De kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler sprak met o.a. de belangrijkste vertegenwoordigers van het kubisme een contract af. Dat ging eerst uitsluitend mondeling, maar vanaf 1912 werden het schriftelijke contracten met Pablo Picasso, Georges Braque, Juan Gris, Fernand Léger, André Derain en Maurice de Vlaminck. In het algemeen betaalde hij een vaste prijs voor een bepaalde afmeting van het schilderij, al was de hoogte van het bedrag afhankelijk van de schilder. Zo kreeg Picasso in 1912 1000 francs voor maat 25, terwijl Derain 300 francs, Braque 250 francs en Léger 75 francs kregen. Henri Matisse had een betere prijs afgesproken met Bernheim-Jeune, want hij kreeg 1.275 francs voor maat 25 en bovendien 25% van de verkoopwinst. Ter vergelijking: een huisschilder ontving ongeveer 40 francs per week.
Op 18 december 1912 stuurde Picasso de nevenstaande ondertekende overeenkomst terug aan Kahnweiler. De overeenkomst hield in dat de volgende drie jaar Kahnweiler het exclusieve recht had op Picasso's toekomstige werk behalve privéopdrachten, zoals portretten en decoraties, en vijf olieverf schilderijen per jaar en tekeningen, die Picasso nodig had voor zijn werken. Bovendien was het aan Picasso om vast te stellen of een werk af was of niet.
Het contract tussen Picasso en Kahnweiler, gedateerd op 2 december 1912, luidde:
| Boulevard Raspail 242, 18 december 1912 Beste vriend Deze brief bevestigt onze overeenkomst voor een periode van drie jaar ingaande 2 december 1912. Tijdens deze periode ben ik overeengekomen niets aan een ander dan aan jou te verkopen. De enige uitzonderingen op deze overeenkomst zijn de oude schilderijen en tekeningen die ik nog bezit. Ik bezit het recht commissie voor portretten en grote decoraties bedoeld voor particuliere plaatsen te ontvangen. Het is vanzelfsprekend dat alle reproductierechten van alle aan jou verkochten schilderijen aan jou toebehoren. Ik beloof aan jou te verkopen tegen een vaste prijs mijn gehele productie van schilderijen, beelden, tekeningen en afdrukken onder het voorbehoud dat ik maximaal 5 schilderijen per jaar voor mezelf mag behouden. Ook zal ik het recht hebben de tekeningen te behouden die ik nodig heb voor mijn werk. Je zal het bij mij achter laten totdat ik heb besloten dat een schilderij af is. Het is vanzelfsprekend dat gedrurende deze drie jaar ik niet het recht heb de schilderijen en tekeningen te verkopen die ik voor mijzelf houd. Tijdens deze drie jaar verplicht jij je tegen een vaste prijs mijn gehele productie van schilderijen en gouaches en tenminste twintig tekeningen per jaar te kopen. Hier zijn de prijzen die we hebben afgesproken voor de duur van onze overeenkomst:
|
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 zou Picasso nog 20.000 francs te goed hebben gehad van Kahnweiler. Daar Kahnweiler in Rome verbleef en zijn bezittingen werden geconfisqueerd was hij niet meer instaat om Picasso het bedrag te betalen. In een brief van 10 februari 1920 probeerde Kahnweiler aan Picasso duidelijk te maken waarom het geldbedrag niet door Kahnweiler kon worden betaald. Pas in 1922/1923 was de breuk met Picasso qua vriendschap gerepareerd maar Paul Rosenberg bleef tot 1939 Picasso's officiële kunsthandelaar. Kahnweiler bezocht b.v. diverse malen Picasso in Boisgeloup.
Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg Kahnweiler in 1948 de mogelijkheid een expositie van werken van Picasso te houden in Galerie Louise Leiris. Kahnweiler moest tot 1957 wachten voordat hij weer exclusieve rechten kreeg op een aantal beelden, tekeningen en grafieken.
Op 30 november 1912 tekende Braque een schriftelijk contract voor bijna één jaar, n.l. tot 15 november 1913, met Kahnweiler. Braque verdiende minder dan Picasso. Zo kreeg Braque 60 FF voor schilderijen kleiner dan maat 6, maat 6 75 FF, maat 8 100 FF, maat 10 125 FF, maat 12 150 FF, maat 15 175 FF, maat 20 200 FF, maat 25 250 FF, maat 30 300 FF, maat 40 350 FF, maat 50 en maat 60 400 FF. Voor tekeningen kreeg Braque 40 FF, voor papiers collés afhankelijk van de grootte 50 of 75 FF. In 1913 werd een driejarig contract afgesproken, waarbij de de geldbedragen ongeveer verdubbelden.
Kahnweiler fotografeerde wel de schilderijen en de papiers collés, maar niet de tekeningen. Door het verblijf van Kahnweiler in het buitenland veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog kon Kahnweiler het contract niet uitvoeren. Braque sloot een nieuw contract met Léonce Rosenberg. In september 1919 was er schiftelijk contact tussen Kahnweiler en Braque. Op 17 september schreef Braque aan Kahnweiler in Bern, dat hij tot mei 1920 onder contract zou staan bij Rosenberg. Na terugkeer in Parijs bezocht Kahnweiler eind februari 1920 Braque in zijn atelier. Braque verlengde op 11 mei 1920 zijn contract met Rosenberg voor een jaar en daarna tot mei 1922. Het contract was net verlengd toen Braque slaags raakte met Rosenberg tijdens de eerste veiling van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler op 21 juni 1921. Braque sloeg Rosenberg op zijn neus voor aanvang van de veiling en werd door de politie afgevoerd.
Daar Rosenberg niet de exclusieve rechten had, maar slechts de eerste keus, op werken van Braque kon Kahnweiler in mei 1920 een beperkt contract afspreken. Kahnweiler zou 130 francs per maatpunt betalen, b.v. voor maat 6 780 francs en voor maat 50 6.500 francs. In 1923 sloot Braque een contract met Léonces broer Paul Rosenberg.
Daar Juan Gris spoedig na zijn aankomst in Parijs kennismaakte met Picasso, kwam hij regelmatig in het ateliergebouw Bateau Lavoir. In 1907 betrok hij een atelier in het gebouw en in 1908 ontmoette hij Kahnweiler. Pas vanaf 1911 ging Gris schilderen en door Gris' medewerking aan de Salon des Indépendants en Selection d'Or van 1912 werd Kahnweilers aandacht getrokken. Kahnweiler bood Gris in oktober 1912 een contract aan, dat uiteindelijk op 20 februari 1913 getekend werd. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Gris in Collioure. Kahnweiler bezat op dat moment van Gris ongeveer 60 schilderijen, papiers collés en tekeningen, die de Franse staat confisqueerde. Vanuit Rome en Sienna zag Kahnweiler nog kans om Gris geld te sturen, maar daarna ging dat niet meer. Dankzij de hulp van Matisse kreeg Gris van Gertrude Stein en Michael Brenner na enige tijd een maandelijkse steun van 125 Francs. Eind 1914 betaalde Gris het geld terug aan beiden, daar hij geen schilderijen als tegenprestatie wilde leveren wegens het contract met Kahnweiler. Kahnweiler slaagde ernog in om vanuit Bern enkele maanden geld te sturen. Daar vanaf eind 1915 geen schriftelijk contact meer tussen Gris en Kahnweiler mogelijk was, sloot Gris in november 1917 een driejarig contract met Léonce Rosenberg.
In augustus 1919 was er weer contact tussen Gris en Kahnweiler. Kahnweiler verzocht Gris om werken op te sturen, maar in een brief van 3 september 1919 berichtte Gris aan Kahnweiler, dat dit niet mogelijk was, daar hij onder contract stond van Rosenberg. Uiteindelijk stuurde Gris op 11 november 1919 12 papiers collés uit het jaar 1913, waarvoor Kahnweiler 750 Francs stuurde. Na terugkeer in Parijs op 22 februari 1920 probeerde Kahnweiler herhaaldelijk Gris opnieuw te contracteren. Pas op 23 december was het zover en op 2 januari 1921 leverde Gris vier schilderijen aan Kahnweiler. Het waren schilderijen op formaten die niet in het contract met Rosenberg werden genoemd. Kahnweiler zorgde ervoor dat Gris in het voorjaar van 1922 een woning kreeg op Rue de la Mairie 8 te Boulogne-sur-Seine, een voorstad van Parijs. De familie Kahnweiler woonde op nummer 12. Pas na het aflopen van het contrat met Rosenberg op 1 juni 1922 kreeg Kahnweiler weer alle werken van Gris.
In het boek Der Weg zum Kubismus, dat Kahnweiler tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zwitserland schreef en in 1920 uitkwam, was geen plaats in geruimd voor Juan Gris. Pas in de tweede Duitse uitgave in 1958 was een hoofdstuk aan Juan Gris gewijd. Het was een bewerking van een artikel uit 1928, dat door Kahnweiler geschreven was na de dood van Gris.
Kahnweiler ontmoette Léger in 1910 toen Léger met Robert Delaunay, Max Jacob en Guillaume Apollinaire de galerie van Kahnweiler bezocht. Na Légers deelname aan de Salon des Indépendants in maart 1911 met Nus dans un paysage (nu in het Kröller-Müllermuseum) bracht Kahnweiler vele bezoeken aan het atelier van Léger. Vanaf 1912 hingen werken van Léger in Kahnweilers galerie. Begin 1913 kocht Kahnweiler alle werken, waaronder De Naaister en Nus dans un paysage, uit het atelier van Léger en op 20 oktober 1913 sloot hij een exclusief contract voor de duur van drie jaar. Léger verplichtte zich alle gemaakte werken en de reproductierechten uitsluitend te verkopen aan Kahnweiler voor een vaste prijs afhankelijk van de grootte. Tekeningen 15 FF, Dessins rehaussées (=verfraaide tekeningen) 30 FF, maat 8 t/m 20 50 FF, maat 25 75 FF, maat 30 100 FF, maat 40 150 FF, maat 50 200 FF, maat 60 t/m 80 250 FF, maat 100 300 FF, maat 120 400 FF, groter dan maat 120 500 FF.
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd het contract slechts tot augustus 1914 uitgevoerd, daar Léger werd gemobiliseerd en Kahnweiler buiten Frankrijk verbleef. De schilderijen van Léger, die in het bezit van Kahnweiler waren en in 1914 geconfisqueerd werden, kwamen pas bij de veilingen in 1921 en 1922 op de markt. Léger slaagde er niet in om werken van hem op deze veilingen te kopen. Ondertussen had Léger bij afwezigheid van Kahnweiler in 1919 een contract afgesloten met Léonce Rosenberg. In mei 1921 sloot Léger een nieuw contract met Rosenberg, waarbij bepaalde formaten werden afgesproken. Hierdoor was Léger in staat andere formaten aan Kahnweiler te leveren. Eind 1925 maakte Kahnweiler nieuwe afspraken met Léger en Paul Rosenberg, die het contract van zijn broer Léonce had overgenomen, waarbij Kahnweiler uitsluitend tekeningen, aquarellen en gouachen zou afnemen, voor resp. 150, 150 en 200 Francs.
De beeldhouwer Henri Laurens, die sinds 1911 bevriend was met Georges Braque, vestigde Kahnweilers aandacht op zich tijdens zijn deelname aan de Salon des Indépendants van 1913 en 1914. Pas nadat Kahnweiler in februari 1920 was teruggekeerd in Frankrijk nam Kahnweiler contact op met Laurens. Op 1 april 1920 werd een contract voor één jaar getekend, dat daarna nogmaals voor een jaar werd verlengd. Aangezien Laurens niet tevreden was, daar Kahnweiler geen exposities hield van Laurens werk, werd de overeenkomst niet meer verlengd.
Ook met niet-kubisten sloot Kahnweiler contracten af. Zo sloot Kahnweiler in 1907 een contract met Kees van Dongen, Maurice de Vlaminck en André Derain. Het contract met van Dongen werd mede beëindigd door van Dongens schilderen van het mondaine leven. De contracten met De Vlaminck en Derain werden in 1923 beëindigd.
In 1910 sloot Kahnweiler een contract met de Spaanse beeldhouwer Manolo (1872-1945), die eigenlijk Manuel Martinez Hugué heette en een vriend van Picasso was. Manolo verhuisde naar Céret in 1910 en later in verband met zijn gezondheid naar de omgeving van Barcelona. De Spaanse Burgeroorlog zorgde voor een verwijdering.
Na de Eerste Wereldoorlog sloot Kahnweiler contracten af met een jongere generatie kunstenaars: André Beaudin (1895-1979), Sébastien Hadengue (1932- ), Eugène de Kermadec (1899-1976), Elie Lascaux (1888-1968), André Masson (1896-1987), Suzanne Roger (1899-1986), Gaston-Louis Roux (1904-1988) en Yves Rouvre (eigenlijke naam: Rigolot, 1910-1996).