Een andere schrijfwijze voor zijn Russische naam is Ivan Morosow, Morozov en Morozow.
De textielfabrikant Iwan Morosov was samen met de stoffenhandelaar Sergei Stschukin (1854-1936) de persoon die de Franse kunst naar Rusland bracht.
Ivan Abramovich Morosov werd in 1871 geboren als tweede zoon van Abram Abramovich Morozov en Varvara Alexeyevna Chludova. Beiden kwamen uit een rijke textielfamilie. Ivan ging in Moskou naar school en werd naar Zürich gezonden om chemie te studeren aan de Universiteit. Hij volgde in het begin ook tekenlessen aan de School voor Architectuur. Na het voltooien van zijn studie ging Morosov naar Tver, een plaats aan de eerste russische spoorweg van Moskou naar St. Petersburg, voor de functie van productiehoofd bij de katoenindustrie, een onderdeel van het familiebezit. In 1890 werkten 39.000 arbeiders bij de Morosovs textielfabrieken. In 1900 keerde Morosov terug naar Moskou, waar hij een huis had gekocht in de Kropotkinstraat van de wijk Prechitenka.
In navolging van zijn oudere broer Mikhail Abramovich Morosov (1870-1903) ging Ivan een eigen collectie schilderijen opbouwen. In het begin kocht Ivan uitsluitend Russische kunst, waaronder Larionov, Natalja Gontscharowa en Marc Chagall. Tussen 1904 en 1906 werd zijn huis in Prechitenka door de architekt Kekuchev verbouwd om een ideale plaats te realiseren voor zijn schilderijen. Rond 1903 begon Ivan Morosov ook buitenlandse kunst te kopen. Tenslotte kocht hij uitsluitend Franse schilderijen, o.a. Denis, Maurice de Vlaminck, Bonnard, Vuillard, Maillol, Marquet, Pisarro, Signac, Sisley, Othon Friesz, Auguste Herbin, Gauguin, Renoir en van Gogh.
In 1906 had Ivan Morosov een actief aandeel in de Salon d'Automne te Parijs, daar Serge Diaghilev de tentoonstelling Twee eeuwen Russische Kunst organiseerde. Morosov leende een aantal Russische werken voor deze tentoonstelling uit. Hij werd erelid van de Salon en kreeg het Légion d'Honneur. In 1907 besloot Morosov zijn Russische collectie te verkleinen om ruimte te maken voor moderne Franse kunst. Behalve Renoirs en Monets kocht hij werken van Gauguin, Cézanne en van Gogh. Morosov bezocht de postume tentoonstelling van Cézanne op de Salon d'Automne van 1907. Kort daarna kocht Morosov vier werken van Cézanne en daarna tot 1912 nog meer werken via de kunsthandelaar Ambroise Vollard. In totaal kocht Morosov 18 Cézannes.
In 1907 kocht Morosov zijn eerst werk van Henri Matisse, gevolgd door schilderijen van de andere fauvisten: de Vlaminck, André Derain, Puy en Marquet. In totaal kocht hij in 1907 voor 45.000 FF bij Vollard. Op 24 januari 1908 ontmoette Morosov via de medewerking van Stschukin de schilder Matisse. Op 29 april 1908 kocht Morosov bij Vollard zijn eerste werk van Pablo Picasso: Les deux Saltimbanques voor 300 FF. Morosov kocht gelijktijdig o.a. een werk van Cézanne voor 20.000 FF, drie van Gauguin voor 8.000 FF per stuk en een van Jean Puy voor 1200 FF. Morosov kocht in april 1908 voor 50.000 FF en in september 1908 voor 45.000 FF bij Vollard. In 1913 kocht hij via Daniel-Henry Kahnweiler van Gertrude Stein Jonge acrobaat op een bal uit 1905 en van Vollard op 24 februari 1913 voor 3.000 FF het nevenstaande kubistische schilderij Portrait van Ambroise Vollard. Vanaf 1910 konden bezoekers zijn collectie bezichtigen.
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 kon Morosov de Salon d'Automne van 1914 niet bezoeken en kwam er een eind aan het verzamelen van Franse kunst. De Oktoberrevolutie van 1917 zorgde voor een grote verandering. Morosov kon met de hulp van Grabar, de directeur van het Tretyakov Galerie en rechte hand van Trotsky's vrouw, voorkomen dat werken van Cézanne en Derain werden opgeëist, maar zijn huis werd wel gevorderd door de militaire autoriteiten. In december 1918 werd de kunstcollectie van Ivan Morosov met meer dan 500 werken in beslag genomen via een publicatie in de Isvestia. Het huis van Morosov werd het Tweede Museum van Moderne Westerse Schilderijen, maar uitsluitend tot mei 1919 was het museum open voor het publiek. In de zomer van 1919 kreeg Ivan Morosov toestemming om voor een medische ingreep naar het buitenland te reizen. Hij bezocht Parijs en gaf een interview, dat in mei 1920 verscheen in het Bulletin de la Vie Artistique. In dit artikel werd uitgebreid ingegeaan op het nationaliseren van Morosovs en Sergei Sjtsjukins verzamelingen. Morosov vestigde zich daarna in Karlsbad, waar hij in 1921 overleed.
In 1923 werd de collectie van Morosov samengevoegd met die van Sergej Sjtsjukin. Het museum heette Het Staatsmuseum voor Moderne Westerse kunst. In 1925 werden de Russische schilderijen uitgewisseld tegen de West Europese schilderijen van Magarita Morozova, die in het bezit waren van de Tretyakov Galerie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de collectie uit voorzorg ondergebracht in Siberië. Terug in Rusland werden de werken in 1948 verdeeld tussen het Pushkin-Museum in Moskou en de Hermitage in Leningrad, tegenwoordig weer St. Petersburg genoemd. Pas in de jaren '60 kwamen ze te voorschijn uit de depots. Zonder de verzamelingen van Sjtsjukin en Morosov zouden de belangrijkste Russische avant-garde schilders denkelijk nooit bewaard zijn gebleven.
| kunstwerk | titel | kunstenaar | jaar | nu te zien in |
![]() | Portret van Ambroise Vollard | Pablo Picasso | 1910 | Pushkin Museum, Moskou |