Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd het bezit van de Duitse kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler in beslag genomen. Kahnweiler was op het moment van het uitbreken van de oorlog op vakantie in Rome. Onder het in beslag genomen bezit waren 381 kubistische werken waarvan 132 van Picasso. Deze werken bleven lange tijd in de galerie achter slot en grendel. Na de oorlog werden de werken op grond van artikel 297 van het Verdrag van Versailles in een viertal veilingen verkocht in Hôtel Drouot. Wettelijk was dat op 7 oktober 1919 geregeld door het aannemen in het Franse parlement van een wet, die de opbrengst van de verkoop van geconfisqueerde Duitse goederen regelde. De Franse musea hadden de opdracht om geen werken op de veilingen te kopen.
Volgens het boek Die Sammlung Kahnweiler bezat Kahnweiler o.a. 205 werken van Maurice de Vlaminck, 132 van Pablo Picasso, 123 van Georges Braque, 111 van André Derain, 56 van Juan Gris, 43 van Fernand Léger en 33 van Kees van Dongen.
De veilingen werden georganiseerd door J. Zapp, een ambtenaar van het Ministerie van Financiën, die was aangesteld als Liquidateur-séquestre, maar in de praktijk gehouden door Alphonse Bellier. Léonce Rosenberg was de expert, die voor de eerste drie veilingen de catalogus verzorgde en de geschatte opbrengst bepaalde. In de catalogi stond een aantal werken afgebeeld. Bij het verslag van de eerste drie veilingen in La Gazette de l'Hôtel Drouot werd de koopsom en de koper vermeld, maar helaas zijn de kunstwerken niet allemaal achterhaald. Dit kwam o.a. door de vaak afwijkende naam t.o.v. de huidige en de vaak gebruikte namen, zoals Nature morte (=stilleven) zonder toevoeging (54x bij Picasso, 48x bij Braque, 5x bij Léger, 27x bij Gris), Le verre (13x bij Picasso, 9x bij Braque), paysage, figure en tête.
Daar Kahnweiler niet het recht had om te kopen besloten familieleden en vrienden voor hem te kopen om op die manier een deel van het Kahnweilers geconfisqueerde bezit terug te krijgen. Volgens de schrijvers Hans Albert Peters en Stephan von Wiese in de catalogus Alfred Flechtheim, Sammler, Kunsthändler, Verleger: 1937, Europa vor dem 2. Weltkrieg uit 1987 bestond de groep uit zeven personen, al werden zij niet allemaal genoemd. De groep, die zich Grassat noemde, bestond o.a. uit Kahnweilers stiefdochter Louise Godon, zijn broer Gustav Kahnweiler, zijn zwager Hans Forchheimer, zijn vriend Alfred Flechtheim en zijn vriend Johannes Rupf. Flechtheim nam met 6000 FF, 2/9 van het verzamelde kapitaal, deel aan de groep Grassat.
Opmerking: Een koper moest op de hamerprijs nog 17,5% veilingkosten betalen.
Op 13 en 14 juni 1921 werd de eerste verkoopveiling gehouden van 128 werken van Braque (23), Derain (24), van Dongen (6), Gris (9), Léger (7), Picasso (26) en de Vlaminck (33). De eerste veiling omvatte volgens de kaft van de catalogus naast schilderijen, beeldhouwwerken en modern keramiek ook Art Nègre en luxe boeken.
Via de groep Grassat kwam Kahnweiler tijdens deze veiling toch in het bezit van o.a. 11 van de 23 van Georges Braque en 8 van de 10 werken van Juan Gris. Op deze eerste veiling werden 26 werken van Picasso voor een totaal bedrag van 36.403 francs verkocht. Hieronder was het Absinth glas uit 1914 (22,5 x 12,1 x 8,6 cm) dat terecht kwam bij Galerie Simon. In 1935 werd het verkocht aan de New Yorker Albert E. Gallatin.
Aan het begin van de veiling was er een vuistgevecht tussen Georges Braque en Léonce Rosenberg, die als deskundige tot ongenoegen van Braque aan de veiling meewerkte. Braque zou daarna voor de verkoop van zijn schilderijen overstappen naar Léonces broer Paul Rosenberg.
De 23 schilderijen van Braque, waaronder een aantal fauvistische, werden gekocht door de groep Grassat (11 stuks), Dr. Maurice Girardin namens de door hem gevestigde Galerie de la Licorne (4 stuks), de kunsthandelaar Durand-Ruel voor de Amerikaanse kunstverzamelaar Albert Barnes (2 stuks), de ontwerper André Groult (2 stuks), Oscar Miestchaninoff en Amédée Ozenfant voor de verzamelaar Raoul la Roche (4 stuks). Voor de 23 werken van Braque werd 25.114 FF inclusief veilingkosten betaald.
Verder werden nog 24 werken van Derain, 9 van Gris, 7 van Léger, 33 van de Vlaminck en 6 van van Dongen verkocht. De opbrengst van de eerste veiling was 216.335 francs. De gemiddelde prijs voor een werk van Braque, Gris, Léger en Picasso was ongeveer resp. 929 FF, 380 FF, 860 FF en 1040 FF.
Zie voor een overzicht van de geveilde werken de webpagina: Verkochte kubistische werken tijdens de eerste veiling.
Op 17 en 18 november 1921 werd de tweede veiling gehouden in l'Hôtel Drouot, maar de verkoop viel erg tegen. Er werden volgens een advertentie tekeningen, gouaches, papiers collés en schilderijen geveild van Bernard Boutet de Monvel (2), Georges Braque (38), André Derain (39), Kees van Dongen (27), Juan Gris (15), Fernand Léger (10), Jean Metzinger, Pablo Picasso (46) en Maurice de Vlaminck (60). De opbrengst van de tweede veiling was 175.215 fransc.
Volgens Kahnweiler was ook tijdens deze veiling een opstootje. Alphonse Basler sloeg Léonce Rosenberg met een paraplui op zijn hoofd, wegens het ongenoegen over Rosenbergs medewerking aan de veiling. De groep Grassat, die bijna 30 werken kocht, kocht opvallend genoeg geen werken van Picasso, maar wel van de kubisten Braque, Gris en Léger.
Het hoogste bedrag voor een schilderij van Braque, n.l. 1.250 FF, werd betaald door de verzamelaar Raoul la Roche voor het nevenstaande (links) La Joueuse de guitare uit 1913. De hoogste prijs voor een schilderij van Gris was slechts 250 FF en voor een schilderij van Léger 320 FF. Deze prijzen waren laag vergeleken met de hoogste prijs voor een werk van Picasso. De Zweed Rolf de Maré betaalde 2.900 FF voor het nevenstaande (rechts) La Guitare uit 1912. Andere kopers van meerdere schilderijen waren André Breton (8), de kunsthandelaar Paul Rosenberg (7), Amédée Ozenfant (6) die vooral voor la Roche kocht, de heer Netter (4), de kunsthandelaar Léonce Rosenberg (3), de Noorse museumdirecteur Jens Thiis (3), de heer Cottereau (2), de tandarts Daniel Tzanck (2), Alfred Richet (2) en de heer Peignot (2). De gemiddelde prijs voor een werk van Braque, Gris, Léger en Picasso in deze tweede veiling was ongeveer resp. 376 FF, 164 FF, 239 FF en 684 FF en daarmee aanzienlijk lager dan tijdens de eerste veiling.
Op deze veiling werd door Léonce Rosenberg voor 235 Francs het nevenstaande schilderij Femme en rouge et vert van Léger uit 1914 gekocht. In 1935 werd tijdens de expositie Les créateurs du cubisme Léonce nog als eigenaar aangegeven, maar in 1940 werd dit schilderij voor de tweede keer geconfisqueerd, nu door de Duitse bezetter, wegens de joodse achtergrond van de eigenaar Rosenberg.
Op de eerste twee veilingen werden in totaal 365 werken verkocht, waaronder 63 van Derain, 24 van Gris, 17 van Léger en 43 van Braque. De opbrengst van de veiling was 175.215 francs.
Zie voor een overzicht van de geveilde werken de webpagina: Verkochte kubistische werken tijdens de tweede veiling.
Op 4 juli 1922 werd de derde veiling gehouden, die o.a. bestond uit werken van Braque (18), Derain (12), Gris (6), Léger (8), Picasso (16), de Vlaminck (30) en tekeningen en gouaches. Daar vele mensen Parijs al voor vakantie hadden verlaten probeerde Kahnweiler via Léonce Rosenberg uitstel van de veiling te krijgen, maar dit mislukte. De opbrengst van de veiling was niet hoog. Van Picasso werden 16 werken verkocht en van Braque werd onder de vijftien werken het nevenstaande schilderij Grand Nu uit 1908 geveild onder de naam Baigneuse. Het werk werd voor 240 francs gekocht door André Breton, die nog twee andere schilderijen van Braque en één van Léger voor Jacques Doucet kocht. De verzamelaar André Lefèvre kocht op deze derde veiling o.a. étude Trois femmes van Picasso uit 1907. Kahnweiler slaagde er niet in om Derains schilderij van zijn vrouw Lucie te kopen. Het kwam in handen van Paul Rosenberg. Roger Dutilleul kocht het archief van de galerie en schonk het aan Kahnweiler. De groep Grassat kocht slechts één werk.
De opbrengst van deze derde veiling was 84.927 francs. De gemiddelde prijs voor een werk van Braque, Gris, Léger en Picasso in deze derde veiling was ongeveer resp. 287 FF, 94 FF, 233 FF en 468 FF en daarmee lager dan tijdens de tweede veiling.
Zie voor een overzicht van de geveilde werken de webpagina: Verkochte kubistische werken tijdens de derde veiling.
De vierde en laatste veiling was op 7 en 8 mei 1923. Er werden meer dan 400 werken aangeboden, waaronder Braque (46), Derain (36), Gris (26), Léger (18), Manolo, Picasso (50), de Vlaminck (92) en tekening e.d.. Ook 14 papiers collés van Braque werden geveild. Guitare, carte à jouer, bouteille de 'Bass' van Picasso werd voor 1720 francs verkocht en Guitare, bec à gaz, flacon van Picasso voor 5000 francs. In totaal werd er voor 227.662 francs tijdens de vierde veiling verkocht. De groep Grassat kocht voor 30.340 FF inclusief veilingkosten schilderijen van de Vlaminck en Picasso en tekeningen van Derain. De deskundige die Alphonse Bellier bijstond bij deze veiling was de knsthandelaar Durand-Ruel. De surrealistische dichter Robert Desnos schreef in mei 1923 een artikel over de veiling in de krant Paris-Journal.

Raoul la Roche kocht op deze vierde veiling het nevenstaande schilderij Les maisons dans les arbres van Léger uit 1914. Een afbeelding van dit grote doek stond in de catalogus van de veiling. Het schilderij is in 1952 door La Roche geschonken aan het Kunstmuseum Basel. Op dezelfde bladzijde stond het nevenstaande schilderij uit de serie Contraste de formes van Léger uit 1913. Het is nu eigendom van het Guggenheim Museum.

Het nevenstaande werk La Clarinette van Georges Braque uit 1913, dat nu Stilleven met Tenora heet, werd door Amédée Ozenfant direct of via de Galerie L'Effort Moderne van Léonce Rosenberg gekocht voor 470 Francs. In 1951 verkocht hij het werk voor 8000 dollars aan Nelson Aldrich Rockefeller (1908-1979), die op dat moment directeur was van het Museum of Modern Art te New York. Nelson had in 1939 zijn moeder Abby Aldrich Rockefeller opgevolgd en bleef directeur totdat hij in 1958 Gouveneur van New York werd. Zijn broer David zou hem opvolgen. In 1979 werd het werk na de dood van Rockefeller via zijn testament geschonken aan het Museum of Modern Art.
Van Gris werd o.a. het nevenstaande schilderij La Console de Marbre uit 1914 op de vierde veiling verkocht aan Paul Éluard. Op 3 juli 1924 werd het schilderij via een veiling in Hôtel Drouot aan Galerie Simon, de opvolger van Kahnweilers galerie, verkocht. Daarna kwam het schilderij bij Galerie Jeanne Bucher te Parijs terecht. Via drie andere bezitters in New York kwam het schilderij enige tijd terecht bij de Berggruen et Cie te Parijs. In 2004 bracht het schilderij voor de nalatenschap van Ruth G. Hardman $ 7,4 miljoen op bij Sotheby's New York.
De verzamelaar André Lefèvre kocht op de vierde veiling één van de versies Contrastes de forme van Léger.
De gemiddelde prijs voor een werk van Braque, Gris, Léger en Picasso in deze vierde veiling was ongeveer resp. 226 FF, 54 FF, 102 FF en 502 FF. In de opbrengst van deze vierde veiling, n.l. 227.662 francs, zat ook de verkoop van boeken, documenten, foto's en archief. Een deel van de documenten kocht de handelaar Georges Aubry, die het niet aan Kahnweiler wilde verkopen. Een groot deel van het archief kocht Roger Dutilleul, dat hij Kahnweiler aanbood.
Zie voor een overzicht van de geveilde werken de webpagina: Verkochte kubistische werken tijdens de vierde veiling.
Paul Rosenberg kocht tijdens de veilingen het schilderij Fruitschaal, druiven, krant en speelkaarten op een tafel van Braque voor 780 francs. Paul Éluard kocht drie werken van Braque waaronder de Fles Rum voor 210 francs. Amédée Ozenfant kocht de papier collé Klarinet van Braque uit 1913 voor 430 francs en verkocht het werk dertig jaar later aan Nelson Rockefeller voor $ 8.000. Rockefeller schonk het werk in 1979 aan het Museum of Modern Art te New York. Jeanneret kocht Klarinet en rumfles op een schoorsteenmantel van Braque voor 400 francs. Via diverse handen kwam het werk in 1978 voor $ 1,25 miljoen bij de Tate Gallery te Londen. De Zwitserse bankier Raoul La Roche kocht voor een totaal van 50.000 francs. Hij betaalde 1750 francs voor Viool op een tafel van Braque en 160 francs voor Mozart/Kubelick van Braque. Ook kocht hij meer dan veertig papiers collés. André Breton kocht achttien werken waaronder Vrouw met mandoline van Braque voor 550 francs.
Volgens Malcolm Gee in zijn boek Dealers, Critics, and Collectors of Modern Painting: Aspects of the Parisian Art Market Between 1910 and 1930 uit 1981 (ISBN: 0-8240-3931-9) kochten 88 personen, waarvan 24 handelaren, de werken. De kunsthandelaar Bernheim-Jeune kocht op de eerste twee veilingen 35 schilderijen, waaronder 26 werken van Maurice de Vlaminck.
In totaal werden in korte tijd 705 schilderijen op de markt geplaatst. Van Braque werden 135 schilderijen verkocht, van Derain 111, van Gris 57, van Léger 44, van Picasso 145 en van de Vlaminck 213 in totaal op de vier veilingen verkocht. Door het grote aanbod was de opbrengst per werk geringer dan verwacht. Vergelijken we het aantal geveilde werken met de productie van de kunstenaars, dan werd in 2 jaar tijds van Braque ongeveer 66% verkocht van zijn gemaakte werken in de periode 1906-1914, van Gris 57% uit de periode 1911-1914, van Léger 65% uit de periode 1909-1914 en van Picasso 45% uit de periode 1907-1914.
De vier veilingen brachten 704.139 francs op. Dankzij de medewerking van zijn vrienden Kann, Lefèvre, Dutilleul en René Gaffé was Kahnweiler in staat een gedeelte van zijn bezit terug te kopen. In een brief aan Braque van 22 november 1921 schreef Kahnweiler, dat hij 15 werken van Braque weer in zijn bezit had gekregen. De Zwitserse bankier Raoul La Roche, wiens bezit nu voor een groot gedeelte in het Kunstmuseum te Bazel is, kwam via deze veilingen o.a. in het bezit van een aantal werken van Juan Gris, Amédée Ozenfant en Le Corbusier. La Roche had Amédée Ozenfant en de beeldhouwer Oscar Miestchaninoff gevraagd ook voor hem te kopen. Ozenfant kocht 7 werken van Picasso, waaronder Souvenier du Havre, 5 van Braque, waaronder Le Portugais, en 1 van Léger. Andere grote kopers waren Tristan Tzara, Paul Éluard, André Breton en Le Corbusier. Volgens de schrijver Kenneth Wayne in zijn boek Modigliani & the artists of Montparnasse uit 2002 was Joseph Brummer één van de belangrijkste koper van werken van Picasso.
De opbrengst voor werken van Picasso, Braque, Léger en Gris liepen sterk terug. Voor Picasso ging de gemiddelde prijs per punt van 61 FF naar 47 FF, voor Braque van 66 FF naar 19 FF, voor Léger van 24 FF naar 2,5 FF en voor Gris van 25 FF naar 3,8 FF. Het al eerder genoemde werk Man met gitaar van Picasso, dat Paul Guillaume kocht voor 3.100 FF was een 60-punt schilderij (130 cm bij 89 cm) en bracht dus iets meer dan 51 FF per punt op.
In het boek van Malcolm Gee Dealers, Critics, and Collectors of Modern Painting: Aspects of the Parisian Art Market Between 1910 and 1930, uitgegeven te New York in 1981 (ISBN: 0-8240-3931-9) staat een overzicht van de verkochte schilderijen van Picasso, Braque, Léger, Gris en Derain. Bij de eerste drie veilingen werd in de Gazette de l'Hôtel Drouot ook de naam van de koper vermeld.
Volgens Kahnweiler in zijn biografie Mes Galeries et Mes Peintres uit 1961 waren er vijf veilingen, n.l. één veiling van zijn privébezit en vier van zijn galerie. Volgens de schrijver Pierre Assouline in zijn boek L'Homme de l'art ontving Kahnweiler van de Duitse Staat een vergoeding van 20.000 DM.