Léonce Rosenberg (1879-1947).

Léonce Rosenberg werd op 12 september 1879 in Parijs geboren. Hij was de zoon van Alexandre Rosenberg, een handelaar in o.a. impressionistische schilderijen, die in juli 1878 getrouwd was met Mathilde Jellinek (1957?-1923). Léonce doorliep een commerciële opleiding in Londen en Antwerpen, waar hij musea bezocht. Na terugkeer in Parijs werkte hij samen met zijn broer Paul in het familiebedrijf. In 1906 erfde Léonce samen met zijn broers de galerie in de Avenue de l'Opéra, die twintig jaar bestond. In 1910 begon hij voor zichzelf met de galerie Haute Epoque in de Rue de la Baume 19 te Parijs en richtte hij zich op de hedendaagse kunst, terwijl zijn broer Paul zich bezig hield met de negentiende eeuw. In 1913 kocht hij van Daniel-Henry Kahnweiler kubistisch werk van Pablo Picasso en bracht hij in juni 1914 met Kahnweiler een bezoek aan Picasso's atelier. Vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kocht Léonce 15 kubistische werken van Picasso bij Kahnweiler voor 12.000 FF. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had hij 20 werken van Picasso, 10 van Georges Braque, 5 van Juan Gris en 20 van Auguste Herbin.

Harlekijn, afm.: 183,5 x 105 cm

In december 1914 kwam Roseberg in contact met Gertrude Stein. Volgens een verslag van een interview met Rosenberg in Cahiers d'art kwam Picasso samen met André Level aan hem vragen om de rol van Kahnweiler, die in Zwitserland verbleef, over te nemen. Picasso's inkomen was door Kahnweilers afwezigheid tot een nulpunt gedaald. In november 1915 betaalde Rosenberg 8.500 FF voor twee schilderijen, n.l. het nevenstaande Harlequin uit 1915 en Homme assis.

Rosenberg ging in 1915 vrijwillig in dienst en was korporaal in een compagnie, die vanuit luchtballonnen observaties uitvoervoerde. Hij betrok een woning vlak bij de militaire basis in de Rue Marthe-Edouard 3 te Chalais-Meudon, maar behield ook zijn Parijse woning in de Rue Lavoisier 22 en zijn galerie in de Rue de la Baume 19 te Parijs. Tijdens zijn verlofperioden in Parijs bleef hij werken van kubisten kopen, bv. van Picasso, Braque, Gris, Fernand Léger en Gino Severini. Léonce Rosenberg werkte vanaf 15 mei 1916 buiten zijn eenheid als Engelse tolk op het veldhoofdkwartier van de geallieerde strijdkrachten aan het Somme-front. Tijdens een verlofperiode eind 1916 ging Rosenberg met Gris mee naar Severini. Hij kocht gelijk het grote schilderij Lezende vrouw van Severini. In maart 1917 werd de tweede linie ontruimd en overgeplaatst naar in Le Havre. In juli 1917 kwam Rosenberg terug bij zijn oude eenheid, die gelegerd was op een vliegveld bij Nanterre-la Folie. Dichter bij Parijs besloot Rosenberg zijn galerie weer te openen.

In 1941 moest Rosenberg zijn galerie sluiten in verband met zijn joodse afkomst. Hij dook onder wegens de Duitse bezetter en Auguste Herbin zorgde ervoor dat een deel van de handelsvoorraad van Rosenberg veilig overgebracht werd naar Herbins woning sind 1935 in de Rue Falguière 35. Een deel van Léonce Rosenbergs bezit werd in 1942 door de Duitsers geconfisqueerd en verkocht aan de sinds 1933 in Parijs woonachtige Duitse kunsthandelaar Gustav Rochlitz. Volgens Hector Feliciano, schrijver van het boek The Lost Museum uit 1997 maakte het schilderij Femme en rouge et vert van Fernand Léger uit 1914 deel uit van deze gestolen partij. Het schilderij was door Léonce gekocht op de tweede veiling van werken uit Daniel-Henry Kahnweilers bezit.

Rosenberg opende na de oorlog geen galerie meer en overleed op 31 juli 1947 te Neuilly-sur-Seine.

Contracten met kubisten

Rosenberg sloot met onderstaande kubisten een contract:

18 april 1916Diego RiveraTegen een maandelijks bedrag tussen 250 en 280 francs moest Rivera vijf schilderijen leveren.
18 april 1916Henri LaurensLaurens kreeg afhankelijk van de grootte 200 tot 500 francs voor zijn beelden.
18 april 1916Auguste Herbin
20 april 1916Juan GrisGris kreeg afhankelijk van de grootte 40 tot 350 francs voor zijn schilderijen.
15 juni 1916Jean Metzinger
24 november 1916Georges Braquelaatste blad, contract 24-11-1916 Het contract hield in, dat Rosenberg de eerste keus had en voor minstens 1000 francs per maand zou afnemen. Afhankelijk van de maat betaalde Rosenberg van 150 tot 1.100 francs. Het contract bevindt zich sinds 1997 in Centre Pompidou. Hiernaast het laatste blad van het contract.
6 december 1916Henri Hayden
6 december 1917
1 juli 1918
Fernand LégerLéger kreeg afhankelijk van de grootte 200 tot 800 francs voor zijn schilderijen.
1 januari 1919Gino SeveriniVanaf 1916 had Rosenberg met Severini een eerste keus-overeenkomst. Daarnaast hield Rosenberg tegen, dat Severini aan tentoonstellingen bij andere galeries deelnam. Met het nieuwe contract kreeg Severini 12 Francs per nummer. Voor maatnummer 10, een figuurschilderij van 55 cm bij 46 cm, kreeg Severini 120 Francs. Per 1 januari 1920 verhoogde Rosenberg de prijs per nummer naar 15 Francs. Per 15 oktober 1921 werd de prijs verhoogd naar 35 francs, het jaar daarop naar 45 francs en het derde jaar 55 francs.
8 januari 1919Jacques Lipchitz
18 november 1920Joseph Csáky

Deze contracten waren mede mogelijk doordat de zaken van de twee belangrijke kunsthandelaren, Kahnweiler en Wilhelm Uhde, door hun Duitse achtergrond gesloten waren en hun bezit geconfisqueerd. In de periode 1914-1918 was Rosenberg vrijwel de enige koper van kubistisch werk.

Zijn contact met de kubisten werd nog verslechterd doordat hij als expert van 1921 tot 1923 meewerkte aan de veilingen van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler en Uhde door de Franse staat. Bij de aanvang van de eerste veiling van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler op 13 juni 1921 kreeg Rosenberg klappen van Braque wegens zijn medewerking aan de veiling. Rosenberg verzorgde o.a. voor de eerste drie veilingen een verkoopcatalogus,

Door de terugkeer van Kahnweiler in februari 1920, zijn medewerking aan de veilingen en de werkzaamheden van zijn broer Paul raakte Léonce de contracten met Braque, Gris, Laurens, Léger (tot 1923) en Picasso kwijt. Door de verkoop van zoveel kubistische werken in een zeer korte periode en de negatieve publiciteit stortte de markt in. Rosenberg kwam in financiële moeilijkheden maar kwam de slag te boven. Slachtoffer werd o.a. Piet Mondriaan, die in september of oktober 1921 voor 2450 FF een aantal werken aan Rosenberg had verkocht, maar niet betaald kon worden.

Galerie de l'Effort Moderne

Galerie de l'Effort Moderne, 1921

In 1918 startte Rosenberg met de Galerie de l'Effort Moderne in de Rue de la Baume 19 te Parijs. De eerste expositie van 1 t/m 22 maart was gewijd aan Auguste Herbin. Daarna werd de reeks onderbroken tot na de wapenstilstand op 11 november 1918 door de beschietingen van Parijs. In december 1918 begon Rosenberg met een reeks tentoonstellingen. Braque had in maart 1919 zijn solo-expositie. Op zondagen werd de galerie een verzamelplaats van schrijvers en dichters. Volgens Severini waren Guillaume Apollinaire, Pierre Reverdy, Jean Cocteau, André Breton, Philippe Soupault, Louis Aragon, Radiguet, Pierre Albert-Birot, Max Jacob, Paul Dermée, André Salmon en Roch Grey (=d'Oettingen) geregeld aanwezig. Op 25 februari 1920 deelde Rosenberg, die in grote financiële problemen was gekomen, aan zijn onder contract staande kunstenaars mede, dat hij vanaf begin april geen individuele exposities meer zou houden. Er zou uitsluitend voortaan een min of meer permanente expositie zijn.

catalogus, 1920

De pogingen van Léonce Rosenberg om de verkoop van kubistische werken nieuw leven in te blazen werd niet door André Lhote gezien. Volgens hem luidde alleen de doodsklok voor het kubisme. Denkelijk had Paul zijn broer Léonce tijdens de oorlog financieel gesteund bij zijn aankopen. In februari 1920 organiseerde Léonce Rosenberg bij Galerie Moos, Rue du Marché 13 te Gèneve de expositie La jeune peinture française, les peintres cubistes, die o.a. door Kahnweiler werd bezocht. In zijn eigen galerie hield Léonce Rosenberg van 3 mei t/m 30 oktober 1920 de expositie Maîtres du cubisme. Hier waren werken te zien van Braque, Gris, Herbin, Laurens, Léger, Metzinger, Picasso en Severini.

In mei 1920 publiceerde Léonce Rosenberg Les maîtres du cubisme. Juan Gris - vingt tableaux, dat geschreven was door Maurice Raynal waarin 20 reproducties van Gris' werken stonden, die Rosenberg bezat of had gehad. In dezelfde serie verschenen ook Picasso en Léger geschreven door Raynal en Braque gescheven door Bissière. De serie werd in twee uitvoeringen uitgegven, n.l. zonder illustraties voor 3 FF en met illustraties 150 FF. De geplande delen over Herbin, Metzinger, Survage, Valmier, Czaky en Laurens, die aangekondigd werden op de kaft van de door Rosenberg uitgegeven brochure Cubisme et empirisme, gingen niet door.

In 1922 publiceerde Léonce Rosenberg Les maîtres du cubisme. Pablo Picasso, waarin 48 reproducties van Picasso's werken stonden uit de periode 1913-1920 die Rosenberg bezat of had gehad. Zijn contact met de kubisten werd nog verslechterd doordat hij als expert van 1921 tot 1923 meewerkte aan de veilingen van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler en Uhde door de Franse staat. Door de verkoop en de negatieve publiciteit stortte de markt in. Om toch inkomen te verkrijgen verlegde Léonce Rosenberg zijn werkzaamheden naar het buitenland. In de herfst van 1921 vroeg Rosenberg advies aan John Quinn over een verkooptentoonstelling van ongeveer 200 kubistische werken bij de Anderson Gallery in New York. Quinn raadde via een brief op 26 november 1921 het idee sterk af. Ook op een lijst van door Rosenberg opgesomde potentiële kopers leverde Quinn op 29 november commentaar. Negatief beoordeelde hij Mrs. Harry Payne Bingham, Mrs. Gano Dunn, Mr. Adolph Lewisohn, Mr. William Church Osborn, Mrs. Charles H. Seuff, Mr. Joseph Stransky, Mrs. George Vanderbilt, Lizzie P. Bliss, Mr. Paul Daugherty, Mr. Harry Payne Whitney, Mr. Bryson Burroughs en positief Mr. Hamilton Easter Field, Arthur B. Davies. Quinn voegde aan de lijst van potentiële kopers de namen van Arthur J. Eddy en Walter Arensberg toe.

Meer succes had Rosenberg met veilingen in Nederland (1920 en 1921). Op deze manier zijn kubistische werken in Nederland terecht gekomen.

Door de Nederlandse veilingen kwam Rosenberg in contact met H.P. Bremmer, die o.a. de verzamelaarster Hélène Kröller-Müller bij haar kunstaankopen adviseerde. De schrijfster Hildelies Balk toonde in haar boek De kunstpaus H.P. Bremmer (1871-1956) met drie voorbeelden aan, dat Bremmer hierdoor zelf goedkoper kon aankopen.

Bulletin nr 1

Tussen 1924 en 1927 gaf Léonce Rosenberg veertig keer het tijdschrift Bulletin de l'Effort Moderne uit. Vanaf februari 1929 had Léonce Rosenberg contact met Francis Picabia. In 1928 bracht Léonce zijn persoonlijke kunstverzameling onder in zijn woning in de Rue de Longchamp. Bevriende kunstenaars, o.a. Severini, maakten decoratieve panelen. Van 9 t/m 31 december 1930 hield Rosenberg een retrospectieve expositie met 62 werken van Picabia in Rosenbergs galerie in de Rue de la Baume te Parijs. Van 1 t/m 24 december 1932 was een tentoonstelling van 99 tekeningen van Francis Picabia in de galerie van Léonce Rosenberg. De tekeningen hadden te maken met een gedicht van Gertrude Stein, dat vertaald was door Marcel Duchamp. Rosenberg werd in 1933 de exclusieve handelaar van werken van Picabia.

Van 1 t/m 28 februari 1937 hield Rosenberg in zijn galerie de tentoonstelling Les Peintres cubistes.

Nalatenschap

advertentie

De erfenis, waaronder ruim 1500 foto's van kunstwerken, die nu ondergebracht zijn in het Musée National d'Art Moderne, werd verdeeld onder zijn drie dochters. Léonces dochter Lucienne Rosenberg, die tot 1933 bij haar vaders galerie had gewerkt, zette de traditie voort via haar Galerie Lucienne Léonce-Rosenberg in de Rue Gay-Lussac 15 te Parijs. Ze organiseerde o.a. van 11 april t/m 8 mei 1948 een expositie voor Francis Picabia. Lucienne Rosenberg gaf voor haar dood het archief van haar vaders galerie aan Alain Jousseaume, die het verkocht aan het Musée National d'Art Moderne, Centre Georges Pompidou.

Correspondentie van Rosenberg bevindt zich ook in het archief van het Museum of Modern Art te New York. Op initiatief van James Thrall Soby kocht het museum de papieren die met de titel The Annals of Cubism; From the Archives of Léonce Rosenberg uit de periode 1914-1932 op een veiling bij de Parke-Bernet Galleries op 31 oktober 1961 werden aangeboden.


Laatste wijziging: 211014