De Duitse kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler ontmoette via het ontmoetingspunt Café le Dôme, dat o.a. voor Duitse kunstenaars en galeriehouders het centrale punt in Parijs was, personen om de door hem gecontracteerde kunstenaars, Georges Braque, Juan Gris, Fernand Léger, Pablo Picasso, André Derain, Maurice de Vlaminck en Kees van Dongen buiten Frankrijk te promoten.
De belangrijkste galeriehouder in Duitsland voor Kahnweiler was Alfred Flechtheim. Zie de webpagina Alfred Flechtheim.
In 1912 startte de schilder Otto Feldmann in Keulen de galerie Rheinischer Kunstsalon. Het interieur werd ontworpen door Erich Heckel (1883-1970). In oktober 1912 hield Feldmann een tentoonstelling gewijd aan de Futuristen. In maart-april 1913 werden 53 schilderijen en 13 tekeningen van Picasso tentoongesteld.
In het najaar 1913 opende Feldmann in Berlijn een tweede galerie onder de naam Neue Galerie in de Lennéstraße 6a, waar hij zowel van Franse als van Duitse kunstenaars werken tentoon zou stellen. Op de openingstentoonstelling waren o.a. werken te zien van Braque, Patrick Henry Bruce, Derain, van Dongen, Gris, Moïse Kisling, Marie Laurencin, Manolo, Henri Matisse, Jules Pascin, Picasso, Henri Rousseau, de Vlaminck. Kahnweiler leende vele werken uit en Carl Einstein schreef het voorwoord in de catalogus. De tweede tentoonstelling liet 66 werken van Picasso zien en 19 negerplastieken. De werken, die door Kahnweiler waren uitgeleend, gingen daarna naar de Weense galerie Miethke. De derde tentoonstelling was gewijd aan Derain. Kahnweiler leende 50 werken uit aan Feldmann, die daardoor in staat was 65 werken van Derain te laten zien. De vierde tentoonstelling was gewijd aan Jules Pascin en de vijfde aan de kunstenaars Hans Keller, Moïse Kisling, Edwin Scharff, Manolo en Georg Leschnitzer. De zesde tentoonstelling was de zevende van de Neuen Secession, waarop werken te zien waren van o.a. Raoul Dufy, Roger de la Fresnaye, Othon Friesz, Bohumil Kubista en Laurencin. De zevende tentoonstelling was Rheinische Expressionisten. Deze tentoonstelling, die georganiseerd was door August Macke, was in de zomer van 1913 gestart in Kunstsalon Friedrich Cohen in Bonn, daarna in de herfst van 1913 in de Rheinischer Kunstsalon in Keulen en in mei 1914 in Galerie Alfred Flechtheim in Düsseldorf gehouden. Gelijktijdig was in de Neue Galerie de tentoonstelling Zeichnungen und Studien von Georges Braque, Henri Matisse, Jules Pascin, Plabo Picasso. Denkelijk was dit de laatste tentoonstelling voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Zie voor meer gegevens het artikel Otto Feldmann - Künstler und Galerist van Mario-Andreas von Lüttichau in de catalogus van de tentoonstelling August Macke und die Rheinischen Expressionisten (ISBN: 978-3777495408), die van 28 september 2002 t/m 5 januari 2003 werd gehouden in het Brücke-Museum te Berlijn en van 18 januari t/m 6 april 2003 in Kunsthalle Tübingen te München.
Op 1 oktober 1911 nam Hans Goltz in München een boekhandel in de Briennerstraße 8 (nu Türkenstraße 36) over en huurde spoedig een ruimte op de eerste etage erbij waar hij in november de tentoonstelling Buch und Bild opende. Van 12 februari t/m 18 maart 1912 werd in Goltzs winkel de tweede tentoonstelling van de kunstenaarsvereniging Der Blaue Reiter gehouden met als titel Schwarz-weiß. In september 1912 startte Goltz met Galerie Neue Kunst - Hans Goltz, Odeonsplatz 1, waar hij meer dan 160 tentoonstellingen hield.
Zie voor verdere informatie de website Hans Goltz - Ein Wegbereiter der modernen Kunst.
Nadat Ludwig Schames succesvol was geweest als bankier in Parijs opende hij de Kunstsalon Ludwig Schames in 1913 in de Junghofstraße 10 te Frankfurt. In 1917 maakte Ernst Ludwig Kirchner (1880-1938) de nevenstaande houtsnede Portret van Ludwig Schames. Schames verzorgde voor Kirchner verschillende tentoonstellingen. Schames speelde een grote rol bij de opbouw van de kunstverzameling van het echtpaar Ludwig Fischer (1860-1922) en Rosy Haas (1869-1926). Op 3 juli 1922 overleed Schames en zijn neef Manfred Schames zette de galerie voort. In 1933 emigreerde Manfred Schames in verband met zijn joodse afkomst naar Palestina.
De kunstenaarsvereniging Die Brücke had van 1 t/m 12 september 1907 hun tentoonstelling in Kunstsalon Emil Richter te Dresden. De tentoonstellingsruimte werd door Heckel en Kirchner gedecoreerd met muurschilderingen. In mei 1908 vond in Kunstsalon Emil Richter de Van-Gogh-Ausstelling met meer dan 100 schilderijen plaats. Van 1 t/m 23 september 1908 en vanaf 12 juni 1909 opnieuw tentoonstellingen van de kunstenaarsvereniging Die Brücke bij Richter. Max Pechstein (1881-1955) maakte de houtsnede voor het nevenstaande reclamebiljet voor de laatstgenoemde tentoonstelling. Op het biljet zien we met de klok mee vanaf linksonder Pechstein, Erich Heckel (1883-1970), Ernst Ludwig Kirchner (1880-1938) en Karl Schmidt-Rottluff (1884-1976).
De Königliche Hofkunsthandlung Emil Richter, ook genoemd Emil Richter Kunstsalon, werd in 1912 genoemd in een reisgids. De firma was gevestigd in de Pragerstraße 13 te Dresden en de galerie was voor een bedrag van 50 pfenning dagelijks te bezoeken van 9 uur tot 19 uur en op zondag van 11 uur tot 14 uur.
In 1909 vestigde Heinrich Thannhauser in München de Moderne Galerie in de Theatinerstraße 7. Heinrich kocht zijn voormalige partner de operazanger Franz Josef Brakl uit, waarmee hij in 1905 een kunsthandel was begonnen. De galerie werd gebruikt door de Neue Künstlervereiniging München en de kunstenaarsvereniging Der Blaue Reiter. Gezien de economische situatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog besloot Thannhauser in Zwitserland een filiaal te openen, daar vermogende Amerikanen zich in Zwitserland vestigden. In maart 1920 opende Thannhauser de Galerie Thannhauser Luzern in de Haldenstraße 11, waar zoon Justin (1892-1976) en neef Siegfried Rosengart (1894-1985) de leiding kregen. Justin keerde in 1921 terug naar München wegens gezondheidsproblemen van zijn vader Heinrich. In juni 1922 werd in de Moderne Galerie te München een retrospectieve tentoonstelling van Picasso gehouden met 45 schilderijen en tekeningen.
In 1927 opende Thannhauser een galerie in Berlijn. Na de overwinning van de nationaalsocialisten in 1933 werd het voor de joodse familie Thannhauser een moeilijke periode. Op weg naar Zwitserland om een bezoek te brengen aan de galerie in Luzern overleed Heinrich. Zoon Justin besloot in verband met zijn joodse afkomst in 1936 naar Parijs uit te wijken. In 1940 verhuisde Justin via Spanje en Portugal naar New York.
Zie voor verdere informatie de catalogus Die 'Moderne Galerie' von Herbert Thannhauser geschreven door Emily D. Bilski voor de tentoonstelling in het Jüdisches Museum te München, die liep van 30 januari t/m 25 mei 2008. (ISBN: 978-3938832714)
Over de galerie Goldschmidt in Frankfurt zijn weinig gegevens te vinden. In december 1927 werd de tentoonstelling Max Liebermann, Werke aus Frankfurter Privatbesitz gehouden.
Gustaf "Gösta" Olson werd op 10 mei 1883 in de Zweedse plaats Linköping. In 1908 nam hij deel aan de Olympische Spelen in Londen, waar hij met het Zweedse team een gouden medaille bij gymnastiek won. Hij deed ook mee aan het onderdeel individueel degen bij het schermen. Op een reis naar Parijs ontmoette Olson de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler. In 1917 bracht Olson de zomer door op het eiland Brehat in Bretagne waar hij omging met de Zweedse schilder en beeldhouwer Allan Õsterlind (1855-1938). In 1918 startte hij de Svensk-Franska Konstgalleriet in Stockholm. De galerie was gericht op Zweedse en Franse kunstenaars. De galerie zorgde voor de introductie van o.a. Cézanne, Picasso, Braque en Matisse in Zweden. Olson kreeg van Kahnweiler werken in leen voor de verkoop en nam van hem misschien het systeem van contracten met kunstenaars over, waarbij de hele productie van een kunstenaar werd verkregen tegen een vast bedrag per maand. De Zweed Isaac Grünewald tekende het nevenstaande portret van Olson.
In maart 1937 werd in verband met de Exposition Internationale des arts et des techniques dans la vie moderne in Parijs in de galerie de tentoonstelling Peinture française gehouden. Op advies van Braque vroeg Olson voor de tentoonstelling ook werken aan de schilder Maurice Estève (1904-2001). Ter gelegenheid van Olsons zestigste verjaardag verscheen de nevenstaande penning. Harry Runnqvist (-1973) was een mede-eigenaar toen Olson overleed in Stockholm op 23 januari 1966.
In 1959 werd in de galerie de tentoonstelling Picasso gehouden, waarbij o.a. het nevenstaande bronzen beeld Tête getoond werd. Dit kubistische beeld van Fernande uit 1909 was eigendom van Charles Nilsson Sr. Charles Nilsson Sr. had het beeld volgens zijn zoon Charles Jr. na de Tweede Wereldoorlog gekocht van Maurice d'Arquian (1908-1975), de eigenaar van Galerie d'Art Latin te Stockholm. Charles Nilsson Jr. verkocht het beeld na zijn vaders dood in 1968 via de Acquavella Galleries te New York op 20 augustus 1968 aan het Modern Art Museum of Fort Worth. Met behulp van de miljardair en kunstverzamelaar Mitchell P. Rales kwam het beeld op 7 januari 2002 in de National Gallery of Art te Washington D.C. (Opmerking: De nevenstaande afbeelding wordt ingelezen van de museumwebsite. Door een tik op de afbeelding wordt hun webpagina getoond.)
De galerie bleef tot 1973 bestaan in Stockholm, daarna ging de galerie op in Galerie Bonnier in Genève. Galerie Bonnier was in 1961 door Jan Runnqvist, een zoon van Harry Runnqvist, gestart in Lausanne en in 1969 verhuisd naar Genève. Vanaf 1964 tot 1973 voerde Jan de directie over beide galeries. In 1997 sloot de Galerie Bonnier de deuren en werd het complete archief geschonken aan het Getty Research Institute te Los Angeles. In het tijdschrift Svenska Trycket van de Svenska Klubben Lausanne-Genève van 7 februari 2010 stond een interview met Jan Runnqvist.