Na de begrafenis van Guillaume Apollinaire op 13 november 1918 kwam een groep van vrienden en bewonderaars jaarlijks 's morgens op 9 november om 11.30 uur bij het graf voorzien van een eenvoudig houten kruis bijeen om hem te herdenken. De kerngroep was Jacqueline Apollinaire, André Salmon, André Billy, Serge Férat en Pablo Picasso. Nadat het graf van Apollinaire op 8 november 1920 van division 89, rij 23 verplaatst was naar de definitieve plaats division 86, rij 8 werd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst de roep om een grafmonument steeds sterker. In het nummer van december 1920 van L'Esprit nouveau werd het plan tot het oprichting van Le Souvenir d'Apollinaire gelanceerd. De vereniging moest alles van Apollinaire gaan verzamelen en de jaarlijkse herdenking organiseren. Het nummer van oktober 1924 van L'Esprit nouveau werd een speciale uitgave met gedichten en andere zaken van Apollinaire en bijdragen over Apollinaire van vrienden.
In het decembernummer van 1920 van het tijdschrift Action: Cahiers individualiste de philosophie et d'art lanceerde de redacteur Florent Fels de oprichting van een comité voor een grafmonument. Fels maakte ook een folder voor een algemene verspreiding.
Het comité bestond uit schrijvers, dichters, journalisten en kunstschilders: Antoine Albalat (1856-1935), Pierre Albert-Birot (1876-1967), Elémir Bourges (1852-1925), André Billy (1882-1971), Jean-Jacques Brousson (1878-1958), Maurice Cremnitz (1875-1935), André Deain, Florent Fels (1891-1977), Serge Férat, Louis de Gonzaque Frick (1883-1958), Gaston Gallimard (1881-1975) [ook uitgever van Apollinaires werk na 1920], Roch Grey (=Hélène d'Oettingen), Max Jacob, Paul Léautaud (1872-1956), André Level, Toussaint Luca [een oude schoolvriend], Robert Mortier (1878-1940), Pierre Mac Orlan (pseudoniem van Pierre Dumarchey 1882-1970), Pablo Picasso, Georges Pioch (1873-1953), André Rouveyre (1879-1962), Jean Royère (1871-1956), André Salmon, Jean Sève, Ardengo Soffici, Alfred Vallette (1858-1935) en Maurice de Vlaminck. Men verwachtte van schilders schilderijen, van schrijvers bijzondere uitgaven en manuscripten en van vrienden en bewonderaars geld. De bijdragen konden naar Serge Jastrebzoff (=Serge Férat), Boulevard Raspail 229, Parijs. In de folder stond, dat het ontwerp van het grafmonument was gemaakt door Picasso, maar in werkelijkheid was er nog geen ontwerp.
Florent Fels en Robert Mortier probeerden ook het tijdschrift Mercure de France in te schakelen. Op 15 januari 1921 publiceerde Alfred Vallette tegen de zin van zijn vrouw Rachilde in de Mercure de France de oproep van Action. In L'Esprit nouveau (februari 1925) verscheen een korte mededeling, dat een comité was gevormd om op het graf van Apollinaire een grafmonument gemaakt door Picasso te plaatsen. Spoedig slonk het comité in tot Férat, Salmon en Billy met morele steun van Jacqueline Apollinaire.
Florent Fels berichtte in Action het toetreden van het comitélid Fernand Fleuret en de geldelijke bijdragen van Nelly Claudet, Mme. Errazuris, André Level, André Lefèvre, Jacques Seligmann, Jean Tournaire [de schoonzoon van Level], José Théry [vriend en advocaat van Apollinaire], Mlle. Catelain [Georgette Catelain was een vriendin van Apollinaire geweest], Mme. Yves Blanc [Jeanne-Yves Blanc was tijdens de oorlog Apollinaires marraine de guerre, d.w.z. een door de Franse Staat gestimuleerde situatie, waarbij jonge vrouwen correspondeerde en pakjes stuurde naar soldaten aan het front.], Paul Guillaume, Henri Duvernois [verpleger van Apollinaire na de operatie aan zijn schedelpan], Imprimerie 'Union' [De drukkerij waar Les Soirées de Paris was gedrukt]. Schenkers, die niet vermeld werden, waren Alphonse Bellier [veilingmeester bij Hôtel Drouot], Albert Barnes, de schilder André Dunoyer de Segonzac en Georges Braque. Het totaal was ruim 2.000 FF.
Op 24 mei 1924 stuurden Serge Férat en André Salmon een brief naar vele schilders en schrijvers voor een bijdrage in natura. Deze werken zouden na een tentoonstelling op 10 t/m 12 juni 1924 aansluitend geveild worden. De opbrengst was bestemd voor het grafmonument. De tentoonstelling werd echter gehouden van 16 t/m 18 juni 1924 in Galerie Paul Guillaume in de Rue de la Boétie te Parijs en de veiling op 21 juni 1921 om 14.00 uur bij het veilinghuis Hôtel Drouot onderleiding van veilingmeester Bellier. De tentoonstelling en veiling werd op 15 juni aangekondigd in L'Intransigeant en Paris-Soir.
Op 17 juni 1924 werd op de voorpagina van de Gazette de l'Hôtel Drouot een opsomming gegeven van de gulle gevers. Genoemd werden: Amadé Barthe (1899-1926), Marc Chagall, Pierre Charbonnier (1897-1978), Roland Chavenon (1895-?), Chériane (1900-?) [pseudoniem van mevrouw Cherie-Anne Fargue, echtgenote van de schrijver Léon-Paul Farge (1876-1947)], Marguerite Crissay, René Demeurisse (1895-1961), André Derain, Raoul Dufy, André Favory, Serge Férat, Tsugouharu Foujita (1886-1968), Othon Friesz (1879-1949), Démétrios Galanis (1882-1966), Albert Gleizes, Natalja Goncharova, Juan Gris, Alexis Gritchenko (1883-1977), Alice Halicka, Thorvald Helessen, Charles Jeanneret, Moïse Kisling (1891-1953), Jean émile Laboureur (1877-1943), Irène Lagut, Marie Laurencin, Michel Larionov (1881-1964), Louis Latapie, meneer en mevrouw Laurence, André Lanskoy (1902-1976), Sonia Lewitska (1882-1937), André Lhote, Louis Marcoussis, Jacqueline Marval (1866-1932), Henri Matisse, Max Jacob, Pierre Mendès-France (1907-1982), Simon Mondzain (1887?-1979), Mortier , Manuel Ortiz de Zárate, Amédée Ozenfant, Per Krohg (1889-1965), Francis Picabia, Pablo Picasso, Valentine Prax, Juliette Roche (1884-1980, de echtgenote van Albert Gleizes), Roch Grey (=Hélène d'Oettingen), Henri Rousseau (1844-1910), Pierre Roy (1880-1950), Gino Severini, Simon Levy (1886-1973), Sola, Léopold Survage, Constantin Téréchkovitch (1902-1978), Maurice Utrillo (1883-1955), André Utter (1886-1948), Suzanne Valadon (1865-1938), Marie Vassilief, Maurice de Vlaminck, Ossip Zadkine. Op het laatste moment was er ook een bijdrage van Hermine David (1886-1970), Jules Pascin (1885-1930) en Réno (= pseudoniem van Irène Hassenberg 1884-1953).
Volgens de begeleidende tekst bij de veiling van het schilderij Nature morte à la revue littéraire 'Nord Sud' (Hommage à Reverdy) van Gino Severini uit 1917 op 6 februari 2006 bij Christie's te Londen werd het nevenstaande futuristische schilderij Metro Nord-Sud uit 1912 door Severini voor het fonds aangeboden. Paul Guillaume zou het niet ingebracht hebben op de veiling voor het grafmonument. Volgens de autobiografie van Severini ontdekte hij dat rond 1931 het schilderij een Duitse eigenaar had gekregen, die het verkocht aan de kunsthandel Jeanne Bucher. Severini verloor het schilderij weer uit het oog, totdat hij in Italië ontdekte, dat de kunstverzamelaar Emilio Jesi in Milaan het schilderij bezat. Hij schonk het werk aan de Pinacoteca di Brera in Milaan. Jesi (-1974) en zijn vrouw Mary schonken 12 beelden en 68 schilderijen aan de Pinacoteca di Brera. Volgens Christie's kwam het op de veiling via Galleria del Milione in Milaan.
Op 12 juli 1924 zou in de Closerie des Lilas om 9 uur 's avonds de opbengst bekend worden gemaakt en waarvoor Picasso was uitgenodigd. De opbrengst van de veiling was 30.343 FF. Het hoogste bedrag, 4.600 FF, werd betaald voor een naakt van Picasso. Daarna volgde een werk van Laurencin (3.500 FF) en een landschap van Matisse (3.000 FF).
Picasso liet het comité diverse malen schetsen zien van een ontwerp, maar deze waren voor het comité niet aanvaardbaar, daar het een meer traditioneel gesloten monument wenste. In oktober 1934 kwam het verschil in opvattingen in openbaarheid door een artikel van Maurice Noël in Le Figaro. Het comité besloot daarop om op de jaarlijkse herdenking mede te delen, dat een monument ontworpen door Picasso niet meer gebouwd zou worden. In 1935 nam Férat, die als penningmeester van het comité optrad, contact op met de steenhouwer Tayssèdre en liet hem een ontwerp van Férat uitvoeren, dat Jacqueline had goedgekeurd. Op 7 september 1935 werd het aan het begin van de webpagina staande monument geplaatst. De kosten waren 18.489,60 FF voor het monument. Jaarlijks kwam een min of meer gelijke groep op 9 november bijeen voor de herdenking. André Billy beschreef de samenstelling van 1938: Jacqueline Apollinaire, Pablo Picasso, André Salmon, Francis Carco, André Rouveyre, Jacques Dyssord, Léon Deffoux, Paul Léautard, Louis de Gonzaque-Frick, Serge Férat, Pierre Roy en Fernand Fleuret. Na afloop ging de groep iets drinken in een nabij gelegen café, waarbij het gebruikelijk was dat Picasso betaalde.
Bovenstaande informatie komt hoofdzakelijk uit het door Peter Read geschreven boek Picasso & Apollnaire: The Persistence of Memory, dat in 2008 verscheen bij University of California Press (ISBN: 978-0--520-24361-3). Het was een bijgewerkte versie van een Franstalige uitgave in 1995.