De Amerikaanse fotograaf Alfred Stieglitz werd op 1 januari 1864 te Hoboken (New Jersey) geboren als eerste kind in een welvarend Duits immigrante gezin. Het gezin met uiteindelijk zes kinderen verhuisde in 1871 naar New York. Zijn vader Edward (1833-1909) was een amateurschilder en kwam in 1850 naar de V.S., zijn moeder Hedwig Ann Werner (1845-1922) in 1852. In 1881 kon zijn vader stoppen met werken en ging het gezin naar Duitsland om de kinderen een Europese opleiding te geven. Hij ging na een jaar op de Karlsruhe Realgymnasium in 1882 in Berlijn voor ingenieur studeren aan de Technische Hochschule. Tijdens zijn studie ontdekte hij het fotograferen en stapte hij over naar de universiteit van Berlijn, waar hij zich ook met fotochemie bezig hield. In 1887 won hij met fotograferen een prijs. Op aandringen van zijn vader, die in 1884 met zijn vrouw naar de V.S. was teruggekeerd, keerde Alfred in 1890 naar New York terug. Aanleiding was de dood van zijn zus Flora (1865-1890) in het kraambed. Op 16 november 1893 trouwde Stieglitz met Emmeline Obermeijer (1873?-1953) en in 1894 bezocht het echtpaar Frankrijk, Zwitserland, Italië en Engeland. Op 27 september 1898 werd Stieglitzs enig kind Katherine geboren, die in 1971 zou overlijden. Van 1893 tot 1896 was hij redacteur bij het tijdschrift American Amateur Photographer.
Op 25 november 1905 vestigde hij met zijn vriend, de schilder en fotograaf Edward Steichen (1879-1973), in Steichens atelier de fotogalerie Little Galleries of the Photo-Secession op de zolder van het huis op de Fifth Avenue 291. In januari 1907 exposeerde Stieglitz naast foto's ook tekeningen en aquarellen van Pamela Coleman Smith (1878-1951). Het succes zorgde ervoor, dat Stieglitz dit vaker ging doen. In de zomer van 1907 bracht Stieglitz een bezoek aan Parijs en in januari 1908 liet hij tekeningen van Auguste Rodin zien. Deze waren door Steichen, die opnieuw in 1906 naar Parijs was vertrokken en die Rodin had leren kennen in de periode 1900-1902 toen Steichen ook al in Parijs verbleef, opgestuurd. In april 1908 hield Stieglitz de eerste tentoonstelling van Henri Matisse in de V.S. Beide tentoonstellingen zorgden voor veel commotie en een aantal fotografen haalden hun werk weg.
Nadat het driejarig contract in 1908 was afgelopen en de huisbaas een nieuw vierjarig contract voor het dubbele huurbedrag aanbod, verhuisde de galerie in december 1908 naar een ruimte op nummer 293 en gaf Stieglitz zijn galerie de naam 291. Deze verhuizing werd mogelijk gemaakt door de advocaat en amateurfotograaf Paul Haviland, de oudere broer van Frank Burty, die de financiën voor de huur verzorgde. Stieglitz liet vooral de nieuwe ontwikkelingen in de kunst zien met tentoonstellingen. Zie voor een overzicht de webpagina: Tentoonstellingen in Galerie 291.
In 1909 bracht Stieglitz opnieuw een bezoek aan Parijs, waar hij de schilderijen van Matisse bij Sara en Michael Stein zag en een dag later de verzameling van Leo en Gertrude Stein. Gegrepen door de werken van Matisse en Picasso organiseerde Stieglitz ook een tentoonstelling voor Pablo Picasso, waar de Amerikaanse schilder Max Weber al veel eerder op had aangedrongen. De werken van Picasso op de tentoonstelling in 1911 waren uit de periode 1905-1910, die dankzij de medewerking van Gertrude Stein en Frank Burty door Stieglitz konden worden tentoongesteld. Het was de eerste tentoonstelling van Picasso's werk in Amerika. Stieglitz kocht nevenstaande houtskool tekening Naakt uit 1910. Van de rest werd slechts één werk verkocht. Stieglitz probeerde de rest voor $ 2.000 te verkopen aan het New Yorkse Metropolitan Museum of Art, maar de curator Bryson Burroughs had geen interesse. Het gekochte werk van Picasso werd afgedrukt in oktober 1911 in Camera Work (nr. 36). Van Camera Work verschenen van januari 1903 tot eind 1917 in totaal 50 nummers. Tot 1908 werden uitsluitend foto's en artikelen over fotograferen gepubliceerd, maar vanaf 1908 kwam er steeds meer aandacht voor andere kunsten.
Van mei tot november 1911 verbleef Stieglitz in Europa. Hij bezocht o.a. München, Stuttgart en Lucerne. Aan het einde van die zomer verbleef Stieglitz drie weken in Parijs. Hij bezocht daar de Salons en galeries en sprak hij met Rodin, Matisse en Picasso. Terug in Amerika probeerde hij te vergeefs het Metropolitan Museum over te halen een expositie te organiseren van Cézanne, van Gogh, Matisse en Picasso. In augustus 1912 zorgde Stieglitz voor een speciaal nummer van het blad Camera Work over de moderne kunst in Europa. Hierin stond reproducties, o.a. de twee nevenstaande afbeeldingen van het kubistische beeld van Fernande uit 1909 dat hij op 15 januari 1912 bij Vollard had gekocht, en ook een bijdrage van Gertrude Stein over Matisse en Picasso. In hetzelfde nummer stonden ook afbeeldingen van Picasso's werken Reservoir te Horta de Ebro uit 1909, Naakt uit 1910 en Portret van Kahnweiler uit 1910.
Alfred Stieglitz zorgde ervoor dat het kunstklimaat voor de modernisten zodanig verbeterd werd, dat anderen het initiatief namen om grote tentoonstellingen te gaan organiseren waar ook werken die niet aan de academische traditie voldeden. Allereerst in 1910 de Exhibition of Independent Artists door Robert Henri (1865-1929), John Sloan (1871-1951), Arthur Davies en Walt Kuhn (1877-1949). Hier werden 500 werken zonder jury en prijzen getoond in een ruimte aan de West Thirty-fifth Street. Een nog grotere tentoonstelling was de International Exhibition of Modern Art, die werd gehouden van 17 februari t/m 15 maart 1913 in New York. De tentoonstelling werd bekend onder de naam Armory Show, daar deze gehouden werd in het Arsenaal van het 69ste regiment. De Amerikanen kregen de kans uitgebreid kennis te maken met de Europese kunst. Vooral het nevenstaande schilderij Naakt, een trap afdalend van Marcel Duchamp zorgde ervoor dat het kubisme in heel het land bekend werd. Stieglitz leende o.a. zijn kubistische beeld van Fernande uit 1909 aan de tentoonstelling uit. De tentoonstelling trok daarna in Boston en Chicago zeer veel bezoekers.
De vriendenkring van Stieglitz werd in 1912 gefotografeerd. Op nevenstaande foto zien we van links naar rechts Paul Haviland (1880-1950), de schilder Abraham Walkowitz (1878-1965), de schilderes Katharine N. Rhoades (1885-1965), Emmeline Stieglitz, Agnes Ernst Meyer, Alfred Stieglitz, de schrijver John Barrett Kerfoot (1865-1927) en de schilder John Marin (1870-1953). Stieglitz was het middelpunt van een uiterst actieve avant-garde groep van Amerikaanse schilders, de verzamelaars Walter C. Arensberg en Katherine S. Dreier en een grote groep uit Europa afkomstige kunstenaars, zoals Albert Gleizes, Francis Picabia en Marcel Duchamp. Meestal kwamen zij bijeen bij Stieglitz of bij de familie Arensberg. In 1913 schilderde Man Ray na de Armory Show het nevenstaande portret van Stieglitz, waarin een verwijzing stond naar de Galerie 291.
In maart 1915 bracht Stieglitz, op aandrang van Paul Haviland, samen met Agnes Ernst Meyer en Marius de Zayas het tijdschrift '291' uit, met daarin artikelen van kunstenaars, o.a. van Marcel Duchamp en Picabia en reproducties van kubisten en andere moderne kunstenaars. Vooral nog onbekende Amerikaanse kunstenaars kregen via Stieglitz een kans om bekend te worden. Een van hen was de schilderes Georgia O'Keeffe (1887-1986) in 1916. In februari 1916 verscheen het laatste nummer.
Op 7 oktober 1915 opende Stieglitz de Modern Gallery op de Fifth Avenue 500 te New York om moderne kunst te promoten en te verkopen. Marius de Zayas leidde de nieuwe galerie. De galerie 291 bleef zijn oude taak voortzetten. Er waren maar drie kopers in de drie jaar dat de Modern Gallery bestond, n.l. Arthur B. Davies, John Quinn en vlak voor de sluiting in 1918 Walter Arensberg.
In 1915 kocht Stieglitz het nevenstaande papier collé Bouteille et verre sur un guéridon van Picasso uit 1912. Hij kocht het werk op de tentoonstelling An Exhibition of Recent Drawings and Paintings by Picasso and by Braque, of Paris die van 9 december 1914 t/m 11 januari 1915 gehouden werd in zijn galerie 291. In 1950 kreeg het Metropolitan Museum of Art te New York het werk uit de erfenis. Een ander kubistisch werk uit de schenking was de inkttekening Hoofd uit 1909.
In mei 1917 sloot, mede door de Eerste Wereldoorlog, Stieglitz de galerie 291 en in juni 1917 verscheen het laatste nummer van Camera Work. In 1918 verliet Stieglitz zijn vrouw en dochter en hij trok in bij de schilderes Georgia O'Keeffe. Stieglitz trouwde in 1924 kort na zijn scheiding met haar en zij was tot zijn dood vaak het onderwerp van zijn foto's. In 1925 organiseerde Stieglitz de expositie Seven Americans in de Anderson Galleries te New York. Het succes zorgde ervoor dat Stieglitz in het najaar van 1925 opnieuw een galerie opende, n.l. The Intimate Gallery in het gebouw van de Anderson Galleries op Park Avenue. Stieglitz kreeg in 1928 een hartaanval, waarvan hij niet geheel herstelde. Mede door zijn gezondheid en de verkoop van het gebouw wilde Stieglitz stoppen met de galerie, maar zijn vrouw en vrienden wilden hem een plaats geven waar hij verder kon met zijn ideaal om kunstenaars een expositieplaats te geven.
In december 1929 opende Stieglitz zijn nieuwe galerie An American Place op de Madison Avenue 509, kamer 1710. Heel zijn leven zette hij zich in om fotograferen tot een kunstvorm te verheffen. Toen hij in 1937 niet meer zijn camera's kon hanteren stopte hij met fotograferen. Op 13 juli 1946 overleed Stieglitz in New York, nadat hij op 10 juli in verband met een hartaanval was opgenomen in het ziekenhuis. In 1949 schonk zijn weduwe O'Keeffe een groot aantal kunstwerken aan het Metropolitan Museum te New York, het Philadelphia Museum of Art, het Art Institute of Chicago, de Fisk University in Nashville en 1600 foto's aan The National Art Gallery te Washington. In de periode 1949-1953 schonk O'Keeffe op aanraden van Carl van Vechten het archief van Stieglitz aan de Yale University Linrary te New Haven. Ook de familie van Georgia O'Keeffe en Stieglitz schonken hun archief aan het instituut.