon wordt genoemd. | ||
| 2* | ![]() | Nature Morte | 780 | Het nevenstaande schilderij, nu genoemd Fruitschaal met klaveraas, uit 1912-1913 werd op de veiling gekocht door Paul Rosenberg. Het schilderij werd door hem in 1947 geschonken aan het Musée National d'Art Moderne te Parijs. | |
| 3* | ![]() | La Guitare | 1450 | Het nevenstaande schilderij, nu genoemd La Mandore, uit 1910 werd misschien gekocht door mevrouw Niedmeyer of Niemeyer. In het begin van de dertigerjaren kocht de Berlijner Hans Herz het werk in Parijs. Via zijn vrouw Julia Herz en de Leicester Galleries te Londen kwam het schilderij in 1941 bij Roland Penrose. Op 23 juni 1966 verkocht Penrose het via het veilingshuis Sotheby's te Londen. In 1966 kocht het Tate Modern te Londen het werk bij de gezamenlijke eigenaren, de Brook Street Gallery te Londen en de Galerie Beyeler te Bazel. | |
| 4 | ![]() | Figure | 850 | Het nevenstaande schilderij, nu genoemd l'Homme à la guitare, uit 1912 werd op de veiling verkocht aan de Zürichse kunsthandelaar Marcel Fleischmann. Met geld uit de erfenis van Lillie P. Bliss kocht het Museum of Modern Art te New York het werk in 1945. | |
| 5 | Le Violon | 480 | ![]() Denkelijk was het geveilde werk het nevenstaande schilderij Le Gueridon uit 1911. In 1952 schonk Raoul La Roche dit schilderij aan het Musée National d'Art Moderne te Parijs. Hij zou het ook gekocht kunnen hebben op een veiling gehouden op 25 januari 1923 voor 570 FF. | ||
| 6 | ![]() | La Flute | 400 | Ondanks de verwisseling van de afmetingen was het nevenstaande schilderij, nu genoemd Harmonica en fluit, uit 1910-1911 denkelijk het geveilde werk gezien de duidelijke aanwezigheid van de fluit. Het schilderij werd waarschijnlijk door Albert Gallatin, die vanaf 1921 jaarlijks naar Parijs kwam, op de veiling gekocht. Hij schonk het werk in 1952 aan het Philadelphia Museum of Art. | |
| 7 | ![]() | Verre et cartes | ovaal | 360 | Ondanks de iets breder afmeting was het geveilde werk denkelijk het nevenstaande Verre et cartes uit 1913. Verdere gegevens ontbreken. |
| 8 | ![]() | Pipe, cartes et journal | ovaal | 520 | Het nevenstaande schilderij hangt onder de naam Carte et Pipe l'écho de Paris uit 1913-1914 dankzij het Marion Stratton Gould Fund in de Memorial Art Gallery van de University of Rochester (NY). |
| 9 | La Grappe de raisin | 350 | ![]() De afmeting 41 cm bij 33 cm van het geveilde werk komt bij Braque in het boek Braque Cubism negen keer voor. Qua onderwerp komt het nevenstaande schilderij Compotier Quotidien du Midi uit 1912-1913 het meest in aanmerking. Het werk maakt nu deel uit van de Collectie Dr. Riccardo Jucker in Milaan. | ||
| 10 | ![]() | Le Journal | 300 | Gezien de juiste afmetingen en de titel was het geveilde werk vast en zeker het nevenstaande schilderij, nu genoemd Le Journal 'Echo d'Athenes', uit 1913. Het schilderij werd in 1954 door Hermann Rupf aan het Kunstmuseum te Bern geschonken. | |
| 11 | ![]() | Le Verre sur la table | 420 | Ondanks de iets grotere afmetingen was gezien de titel denkelijk het nevenstaande schilderij Le Verre sur la table uit 1909-1910 het geveilde werk. Het schilderij behoorde vanaf december 1955 tot de collectie Sir Antony Hornby (1904-1987) te Londen, die het kocht bij Arthur Tooth & Sons Ltd. te Londen. De firma Tooth had het werk gekocht van Robert Lebel. Dankzij geld van de Friends of the Tate Gallery is het werk sinds 1988 te zien in The Tate Gallery te Londen. Het schilderij staat op de lijst van Spoliation reports (=Plunderinglijst), daar het onbekend is wie de eigenaar was in de periode 1933-1945.
| |
| 12* | ![]() | Verre, pipe et journal | rond | 550 | Het nevenstaande schilderij, nu genoemd La Bouteille de Champagne, uit 1912 werd misschien door Marie Laurencin gekocht. Verdere gegevens ontbreken. |
| 13 | Nature morte | 520 | ![]() Gezien de opgegeven afmetingen denkelijk het nevenstaande schilderij Le Panier uit 1911, dat misschien deel uitmaakte van de collectie van Alphonse Kann. | ||
| 14 | ![]() | La Ville | 500 | Het nevenstaande schilderij, nu genoemd Les Usines de Rio Tinto à l'Estaque, uit 1910 werd gekocht door de verzamelaar André Lefèvre. In 1964 is het schilderij geschonken aan het Musée National d'Art Moderne te Parijs. | |
| 15 | Nature Morte | ovaal | 380 | ![]() Gezien de afmetingen 73 cm bij 54 cm en de opmerking 'ovaal' zijn er weinig mogelijkheden. Denkelijk was het geveilde schilderij het nevenstaande schilderij Bouteilles et Verres uit 1912, dat deel uitmaakte van de collectie Robert B. Eichholz in Washington D.C. | |
| 16 | ![]() | Nature Morte | ovaal | 500 | Het nevenstaande schilderij, nu genoemd Candlestick and Playing Cards on a Table, uit 1910 werd misschien door de verzamelaar André Lefèvre gekocht. Het werk behoort tot de Klaus G. Perls Collection in het Metropolitan Museum te New York. Perls (1912-2008) kocht het werk van Peter A. Rübel in 1997. |
| 17 | Nature morte | 320 | ![]() ![]() ![]() Daar de afmetingen 33 cm bij 41 cm bij Braque zes keer voorkomt in de periode 1907-1914 en verdere gegevens ontbreken is het moeilijk een keuze te maken. één van de volgende drie nevenstaande schilderijen, n.l. (vlnr) Bouteille et verre uit 1911 en sinds 1923 in Musée d'Art Modern et contemporain te Strasbourg, Mandoline et verre uit 1911 en Verre, pipe et raisin AL uit 1912, komt denkelijk het meest in aanmerking, daar van deze drie werken weinig gegevens over de herkomst bekend zijn. |

Volgens het boek Braque cubism 1907-1914 zou nummer 1 echter het nevenstaande schilderij Les Usines de Rio Tinto à l'Estaque uit 1910 zijn geweest. De afmetingen van dit schilderij zijn echter 72 cm bij 60 cm. Het schilderij werd gekocht door de verzamelaar Roger Dutilleul. In 1980 is het schilderij door de erfgenaam van Dutilleul, de fam. Masurel, geschonken aan het Musée d'Art Moderne du Nord te Villeneuve-d'Ascq.

| veiling- nr. | kunstwerk | veilingtitel | extra geg. | prijs in FF | opmerking |
| 26 | ![]() | Le Compotier | 450 | Vast en zeker was het geveilde werk, het nevenstaande schilderij, nu genoemdCollage met fruitschaal en karaf (DC113), uit 1914, dat in 1921 gekocht werd bij Léonce Rosenberg door Mevr. Kröller-Müller. Het is nu te zien in het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo. |

| veiling- nr. | kunstwerk | veilingtitel | extra geg. | prijs in FF | opmerking |
| 37 | La Femme couchée | 380 | ![]() Het schilderij met de afmetingen 41 bij 65 cm uit 1912 behoorde denkelijk tot de verzameling van Baronne Gourgaud. Men veronderstelde, dat het geveilde werk een studie was voor het nevenstaande grotere schilderij Femme couchée uit 1913, dat deel uit maakte van de kunstverzameling van Roger Dutilleul. |
| veiling- nr. | kunstwerk | veilingtitel | jaar | prijs in FF | opmerking | ||
| 42 | ![]() | Portrait de M. Uhde | 1910 | 1650 | In 1923 kocht John Quinn het schilderij bij Paul Rosenberg. René Gaffé beweerde, dat hij het werk kocht van André Breton en Paul Éluard. In 1937 kocht Roland Penrose het werk van Gaffé. Via de Galerie L'Oeil kwam het werk in mei 1967 bij Joseph Pullitzer Jr. (1913-1993). Het behoort nu tot de Joseph Pullitzer Jr. Collection te St. Louis (MO). | ||
| 43* | ![]() | Figure dans un fauteuil | 1909 | 3000 | Het nevenstaande schilderij, dat nu Femme nue assise wordt genoemd, werd door Frank Haviland direct van Picasso verkregen. In 1913 verkocht hij het aan Galerie Kahnweiler, die het doorverkocht aan Uhde. Bij de veiling op 30 Mei 1921 kocht de Deen Christian Tetzen-Lund het werk. Op 18-19 Mei 1925 werd het onder de naam Figure dans un Fauteuil in Kopenhagen tijdens een veiling door Christian Tetzen-Lund verkocht aan Wilhelm Hansen voor 900 DKR. Via Alphonse Kann kwam het werk in 1932 bij Galerie Pierre van Pierre Loeb. In 1949 werd het werk door de galerie verkocht aan The Tate Gallery te Londen. Wegens het ontbreken van gegevens over het eigendom tussen 1933 en 1945 wordt het apart gehouden. | ||
| 44* | ![]() | La Joueuse de mandoline | 1910 | 18.000 | Het nevenstaande schilderij, dat nu Jeune fille à la mandoline (Fanny Tellier) wordt genoemd, werd volgens Gaffé op de veiling gekocht door een Deense verzamelaar, denkelijk de Deen Christian Tetzen-Lund. Paul Rosenberg bracht het werk terug naar Parijs, waar André Breton het direct kocht. Gaffé kocht het werk voor 125.000 FF van Breton en Eluard en verkocht het in 1937/1938 aan Roland Penrose. In 1956 verkocht Penrose het werk aan Nelson A. Rockefeller te New York, die het in 1979 schonk aan het Museum of Modern Art te New York. | ||
| 45 | ![]() | Le Joueur de clarinette | 1911 | 3600 | Het nevenstaande schilderij, dat nu Homme à la clarinette (Homme à la tenora) wordt genoemd, kwam via Gottlieb Reber en Douglas Cooper bij Heini Thyssen-Bornemisza. Nu te zien in Museo Thyssen-Bornemisza te Madrid | ||
| 46* | ![]() | Buste de femme | 1909 | 7800 | Het nevenstaande schilderij, dat nu Femme en vert wordt genoemd, werd volgens Gaffé op de veiling gekocht door een Deense verzamelaar. Paul Rosenberg bracht het werk terug naar Parijs, waar André Breton het direct kocht. Gaffé kocht het werk van Breton en Eluard en verkocht het in 1937/1938 aan Roland Penrose. In 1954 verkocht Penrose via César de Hauke, een kunsthandelaar te Parijs, het schilderij voor f 113.943,- aan het van Abbemuseum te Eindhoven. | ||
| 47* | ![]() | Le Violon | 1912 | 5800 | In 1921 kocht mevrouw Kröller-Müller het werk misschien via André Lhote. Nu te zien het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo. | ||
| 48 | ![]() | Le Fumeur de pipes | 1911 | 3000 | Het nevenstaande schilderij, dat nu De Dichter heet, was voor 1932 in het bezit van Alfred Flechtheim. Peggy Guggenheim kocht het werk in 1944 van George L.K. Morris, die het werk voor 1936 in zijn bezit had. Het schilderij hangt sind 1976 in de Peggy Guggenheim Collection te Venetië. | ||
| 49 | Le Joueur de mandoline | 2200 | ![]() Volgens Zervos zou het werk het schilderij Moine à la mandoline uit 1911 kunnen zijn, maar dit schilderij is breder. Meer voor de hand is het nevenstaande schilderij Le guitariste [Le joueur de guitare] uit 1910, dat wel de juiste afmetingen heeft. Aan het schilderij is niet te zien of een gitaar of mandoline is afgebeeld. Bovendien behoorde dit werk tot de collectie van André Lefèvre. In 1952 schonk Lefèvre het schilderij aan het Musée National d'Art Moderne te Parijs. | ||||
| 50 | ![]() | La Dame au fauteille | 1911 | 1000 | Het nevenstaande werk, dat nu Femme assise wordt genoemd, werd gekocht door Alphonse Kann. De huidige verblijfplaats is onbekend. | ||
| 51* | ![]() | Violon, verre et journal | 1913 | 2850 | Het nevenstaande schilderij, dat nu Bouteille, clarinette, violon, journal, verre wordt genoemd, werd in een artikel in L'Intransigeant van 31 mei 1921 aangegeven met de titel Journal sur une Table de Café. Denkelijk kocht door Paul Éluard het schilderij, daar het op de veiling van een deel van de kunstverzameling van Paul Eluard, gehouden op 3 juli 1924, verkocht werd voor 2900 FF. Het behoort nu toe aan de Rupfcollectie van het Kunstmuseum te Bern | ||
| 52 | ![]() | Tête | 1911 | 800 | In december 1973 werd dit schilderij bij Max van Waal te Amsterdam verkocht aan Ernst Beyeler en behoort nu toe aan de Fondation Beyeler te Bazel | ||
| 53 | ![]() | Tête | 1910 | 1600 | Denkelijk was dit het schilderij Jeune fille au bras gauche levé, dat nu deel uit maakt van de collectie Morton G. Neumann te New York. | ||
| 54 | ![]() | Buste de femme | 1910 | 4100 | Misschien was dit Mademoiselle Léonide uit 1910, dat Maja Sacher in 1927 kocht bij Galerie Le Centaure te Brussel. |