Wilhelm Uhde (1874-1947).

Wilhelm Uhde werd geboren in Friedeberg in der Neumark (tegenwoordig Strzelce Krajenskie in Polen) op 28 oktober 1874. Hij was het eerste kind van de koninklijke staatsadvocaat Johannes Uhde en Antonie Fehlan. Het gezin verhuisde in verband met zijn vaders aanstellingen spoedig van Friedeberg naar Spandau en daarna naar Posen en Lüneburg. Hier kreeg het echtpaar Uhde nog zoon Heinrich, een dochter die spoedig overleed en dochter Anne-Marie. Tijdens Wilhelms middelbare schooltijd verhuisde het gezin naar Altona, een stad aan de oever van de Elbe tegenover de havens van Hamburg. In 1938 zou Altona opgeslokt worden door Hamburg. In oktober 1894 ging Uhde rechten studeren aan de universiteit van Lausanne in Zwitserland, maar na een half jaar in Heidelberg en uiteindelijk vanaf 1895 in Greifswald, een plaats aan de Oostzee. In Heidelberg ging Uhde om met de latere kunstverzamelaar Edwin Suermondt. Het ouderlijk gezin was verhuisd naar Posen, waar Uhdes moeder en haar familie van oorsprong woonden. Na zijn studie werd hij referendaris in Samter, een gehucht in de provincie Posen. (Na de Eerste Wereldoorlog kwam het gebied bij Polen.)

Het werk beviel niet en Uhde kreeg de kans om naar Florence te gaan in 1898. De geplande duur van een paar weken werd ongeveer een half jaar. In Florence schreef Uhde het boek Am Grabe de Mediceer. Florentiner Briefe über deutsche Kultur. Het boek werd in 1898 uitgegeven door de uitgever Carl Reißner in Dresden. Terug in Posen nam Uhde op 2 mei 1899 ontslag en schreef zich vier dagen later in op de universiteit van München om kunstgeschiedenis te studeren. Na het eerste semester ging Uhde naar Rome voor het volgende semester, waar hij woonde op de Piazza di Spagna. Na enige tijd in Florence reisde hij via een kort verblijf in Venetië eind februari 1900 naar Breslau voor verdere studie aan de universiteit. Uhde brak zijn studie daar af en verhuisde in 1901 naar Posen. Daar schreef hij enkele artikelen en een novelle.

Parijs 1904-1914

Via Nederland en België, waar Uhde musea bezocht, reisde hij vanuit Posen in 1904 naar Parijs. In Parijs werd Uhde door Erich Klossowski (1875-1949), die hij in Breslau had leren kennen, aan het station afgehaald. Uhde bezocht musea en schreef zijn belevenissen in een boekje getiteld Paris, dat verscheen in de door Richard Muther uitgegeven serie Die Kunst. Uhde had Muther, die op dat moment professor was in Breslau, in Florence leren kennen en was door zijn toedoen naar Breslau gegaan om verder te studeren. In Parijs maakte Uhde de eerste maanden hoofdzakelijk kennis met Duitse en Scandinavische schilders en schrijvers. Uhde bezocht de galeries van Durand-Ruel, Ambroise Vollard en Bernheim-Jeune in de Rue Laffitte, van Paul Rosenberg op de Avenue de l'Opéa en van Druet in de Rue du Faubourg St Honoré. Ontspanning vond hij in Café le Dôme en Café de Versailles op de Place de Rennes. Na enkele maanden in Parijs was het geld op en keerde Uhde naar zijn ouders in Posen terug. Wel had hij een opdracht voor een boek over Frederik de Grote waarvoor hij Duitse bibliotheken moest bezoeken. Nadat Uhde zijn onderzoeken had gedaan leende hij geld om opnieuw naar Parijs te gaan. Na enkele maanden was Uhdes geld bijna op. Bij een antiekhandelaar op de Boulevard Montparnasse kocht hij voor 40 Francs een klein schilderij. Hij verkocht het voor ruim vijfkeer zoveel aan een verzamelaar. Uhde had zijn inkomstenbron gevonden.

la chambre bleu; afm.: 50,8 x 62 cm

Bij kleine handelaren en het veilinghuis Hôtel Drouot kocht Uhde werken, die hij voor een hogere prijs kon verkopen. In 1905 kocht Uhde voor 10 Francs het nevenstaande schilderij De blauwe kamer van Pablo Picasso uit 1901 bij Père Soulié, die een matrassenhandel had op de hoek van de Boulevard Rochechouart en de Rue des Martyrs en kunstenaars gelegenheid gaf hun schilderijen aan de muur op te hangen. Enkele dagen later trof Uhde de schilder in Le Lapin Agile. Via Etienne Bignou in Parijs, Alex Reid in Glasgow en Wildenstein in New York kwam het schilderij in The Phillips Collection in Washington D.C. in 1927. Van 14 februari t/m 26 mei 2013 is het schilderij te zien in de tentoonstelling Becoming Picasso: Paris 1901 in The Courtauld Gallery in Londen.

Uhde werd een vaste bezoeker van Picasso's atelier. Zo zag hij begin 1907 het schilderij Les Demoiselles d'Avignon bij Picasso. Uhde kocht in 1907 voor een bescheiden bedrag 5 fauvistische werken van Georges Braque, die tentoon waren gesteld op de Salon d'Automne. De zaken gingen voorspoedig en hij had diverse woningen o.a. voor opslag van schilderijen. Uiteindelijk stootte hij vier woningen af en vestigde hij zich op de Quai aux Fleurs in een driekamerappartement.

Uhde organiseerde in 1908 grote tentoonstellingen van de Impressionisten in Bazel en Zürich. In de volgende jaren organiseerde hij verschillende tentoonstellingen van tijdgenoten in Berlijn en New York. Van 21 december 1908 t/m 15 januari 1909 organiseerde Uhde in zijn kleine galerie Notre-Dame-des-Champs een tentoonstelling van werken van Braque, 5 landschappen en een stilleven, André Derain, Raoul Dufy, Auguste Herbin, Jean Metzinger, Sonia Terk, Jules Pascin en Picasso (met drie niet kubistische werken: Intérieur, Le Pitre en Nature morte).

Uhde leerde in Parijs de Russin Sonia Terk kennen en zij kwamen overeen om de vriendschap in een huwelijk vast te leggen. Sonia kwam daardoor onder de invloed van de familie uit en Uhde hield zijn homosexualiteit buiten zicht. Op 5 december 1908 trouwden zij in Londen en gingen wonen op de Quai de la Tournelle 21 in Parijs. Het huishouden werd gedaan door zijn bediende Constant en zijn moeder. De woning werd een trefpunt voor kunstenaars. In 1907 maakte Robert Delaunay het nevenstaande 'fauvistisch' portret van Uhde. Uhde is vooral bekend geworden door zijn ontdekking van Henri Rousseau le Douanier, een naïeve schilder in de kunstenaarskring rond Picasso. Hij ontmoette Rousseau via Delaunays moeder. De zomer van 1909 bracht het echtpaar door in Chaville, waar Delaunay tegenover hun hotel verbleef. Tot 11 augustus 1910 was Uhde getrouwd met Sonia, die na de scheiding op 15 november 1910 trouwde met Robert Delaunay.

Les Jeunes Filles; af.: 115 x 146 cm Malakoff

Volgens Uhdes autobiografie opende hij pas nadat Sonia Terk was vertrokken een galerie op de Notre-Dame des Champs 73 in de Parijse wijk Montparnasse met werken van Rousseau. Rousseau kwam de schilderijen zelf met een handkar brengen. Daar Uhde vergeten was het adres op de uitnodiging te zetten kwam er niemand. Uhde kocht als tegemoetkoming van Rousseau voor 40 Francs het nevenstaande schilderij Malakoff uit 1903. De tweede tentoonstelling was voor Marie Laurencin, maar ook deze leverde geen kopers op. Uhde kocht van Laurencin het schilderij Les Jeunes Filles uit 1910 voor een bescheiden bedrag en verkocht het in 1914 voor 4000 Francs aan Rolf de Maré. De verkoop bezorgde Laurencin bekendheid en zij kon een contract afsluiten met de kunsthandelaar Paul Rosenberg. Het schilderij werd in 1966 door de Maré geschonken aan het Moderna Museet in Stockholm.

Uhde, Picasso Fabrique à Tortosa, afm.: 53 x 60 cm

In mei 1910 hield Uhde een expositie van werken van Picasso, waaronder het door Picasso gemaakte portret van Uhde en het nevenstaande schilderij Fabriek te Tortosa, dat toen nog L'Usine à Horta de Ebro werd genoemd. De schrijver Léon Werth (1878-1955) beschreef het laatste schilderij in zijn artikel Exposition Picasso in het tijdschrift La Phalange van 20 juni 1910. In 1910 verkocht Uhde aan de Duitse verzamelaar Edwin Suermondt, die hij tijdens zijn studie in Heidelberg had leren kennen, twee stillevens van Braque uit 1910, n.l. Viool en schilderspalet en Piano en Mandoline.

Figure dans un fauteuil, 92 x 73 cm

Na een jaar verhuisde Uhde zijn galerie naar de Boulevard des Invalides. In een klooster, dat door de scheiding van kerk en staat bij een wet in 1905 in Frankrijk in handen was gekomen van de staat, huurde Uhde een grote zaal en twee nevenruimten. Volgens de autobiografie van Uhde had hij een kubistisch vrouwenportret van Picasso net gekocht en bood de Hongaarse kunstverzamelaar Marcel von Nemes het viervoudige bedrag, maar Uhde verkocht het werk niet. Denkelijk was dit het nevenstaande schilderij Femme nue assise uit 1909. Dit schilderij kocht Uhde in 1913 van Kahnweiler, die het kort daarvoor gekocht had van Frank Haviland. In 1914 werd dit schilderij geconfisqueerd en op de veiling van het geconfisqueerde bezit van Uhde op 30 Mei 1921 met de titel Figure dans un fauteuil voor 3.000 Francs verkocht aan de Deen Christian Tetzen-Lund. Op 18-19 Mei 1925 werd het onder de naam Figure dans un Fauteuil in Kopenhagen tijdens een veiling door Christian Tetzen-Lund verkocht aan Wilhelm Hansen voor 900 DKR. Via Alphonse Kann kwam het werk in 1932 bij Galerie Pierre van Pierre Loeb. In 1949 werd het werk door de galerie verkocht aan The Tate Gallery te Londen. Wegens het ontbreken van gegevens over het eigendom tussen 1933 en 1945 wordt het apart gehouden.

Na een jaar sloot Uhde de galerie, daar de Franse Staat een doel voor het gebouw had gevonden, en ging verder vanuit huis handelen in kunst. Volgens zijn autobiografie bezat Uhde op dat moment ongeveer twaalf kubistische schilderijen van Picasso, waaronder het Portret van Uhde, en ongeveer twintig van Braque. Hij beschouwde deze schilderijen met een aantal van Rousseau en één schilderij van Laurencin als zijn persoonlijke kunstverzameling. Twee dagen per week stelde Uhde zijn woning open voor belangstellenden. De zomer van 1911 bracht Uhde door aan de Seine in Meulan-Hardricourt.

Uhde in Zuid-Frankrijk, 1913

Uhde kreeg mede bekendheid door een biografie van Henri Rousseau (1844-1910) in 1912 en het organiseren van een retrospectieve tentoonstelling in Galerie Bernheim Jeune van 28 oktober t/m 9 1912. Ook andere naïeve schilders, bv. Séraphine (1864-1942), kregen dankzij Uhde bekendheid. In 1912 bracht Uhde de zomer door in Senlis. Hij huurde aan de rand van de stad drie kamers voor 15 Francs per maand en leerde daar fietsen. Met de fiets verkende hij de omgeving. Tijdens zijn verblijf ontdekte Uhde een aansprekend schilderij. Het stilleven was geschilderd door de werkster, die zijn kamers schoonhield. Uhde kocht de hele productie van Séraphine Louis.

Eerste Wereldoorlog en gevolgen

Terwijl Uhde ziek op bed lag kwam een vriend op 31 juli 1914 hem vertellen, dat de Duitse ambassade iedere Duitser aanraadde te vertrekken. Via Brussel, waar Uhde overnachtte, reisde hij via Keulen naar zijn moeder en zus in Wiesbaden. Zijn vader was in 1912 overleden. Via een bloedonderzoek stelde een arts vast dat Uhde, die al een maand ziek was, aan de ziekte tyfus leed. Terwijl Uhde afwezig was confisqueerde de Franse staat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog de bezittingen van Uhde in Parijs. Nadat Uhde hersteld was, duurde het tot 1915 voordat hij als reservist werd opgeroepen in Wiesbaden. Dankzij Ernst Ritter von Marx (1869-1944) werd Uhde overgeplaatst naar Frankfurt am Main, waar hij de post moest controleren op spionage-activiteiten. Tijdens een verlof ontmoette Uhde in Wildbad Helmut Kolle (1899-1931) en zijn moeder, die sinds kort ook in Frankfurt woonden. Kolle schilderde onder de naam Helmut vom Hügel.

Die Freude

Na het einde van de oorlog ging Uhde met Kolle, waar hij een relatie mee kreeg, eind 1918 naar Weimar. Hier schreven zij samen de nevenstaande almanak Die Freude, waarin de ideeën voor een ander Duitsland stonden. Eigenlijk was de bedoeling een tijdschrift uit te gaan geven, maar de stijgende papierprijzen hield dit tegen. Door de stijgende huurprijzen gingen zij op zoek naar een ander huisvesting en vonden dat bij dr. Ehrhard Meßmer in Burg Lauenstein in januari 1919. In Lauenstein schreef Uhde artikelen en enkele boeken en hield hij lezingen in Duitsland.

catalogus veiling

Op 30 mei 1921 werd Uhdes bezit in Hôtel Drouot geveild. Onder de 73 werken waren o.a. doeken van Braque (16), Picasso (13), Metzinger (3), Gris (1), Herbin (2), Léger (1), Dufy (5) en Henri Rousseau (5). De opbrengst van de veiling was 247.000 FF, waarvan voor de werken van Picasso 65.094 FF werd betaald. Tijdens de veiling was er een vuistgevecht tussen Georges Braque en Léonce Rosenberg, die als deskundige tot ongenoegen van Braque aan de veiling meewerkte. Braque zou daarna voor de verkoop van zijn schilderijen overstappen naar Paul Rosenberg. Het schilderij Les Usines de Rio Tinto à l'Estaque van Braque uit 1910 werd gekocht door de verzamelaar André Lefèvre. Zie voor de kubistische werken de webpagina Veiling geconfisqueerd bezit Wilhelm Uhde (30 mei 1921.

zelfportret, 1923

Vanuit Lauenstein verhuisden Uhde en Kolle in 1922 naar Berlijn, waar Uhde van de kunsthandelaar en uitgever Wolfgang Gurlitt (1888-1965) de mogelijkheid kreeg de galerie in de Potsdamer Straße te gaan leiden. In de herfst van 1923 organiseerde Uhde voor Kolle een tentoonstelling in deze galerie. Het nevenstaande zelfportret schilderde Kolle in 1923. De inflatie liep in Duitsland zo snel op, dat Uhde wegens de toenemende economische achteruitgang besloot naar Parijs terug te keren.

Parijs/Chantilly 1924-1939

Helmut Kolle: portret van Uhde

In maart 1924 keerde Uhde met Helmut Kolle terug in Parijs. In Parijs probeerde Uhde inzicht te krijgen in de nieuwste kunststromingen en de bestaande galeries. Hij bezocht Rosenberg, Picasso en Braque. Uhde ging vooral werk van 'naïeve' schilders verzamelen, o.a. van Régis Boyer, Louis Vivin (1861-1936), Camille Bombois (1883-1970), André Bouchant, en vooral Séraphine Louis. Nadat Uhde en Kolle beiden een huis hadden gehuurd in Chantilly kwam Uhdes zus Anne-Marie bij Uhde inwonen. In een streekkrantje las Uhde een advertentie van een tentoonstelling in het stadhuis van Senlis van plaatselijke schilders in 1927. Uhde bezocht de tentoonstelling van de Société des Amis des Arts en daarna Séraphine thuis. Na de tentoonstelling kocht Uhde de zes door Séraphine getoonde werken. Het waren de enige schilderijen, die van de tentoonstelling werden verkocht. In 1928 organiseerde Uhde voor 'Les Primitifs modernes' de tentoonstelling Les peintres du cæur sacré in Galerie des Quatre-Chemins in Rue Godot de Mauroy 18 in Parijs. De galerie bestond in de periode 1925-1929. Op 15 oktober 1928 verscheen het door Uhde geschreven boek Picasso et la Tradition Française: Notes sur la peinture actuelle. In hetzelfde jaar werd Kolle, die al een zwakke gezondheid had, ernstig ziek. Kolle schilderde in 1930 het nevenstaande portret van Uhde. Hij overleed op 17 november 1931 in Chantilly. Daar Uhde gewoonlijk twee keer per week naar Parijs ging en niets meer hem bond met Chantilly, verhuisden Uhde en zijn zus in september 1934 naar de Parijse wijk Faubourg St-Germain.

Tweede Wereldoorlog en daarna

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (1939) woonde Uhde in een appartement op de Rue de l'Université in Parijs. In juli 1939 ging Uhde, die binnen twee jaar twee longontstekingen had gehad, voor verder herstel naar het kuuroord in Saint-Honoré-les-Bains (Bourgondië). Eind augustus 1939 ging Uhde met de trein door naar Nice. Terug in Parijs liep Uhde kans om als Duitser geïnterneerd te worden, want de grens 'tot 55 jaar', die aan het begin van de oorlog was ingesteld, dreigde verhoogd te worden. Wegens Uhdes inspanningen voor de Franse kunst kreeg hij van de Minister van Binnenlandse Zaken, Sarraut, ontheffing van de internering. Na de inval van het Duitse leger probeerde Uhde een sauf-conduit te krijgen om Parijs te verlaten en naar het zuiden te reizen. Uiteindelijk verliet Uhde Parijs en verbleef hij tot na de wapenstilstand op 22 juni 1940 in Châteaumeillant, waar zijn huishoudster Clotilde een huisje had. Hiervandaan ging Uhde op uitnodiging van grafin Bertha von Colloredo-Mannsfeld (1890-1982) naar haar château in Saint-Lary (Gers), waar Uhdes zus al terecht was gekomen. Bertha von Kolowrat-Krakowsky was in de periode 1909-1926 getrouwd geweest met graaf Hieronymus von Colloredo-Mansfeld (1870-1942) en had in 1927 het Château de Saint-Lary gekocht.

Op 9 juli 1944 kwam Uhde zijn ex-vrouw Sonia Delaunay, die hij sinds 1938 niet meer had gezien, tegen in een café te Nîmes. Sonia, die op weg was naar de Spaanse grens, werd in Nîmes uit de trein gezet. Tijdens het wachten op een volgende reisgelegenheid ging zij de stad in. Terwijl ze in een café wachtte viel de gestapo binnen en zag zij Uhde, die daar ook toevallig was. Daar de inval werd onderbroken liep het goed af. Uhde, die verbleef bij Jean Cassou in Grisolles, nam Sonia achter op de fiets mee naar Grisolles. Daar waren ook aanwezig Tzara, Florent Fels, Paul Dermée en zijn vrouw Céline Arnaud.

Na de bevrijding van Frankrijk keerde Uhde terug naar Parijs, waar hij zijn woning niet kon betrekken, daar de Franse Staat de woning gevorderd had voor tijdelijke opvang. Bij een vriend op de Place des Vosges vond Uhde tijdelijk onderdak. Hij organiseerde een tentoonstelling voor Séraphine en voor Kolle. Uhde stierf op 17 augustus 1947 te Parijs en werd begraven op het Cimetière du Montparnasse. Zijn verdienste voor Frankrijk werd later erkend door het vernoemen van een zaal in het Musée d'Art Moderne te Parijs.

Kubistisch bezit

In het boek Méditations esthétiques. Les Peintres Cubistes van Apollinaire werd bij het volgende kubistisch schilderij aangegeven, dat het tot Uhdes bezit behoorde. De andere kubistische schilderijen zijn te zien op de webpagina Veiling geconfisqueerd bezit Wilhelm Uhde (30 mei 1921.

kunstwerktitelkunstenaarjaarnu te zien in
L'homme à la Clarinette, afm.: 105 x 69 cmMan met klarinet Pablo Picasso1912Thyssen-Bornemisza Collectie

Film Séraphine

In 2008 verscheen de Franse film Séraphine onder regie van Martin Provost, waarin Yolande Moreau de schilderes Séraphine Louis (1864-1942), die ook bekend werd onder de naam 'Séraphine de Senlis', speelde en Ulrich Tukur de kunsthandelaar Wilhelm Uhde. Volgens de Wikipedia-webpagina Séraphine Louis trok een schilderij bij zijn buren in Senlis in 1912 Uhdes aandacht. Het bleek geschilderd door zijn werkster Séraphine, die sinds 1901 in Senlis als werkster bij bemiddelde families werkzaam was. Ze verloren elkaar uit het oog bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. In 1927 kwam Uhde Séraphine weer tegen op een tentoonstelling van plaatselijke kunstenaars in Senlis bezocht. Uhde steunde haar door het aankopen van schilderijen en organiseerde in 1929 een tentoonstelling. Door de economische crisis begin dertiger jaren was Uhde niet meer instaat Séraphine te ondersteunen. In 1932 werd Séraphine opgenomen in een psychiatrische inrichting. De film gaat van een ander begin punt uit. Uhde zou het landhuis bezocht hebben, waar Séraphine als huishoudster werkzaam was en in haar vrije tijd op een naïve manier schilderde.

Op YouTube bevindt zich een promofilmpje. De film won zeven César Awards in februari 2008. Diverse filmfragmenten zijn te zien op www.videodetective.com.

Bronnen en verdere informatie

Laatste wijziging: 220313