Ambroise Vollard (1866-1939).

Ambroise Vollard werd op 3 juli 1866 geboren in Saint-Denis op het eiland La Réunion, waar zijn vader Alexandre advocaat was. Ambroise kwam in 1887 vanuit La Réunion naar Montpellier in Frankrijk voor zijn studie rechten. In het najaar verhuisde hij naar Parijs om zijn studie voort te zetten. In 1888 stopte hij met zijn studie en ging hij werken bij de galerie L'Union Artistique van Alphonse Dumas voor 125 FF per maand. Vanuit zijn woning ging Vollard handelen in tekeningen en prenten. Via Maurice Denis kwam Vollard in contact met de avant-garde van die tijd: de Nabis. In september 1893 opende Vollard een kleine galerie in de rue Laffitte 37 te Parijs. In 1894 kocht Vollard voor 470 Francs van de weduwe van Edouard Manet (1832-1883) tekeningen en onafgemaakte schilderijen van Manet en stelde ze tentoon in zijn nieuwe galerie van 17 november t/m 20 december 1894. Denkelijk door deze tentoonstelling leerde Vollard de schilders Auguste Renoir en Edgar Degas kennen en ging hij handelen in hun werken.

Les Peintres-Graveurs, 1896

In 1895 huurde Vollard een grotere ruimte op nummer 39 en die opende hij op 4 juni met een tentoonstelling van 14 schilderijen werken van Vincent van Gogh. In november-december 1895 hield Vollard een tentoonstelling met 56 schilderijen en 54 tekeningen van Cézanne. Vollard kocht 150 schilderijen van Cézanne, waarin hij al zijn geld stak. Vollard werd Cézannes enige dealer. Het succes zorgde voor een nieuwe verhuizing naar nummer 6 in mei 1896. Op 15 juni 1896 opende de galerie met een grote tentoonstelling van prenten onder de naam Les Peintres-Graveurs. In zijn galerie installeerde hij kort daarop een lithopers en maakte hij albums. Vollard speelde een belangrijke rol bij de herleving van prenten en kleurenlitho's.

Renoir: Lise Tréhot, 1868

Vanaf 1897 bezocht Vollard regelmatig de schilder Auguste Renoir (1841-1919) en zijn vrouw in Château des Brouillards in rue Girardon 13 in Montmartre. De eerste ontmoeting was geweest op 15 oktober 1984, toen Renoir twee aquarellen van Manet bij Vollard had gekocht. Vollard kocht vanaf 1895 van Renoir in het begin vooral klein werk, dat niet interessant was voor Durand-Ruel. Renoir, die minstens drie portretten van Vollard schilderde (1906, 1908 en 1917), vertrouwde Vollard zodanig, dat hij hem op 9 februari 1899 1500 FF liet betalen aan Lise Tréhot in verband met Renoirs dochter Jeanne (1970-1934) bij zijn model tussen 1865 en 1872. Zij hadden ook een zoon, Pierre, die geboren was in 1868. Op 21 juni 1883 trouwde Lise in Paris de architect Jean Vivien Georges Brière de l'Isle en Jeanne trouwde in 1893 de bakker Robinet. Pas na de dood van Renoir, die in 1890 trouwde met Aline Charigot, werd het bij hun drie zonen bekend. Vollard bleef Renoir bezoeken in Cagnes-sur-Mer, waar Renoir in 1907 Les Collettes had gekocht.

Hoofd van een vrouw, 1909

In 1898 organiseerde hij een tweede Cézanne-tentoonstelling en op 29 april 1899 kocht Sergei Stschukin voor het eerst bij Vollard. Op 11 oktober 1904 zou Iwan Morosov volgen en op 28 oktober 1904 Gertrude en Leo Stein, die voor 8000 FF zeven schilderijen kochten. Van 25 juni t/m 14 juli 1901 werd op verzoek van Pere Mañach de eerste tentoonstelling van Pablo Picasso samen met Francisco Iturrino (1864-1924) gehouden. Vollard kocht herhaaldelijk werken van Picasso: 27 werken voor 1500 FF op 4 februari 1906, 27 werken op 11 mei 1906 voor 2000 FF, 6 schilderijen voor 1000 FF op 16 november 1906, op 4 november 1907, voor 2500 FF op 13 februari 1907, 12 schilderijen op 31 juli 1907, 11 schilderijen op 13/14 september 1907 en op 5 december 1907. Ook daarna betaalde Vollard herhaaldelijk Picasso: op 10 mei 1909 2200 FF, op 14 oktober 1909 1000 FF en op 5 november 1909 1000 FF. Misschien waren deze bedragen een voorschot voor vijf beelden en het recht op reproductie van de beelden, waaronder het kubistische beeld van Fernande uit 1909.
Zie de webpagina: Kubistische beeld Fernande.

Vollard hield ook de eerste tentoonstelling van Henri Matisse (1 t/m 18 juni 1904), van Kees van Dongen (vanaf 25 november 1904) en kocht hij vele werken van Maurice de Vlaminck en andere fauvisten. Op aanraden van Matisse kocht Vollard op 23 november 1905 in één keer alle werken, 89 schilderijen en 80 aquarellen, in het atelier van André Derain.

Na de aankoop van zijn portret stopte Vollard met het aankopen van kubistische werken, daar hij de ingeslagen weg niet waardeerde. Op 24 februari 1913 verkocht hij zijn portret voor 3000 FF aan de Russische verzamelaar Iwan Morosov. Vollard kocht vooral in grote aantallen werken tegen een lage prijs van één kunstenaar, die hij bewaarde en als de prijs voor de kunstenaar omhoog ging verkocht hij enkele werken. Zo kocht hij op 24 maart 1906 voor 7000 FF o.a. 147 schilderijen van Henri Manguin. Slechts sporadisch sloot hij een contract met een kunstenaar. Zo sloot hij met André Derain een contract om 50 werken in Londen te gaan maken. Op 24 april 1906 kocht Vollard 20 werken van Matise voor 2200 FF, denkelijk wegens het succes van Matisse op de Salon des Indépendants van 1906. Een ander initiatief van Vollard was het beschilderen van keramiek door zijn kunstenaars. In 1906 stuurde hij Pierre Laprade, Derain, de Vlaminck, Matisse, Rouault, Put en Rousseau naar de pottenbakker André Metthey (1871-1920) in Asnière. Het resultaat, ruim honderd voorwerpen, werd getoond op de Salon d'Automne van 1907. In 1913 kocht Vollard alle 770 werken in het atelier van Georges Rouault. Door het uitbreken van de Eerste wereldoorlog werd pas op 5 mei 1917 49.510 FF door Vollard aan Rouault betaald.

Vele schilders, waarvan Vollard werken kocht voor de verkoop, maakten een portret van Ambroise Vollard. Hieronder werken van Maurice Denis, Paul Cézanne, Auguste Renoir, Félix Vallotton, Pablo Picasso, Auguste Renoir en Pierre Bonnard. Ook Georges Rouault (1871-1958) schilderde in 1926 en Raoul Dufy in 1934 een portret van Vollard.

Maurice Denis, afm.: 26 x 21 cm
Paul Cézanne, afm.: 101 x 81 cm, Parijs
Félix Vallotton, afm.: 79 x 63 cm, MBvB Rotterdam
Picasso, 1910
Picasso, 1915
Auguste Renoir, afm.: 103 x 84 cm, Tokio
Pierre Bonnard, afm.: 96,5 x 111 cm, Parijs
Denis
Cézanne
Vallotton
Picasso
Picasso
Renoir
Bonnard
1899
1899
1902
1910
1915
1917
1924

Daar Vollard succes had gehad met het verkopen van schilderijen aan de Russen Morozov en Stschukin besloot hij de Russische kunstmarkt direct te gaan benaderen. In 1912 stuurde Vollard meer dan 36 werken naar in St. Petersburg om deel te nemen aan de tentoonstelling Honderd jaar Franse kunst, die georganiseerd werd door Sergei Makovsky, de krant Apollon en het Franse Instituut. De tentoonstelling met ongeveer 1000 werken ging op 15 januari 1912 van start in het huis van Prins Felix Yussoupov.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield Vollard zich vooral bezig met het publiceren en het uitlenen van werken aan tentoonstellingen. Tijdens de tentoonstelling Französische Kunst des XIX. und XX. Jahrhunderts, die gehouden werd van 5 oktober t/m 14 november 1917 in Kunsthaus Zürich, hield Vollard op 11 oktober een voordracht. In verband met de beschietingen van Parijs sloot Vollard de galerie en werd de voorraad in 71 kratten op 23 juni 1918 ondergebracht in Saumur, waar de schilder Rouault erop lette. Hij had op Vollards verzoek ook de ruimte gezocht. Na de oorlog behield Vollard de ruimte in de Rue Lafitte 6, maar ging hij handelen vanuit zijn appartement in de rue de Gramont 28. Het Parijse kunstcentrum was verplaatst naar de rue de Boétie. In 1924 moest zijn oude galerie plaatsmaken voor een uitbreiding van de Boulevard Haussmann en ging hij werken vanuit zijn nieuwe woning in Rue de Martignac 28, die hij op 19 juni 1920 voor 330.000 FF gekocht. Hij gebruikte twee kamers en de rest was gevuld met zijn grote collectie. Op de begane grond was een grote ruimte, die Vollard als galerie gebruikte. In 1936 maakte Vollard een reis naar New York, waar hij van 27 oktober t/m 11 november verbleef. In 1937 werkte Vollard mee aan de tentoonstelling Les Maîtres de l'art indépendant, 1895-1937 door 47 werken uit te lenen. Vollard stierf op 22 juli 1939 doordat tijdens een auto-ongeluk op weg van zijn buitenhuis in Tremblay-sur-Mauldre naar Parijs. De wagen bestuurd door zijn chauffeur slipte op de natte weg tussen Trappes en Pontchartrain de vorige dag, raakte iets en sloeg over de kop. Vollard werd zwaar gewond naar een ziekenhuis in Versailles gebracht, waar hij overleed. Picasso kwam uit Zuid-Frankrijk over om de begrafenis op 28 juli bij te wonen.

Madeleine de Galéa - Moreau, 1912

Bij testament, al gemaakt op 7 december 1911, vermaakte Vollard twee werken van Cézanne en twee van Renoir aan het Musée du Petit Palais. Zijn vermogen vermaakte hij aan de weduwe Madeleine de Galéa - Moreau (1874-1956), waarmee hij zeer lang bevriend was, zijn familie, zijn huishoudster Eugénie S. Hott, Robert de Galéa en de zoon van Cézanne. Zijn collectie, denkelijk ruim 5000 werken, moest in minstens tien veilingen verdeeld over maximaal zes jaar verkocht worden bij Bernheim-Jeune en Durand-Ruel. Door de dreigende Tweede Wereldoorlog zou daar voorlopig niets van komen. Vollards broer Lucien schonk in mei 1940 18 schilderijen en een beeldje van Maillol aan het Musée du Petit Palais, nadat de curator Escholier had aangekondigd een zaal naar Vollard te vernoemen.

Le mystère Chlomovitch Vrouwenhoofd, afm.: 59 x 50 cm

De Joegoslaaf Eric Chlomovitch bleek later in het bezit van een deel van Vollards verzameling, die hij in 1939 gedeeltelijk meenam naar Joegoslavië. Één van de werken was het nevenstaande schilderij Vrouwenhoofd van Picasso uit 1909. Het werk bevindt zich nu in het Narodni muzej te Belgrado. De schilder Momo Kapor schreef hierover het boek Le mystère Chlomovitch (ISN: 2-88892-005-0). Na de oorlog zouden diverse rechtzaken volgen om de schilderijen bij de juiste erfgenamen te laten komen. Zo was een deel van de erfenis, 702 schilderijen waaronder het bovenstaande Vollard als Toreador, toen het aan boord was van de SS Excalibur op weg naar de Verenigde Staten, door de Britse marine in beslag werd genomen en ondergebracht werd in de National Gallery of Canada te Ottawa.

Vollard heeft vooral verdienste gehad als uitgever. Vele uitgaven werden door kunstenaars geillustreerd. Ook schreef hij over Renoir en Cézanne in de serie Livres d'art. In 1936 verscheen van Vollard in het Engels zijn boek Recollections of a Picture Dealer. De Franse versie Souveniers d'un marchand de tableaux verscheen in 1937.

Catalogus, 2006

Op 16 oktober 1989 verkreeg de Direction des Musées de France en het Musée d'Orsay het archief van Vollard als betaling van de successierechten door de erfgenamen van Lucien Vollard. Hieronder zijn 7000 foto's, waarvan 4500 glasplaten, van kunstwerken, maar ook van kunstenaars en tentoonstellingen. Van 14 september 2006 t/m 7 januari 2007 werd in The Metropolitan Museum of Art te New York, van 17 februari t/m 12 mei 2007 in het Art Institute of Chicago de tentoonstelling Cézanne to Picasso: Ambroise Vollard, patron of the Avant-Garde en van 19 juni t/m 16 september 2007 in het Musée d'Orsay te Parijs de tentoonstelling De Cézanne à Picasso, chefs-d'oeuvre de la galerie Vollard gehouden.