Daniel-Henry Kahnweiler was van groot belang voor het kubisme. Allereerst door het verkopen van kubistisch werk maar misschien nog meer door het verbreiden van kubistische werken buiten Frankrijk vanaf 1910. Daniel-Henry werd als Daniel-Heinrich geboren op 25 juni 1884 te Mannheim (Duitsland) als eerste kind van Julius Kahnweiler en Betty Neumann. In 1889 verhuisde de familie Kahnweiler naar Stuttgart. Zijn vader Julius vertegenwoordigde in Duitsland als aandelenhandelaar de broer van zijn vrouw Betty, Sir Siegmund Neumann, die rijk was geworden door goud en diamanten uit Zuid-Afrika.
Vanaf 1900 kreeg Kahnweiler in Duitsland een financiële opleiding bij banken en in 1902 kwam Kahnweiler naar Parijs voor onbezoldigde stage bij de beurshandelaar Tardieu. Kahnweiler sprak al Frans doordat hij Franse gouvernantes had gehad. Door een kassier bij de firma Tardieu, Eugène Reignier, werd Kahnweiler wegwijs gemaakt in de Franse cultuur. Op 5 november 1904 trouwde Kahnweiler met Léontine Alexandrine Godon, roepnaam Lucie (1882-1945). Lucie had al een dochter, Louise Alexandrine Godon, die op 22 januari 1902 geboren was en Zette werd genoemd. Dit werd pas in 1992 onthuld en tot dat moment ging Louise als zus van Lucie door.
Eind 1905 verhuisde het echtpaar Kahnweiler naar Londen, waar Daniel-Henry ging werken voor zijn oom Siegmund Neumann. Na enige tijd in Londen voor zijn oom gewerkt te hebben, vertelde Kahnweiler zijn oom dat hij in plaats van voor zijn oom naar Zuid Afrika te gaan graag in Parijs een galerie wilde openen. Zijn oom was daar niet blij mee, maar leende Kahnweiler toch de waarde van ongeveer 25.000 FF op voorwaarde dat als hij binnen een jaar zijn galerie niet tot een succes maakte hij voor hem zou komen werken. Op 22 februari 1907 keerden Kahnweiler en zijn vrouw terug naar Parijs, waar zij gingen wonen in de Rue Theophile-Gautier 28.
Kahnweiler kocht zijn eerste werken op de Salon des Indépendants van 1907. Op 21 maart 1907 bezocht Kahnweiler de Salon en kocht daar werken van André Derain van Maurice de Vlaminck en een tekening van Henri Matisse, waarvoor Kahnweiler 200 FF betaalde. Na afloop van de Salon brachten Derain en Vlaminck de werken persoonlijk naar Kahnweiler. Op deze manier leerde Kahnweiler beide schilders kennen. Kort daarna kocht hij ook werken van Kees van Dongen en Georges Braque.
Kahnweiler opende op 11 juli 1907 de Galerie Kahnweiler, waar de werken van de genoemde vier schilders werden tentoongesteld. Daarna kreeg Kahnweiler ook belangstelling voor Pablo Picasso, in 1910 voor Fernand Léger en via Picasso voor de Spaanse schilder Juan Gris. Volgens Kahnweilers biografie trok Léger zijn aandacht door het nevenstaande schilderij Nus dans la forêt van Léger op de Salon des Indépendants van 1910.
Terwijl Picasso nog niet helemaal klaar was met 'Les Demoiselles' liet hij vrienden het schilderij zien. Max Jacob, Guillaume Apollinaire, Leo Stein, Henri Matisse en de Duitse kunsthandelaar Wilhelm Uhde spraken hun afschuw uit. Alleen Kahnweiler, die begin juli 1907 Picasso's atelier bezocht, had de betekenis van het schilderij in de gaten en kocht alle voorstudies, minstens 35 schetsen, op. Het schilderij wilde Picasso niet aan Kahnweiler verkopen. Kahnweiler sloot contracten af met een aantal kustenaars. Hij deed dit eerst mondeling, maar vanaf 1912 werden de contracten schriftelijk vastgelegd.
In oktober 1912 maakte Kahnweiler een afspraak met Juan Gris, waardoor Gris uitsluitend bij Kahnweiler zou exposeren. Het eerste schilderij van Gris verkocht Kahnweiler aan zijn vriend Hermann Rupf. Daarna volgden o.a. Gertrude Stein, Léonce Rosenberg, Alfred Flechtheim en Michael Brenner.
In 1913 verhuisde Kahnweiler naar de Rue George Sand in het Parijse stadsdeel Auteuil, waar hij een persoonlijke verzameling ging opbouwen. In deze woning hingen vier werken van Picasso, drie van Braque, Derain en Vlaminck en stonden vier werken van Manolo. Van Derain hing in de woning o.a. het nevenstaande schilderij Portret van Mevrouw Lucie Kahnweiler uit 1913. Dit werk zou in 1914 geconfisqueerd worden en tijdens de eerste veiling van het geconfisqueerde bezit van Kahnweiler in 1921 gekocht worden door Paul Rosenberg voor 18.000 FF. Derain zou in 1922 een nieuw portret van Lucie schilderen voor Kahnweiler.
Kahnweiler was in augustus 1914 op vakantie in de Beierse Alpen toen de Duitse troepen gemobiliseerd werden. Hij had nog steeds de Duitse nationaliteit maar als pacifist was hij vast besloten niet in militaire dienst te gaan. Op 30 juli 1914 vertrok hij met vrouw en stiefdochter Louise Godon naar Rome, waar hij op 2 augustus aankwam. De volgende dag verklaarde Duitsland de oorlog aan Frankrijk. Zij bleven vier maanden in Italië en vertrokken daarna op uitnodiging van Kahnweilers vriend Hermann Rupf naar Zwitserland, waar zij zich rond 15 december 1914 in Bern vestigden. Op 4 januari 1915 schreef Kahnweiler zich daar in als kunsthandelaar. Na drie maanden bij Rupf verhuisde het gezin Kahnweiler naar Bernard Glaser in de Viktoriarain 15 te Bern. Dankzij de financiële steun van Hermann Rupf was Kahnweiler in staat de gehele Eerste Wereldoorlog in Bern te verblijven. Helaas werd zijn bezit tijdens de Eerste Wereldoorlog in beslag genomen en na de oorlog via een viertal veilingen naar alle windstreken verkocht. Onder het in beslag genomen bezit waren 381 kubistische werken waarvan 132 van Picasso.
Tijdens zijn afwezigheid overleden in november 1918 zijn beide vrienden Eugène Reignier en Guillaume Apollinaire. Pas op 22 februari 1920 keerde de familie Kahnweiler naar Parijs terug waar Kahnweiler, zijn vrouw, stiefdochter Louise en zijn schoonzus Berthe Godon (1893-1984), allereerst in de Rue Poussin 9 woonden en vanaf 11 maart 1921 in de Rue de la Mairie 12 in Parijse voorstad Boulogne-sur-Seine (nu Boulogne-Billancourt). Kahnweilers aan Léonce Rosenberg kwijt geraakte contracten met Laurens, Braque, Léger, Derain, Vlaminck en Manolo kreeg hij op 11 mei 1920 weer terug. Op 1 september 1921 opende Kahnweiler met zijn vriend André Simon de Galerie Simon in de Rue d'Astorg 29b. Ozenfant had Kahnweiler op 11 mei deze ruimte in een brief aangeraden. Kahnweilers stiefdochter Louise ging spoedig in de galerie werken. Tot 1940 zou de galerie daar gevestigd blijven.
In zijn nieuwe woning in Boulogne hield Kahnweiler op zondagmiddag open huis. Zijn zwager Élie Lascaux (1888-1969), die op 16 april 1925 trouwde met Lucie Kahnweilers zus Berthe Godon, maakte nevenstaande schets van zo'n middag. Lascaux maakte vele schetsen, waar behalve Kahnweilers familie ook Juan Gris in voorkwam. De zondagse gasten waren o.a. Antonin Artaud, Charles-Albert Cingria, Max Jacob, Georges Limbour, Odette en André Masson, Germaine en Maurice Raynal, Suzanne Roger en André Beaudin, Lucienne en Armand Salacrou, Eric Satie, André Simon, Roland Tual en Tzara.
Kahnweiler gaf 42 geïllustreerde boeken uit en schreef boeken en artikelen over het kubisme. Het bekendste is Der Weg zum Kubismus, uitgegeven in 1920 te München, dat hij schreef tijdens zijn verblijf in Zwitserland. Het is een herziening en een uitbreiding van de versie onder de naam La montée du cubisme, dat in 1916 verscheen bij Delphin Verlag. In de versie van 1920 was een extra hoofdstuk over Léger opgenomen. Een samengevatte vorm met de titel Der Kubismus verscheen via medewerking van de kunstenaar Hans Arp op 23 september 1916 in Die Weiszen Blätter van René Schickele te Zürich. In 1958 verscheen er voor het eerst een herdruk in het Duits, waarin een kleine monografie over Juan Gris als extra was opgenomen. Deze monografie was eerder uitgebracht in de serie Junge Kunst in Leipzig in 1928.
In 1937 kreeg Kahnweiler het Franse staatburgerschap. Op 1 juli 1941 verkocht Kahnweiler in verband met zijn joodse afkomst zijn galerie aan zijn stiefdochter Louise, die op 2 februari 1926 getrouwd was met Michel Leiris (1901-1990), voor 73.460 Francs. De galerie heette voortaan Galerie Louise Leiris. Zelf vluchtte hij op 12 juni 1940, de dag dat het Franse leger zich gewonnen gaf, met zijn vrouw en haar oudere zus Berthe, die getrouwd was met Elie Lascaux, in een auto via de binnenwegen naar Saint Léonard de Noblat, een plaats in de buurt van Limoges. Een deel van zijn bezit aan kunstwerken had Kahnweiler al eerder gestuurd naar Repaire-l'Abbaye, de woonplaats van Lascaux op drie kilometer van Saint Léonard de Noblat. In september 1939 had Kahnweiler 169 schilderijen en 62 aquarellen van Paul Klee al overgebracht. In Saint Léonard de Noblat schreef Kahnweiler het boek Juan Gris, sa vie, son oeuvre, ses écrits, dat in 1946 uitkwam bij Gallimard. In 1947 verscheen de Engelse vertaling onder de titel Juan Gris: His Life and Work bij Curt Valentin te New York.
In 1942 vluchtten Kahnweiler en zijn vrouw naar Gascogne (Lot-et-Garonne) en later naar het gehucht Lagupie, waar zij met valse papieren leefden onder de naam Kersaint. In oktober 1944 was het voor de Kahnweilers mogelijk om terug te keren naar Parijs. Lucie Kahnweiler keerde ziek terug en op 15 mei 1945 overleed zij. Terug in Parijs werd hij mededirecteur van Galerie Louise Leiris en vanaf 1947 was hij ook weer Picasso's kunsthandelaar. In 1949 maakte Kahnweiler een reis naar de Verenigde Staten, waar hij op 6 april een lezing over het kubisme hield voor de leden van de Art Student League. In 1950 kwam het boek Les Années héroiques du Cubisme van Kahnweiler uit. Na de koop van een landhuis in 1954 te St. Hilaire liet Kahnweiler door Léger een wandschildering in de eetkamer aanbrengen in december 1954.
In 1961 verscheen van Kahnweiler het boek Mes Galeries et Mes Peintres, waarvan in 1971 de Engelse vertaling My Galleries and painters kwam. John Russell schreef voor de vertaling een introductie. Het boek gaf een interview weer tussen Kahnweiler en Francis Crémieux, die werd uitgezonden op de radiozender France III in 1960.
Kahnweiler overleed op 11 januari 1979 in Parijs, zijn stiefdochter Louise erfde zijn bezit. In 1983 schonken Louise en Michel Leiris hun kunstbezit aan Franse Musea. Het kunstbezit bestond uit negentig schilderijen, dertig beelden, vijfentachtig tekeningen en papiers collés van o.a. Bacon, Braque, Derain, Giacometti, Gris, Klee, Laurens, Léger, Masson, Miró, Picasso en Vlaminck. Louise overleed op 24 september 1988 te Neuilly-sur-Seine en Michel Leiris op 30 september 1990 te Saint-Hilaire. Maurice Jardot (1911-2002), die sinds juli 1956 mededirecteur was van Galerie Louise Leiris, was de algemene erfgenaam. Lucie en Daniel-Henry Kahnweiler, Louise en Michel Leiris zijn bijgezet in een familiegraf op de begraafplaats Père-Lachaise.
| Zie ook de webpagina's: | Kubistische verzameling Daniel-Henry Kahnweiler. Contracten van Kahnweiler met kunstenaars. Veilingen geconfisqueerd bezit Kahnweiler. |