Guillaume Apollinaire (1880-1918).

Guillaume Apollinaire, pseudoniem voor Guillaume Albert Vladimir Alexandre Apollinaire de Kostrowitzki werd op 26 augustus 1880 in Rome geboren als kind van de Italiaanse vader François (Francesco) Constantino Camillo Flugi d'Aspermont en zijn Poolse moeder Angelica Alexandrine de Kostrowitzki (ook geschreven als Kostrowitzky). Twee jaar later wordt nog zijn broer Albert geboren. Nadat zijn vader het gezin verlaten had ging het gezin op reis door Italië en Frankrijk en vestigde zich in 1887 in Monaco. Dankzij de broer van zijn vader, Niccolo Flugi d'Aspermont, kreeg Apollinaire een goede schoolopleiding in Monaco en Nice. Vanaf 1897 noemde Guillaume zich Apollinaire. In 1899 leerde zijn moeder de bankier Jules Weil kennen, waardoor het gezin zich in Parijs vestigde. Het geld raakte in het dure Parijs al snel op en de moeder van Apollinaire probeerde via het casino in Spa (België) aan geld te komen. De gebroeders Kostrowitzki werden ondergebracht in het nabij gelegen dorp Stavelot.

Na terugkeer in 1902 in Parijs werkte Apollinaire als journalist en bankmedewerker in de Rue Lepelletier. Hij werd bekend als schrijver en dichter en raakte bevriend met jonge schilders, zoals André Derain, Maurice de Vlaminck, Raoul Dufy, Henri Matisse en Henri Rousseau. Vanaf 1905, toen hij bevriend werd met o.a. Pablo Picasso, publiceerde hij over kunst en verdedigde hij zijn artistieke vrienden. In 1905 schreef Apollinaire in La Plume zijn eerste artikel over Picasso, die toen in zijn blauwe periode zat. In 1907 verhuisde Apollinaire naar Rue Léonie 9, nu Rue Henner, in Montmartre. Van 1909 tot 1912 woonde Apollinaire in Rue Gros 15 te Auteuil. In 1910 was de Seine zo hoog dat Apollinaire door soldaten met een boot uit dit huis werd gehaald.

Dankzij Apollinaire ontmoette Georges Braque eind 1907 Pablo Picasso. In december 1909 gaf Daniel-Henry Kahnweiler Apollinaires eerste boek uit, getiteld L'Enchanteur pourrissant met illustraties van Derain. In 1910 kreeg Apollinaire met hulp van André Salmon zijn eerste vaste kunstrubriek in L'Intransigeant. In het voorjaar van 1914 kwam daaraan een eind wegens zijn voorkeur voor de beeldhouwer Alexander Archipenko. Apollinaire werkte ook mee aan Les Soirées de Paris, een kunsttijdschrift gericht op de avant-garde, en Montjoie!. In nevenstaande afbeelding zien we in het handschrift van Apollinaire een voorlopige inhoudsopgave van het novembernummer van 1913.

Samen met de schilderes Marie Laurencin trok Apollinaire op met Picasso en Fernande Olivier, de vriendin van Picasso. In oktober 1911 verhuisde Apollinaire naar de Rue La Fontaine 10. Na de breuk met Marie in 1912 en de vermeende betrokkenheid met de diefstal van de Mona Lisa, waarvoor hij gevangen was gezet, verbleef Apollinaire eind 1912/begin 1913 bij Sonia en Robert Delaunay.

Samen met Delaunay reisde Apollinaire op 12 januari 1913 naar Berlijn om de opening van Delaunays expositie in Herwarth Waldens Galerie Der Sturm bij te wonen. Op 18 januari hield Apollinaire hier de voordracht La Peinture moderne, die later in een Duitse vertaling in nummer 148/149 van het blad Der Sturm verscheen. Op de terugweg naar Parijs op 21 januari brachten Apollinaire en Delaunay een bezoek aan August Macke in Bonn. Ook Max Ernst was hier aanwezig. Apollinaire verhuisde in 1913 naar de Boulevard Saint-Germain 202. Daar ontving hij op woensdag vrienden. Hij beschreef het kubisme in zijn op 17 maart 1913 bij uitgeverij Eugène Figuière uitgekomen boek Méditations esthétiques. Les Peintres Cubistes. Hij schreef dit boek in de zomer van 1912 en bewerkte daarvoor al eerder verschenen artikelen van hem uit 1905, 1908 en 1912. Het boek gaf geen beschrijving van de ontwikkeling van het kubisme, maar zijn overdenkingen bij een nieuwe kunstrichting. In de eerste versie was er geen tekst over Marcel Duchamp aanwezig, maar denkelijk op aandringen van Francis Picabia, die voor een deel van de financiën zorgde en een vriend was van Duchamp, werd in de tekst aandacht besteed aan Duchamp. Van 20 tot 26 oktober 1912 maakte Apollinaire met Picabia, Duchamp en Gaby Picabia-Buffet een reis naar Etival in de Jura. De ouders van Gaby woonden daar.

Apollinair beschreef de ontwikkeling bij de schilder Robert Delaunay met de term orphisme. Ook werkte hij in het begin (1912) mee met de manifesten van het futurisme.

Verscheidene schilders hebben een portret van Apollinaire gemaakt. Hieronder werken van Pablo Picasso, Amedeo Modigliani, Jean Metzinger, Louis Marcoussis, Mikhail Larionov en Maurice de Vlaminck.

1909191219131904-1905, afm.: 54 x 44,5cm
PicassoModiglianiMetzingerMetzingerMarcoussisLarionovde Vlaminck

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam Apollinaire vrijwillig dienst. In januari 1915 kreeg hij een opleiding tot officier. Tijdens zijn verlofperiodes ging hij om met Louise (Lou) de Coligny-Châtillon. In de herfst van 1915 kwam Apollinaire aan het front. Begin 1916 kreeg Apollinaire een intensieve opleiding en op 14 maart kwam hij opnieuw aan het front.

1914

Op 17 maart 1916 werd Apollinaire als tweede luitenant van de infanterie gewond aan zijn hoofd. Na aan het front verbonden te zijn werd hij met een ambulance naar het ziekenhuis van Château-Thierry gebracht en op 29 maart naar het Val-de-Grâce ziekenhuis in Parijs. Serge Férat zorgde ervoor dat Apollinaire voor zijn herstel op 9 april werd opgenomen in het ziekenhuis Hôpital du Gouvernement Italien, Quai d'Orsay 41, Parijs. Op 9 mei moest Apollinaire opnieuw geopereerd worden. Op 31 december 1916 organiseerden Picasso, Jean Cocteau en Max Jacob een feestmaal voor Apollinaire bij het uitkomen van Le poète assassiné (=De vermoorde dichter). Hierin rekende Apollinaire af met Picasso, die hem in de steek had gelaten tijdens zijn gevangenschap wegens de vermeende diefstal van de Mona Lisa uit het Louvre, en zijn vriendin Marie Laurencin, die hem verlaten had.

De Stijl, nr. 2, dec. 1918

Op 2 mei 1918 trouwde Apollinaire met Jacqueline Kolb (1891-1967), die hem verpleegd had. Jacqueline, die officieel Amélie heette en ook bekend was onder de naam Ruby Kolb, la jolie rousse wegens haar rode haar, was een vriendin van Irène Lagut, één van de vele vrouwen van Picasso. Apollinaire kende haar al voor de Eerste Wereldoorlog, maar zij was toen de vriendin van de dichter Jules-Gérard Jordens. Jordens sneuvelde in 1916 aan het front en Apollinaire kwam Jacqueline toevallig op straat tegen. Uit bezorgheid over zijn gezondheid bracht Jacqueline hem met een taxi naar huis. Apollinaire schreef over deze periode de novelle La Femme assise, die in 1920 pas verscheen. Picasso, de kunsthandelaar Ambroise Vollard, de schrijver Lucien Descaves en Gabrielle Buffet waren de getuigen bij het huwelijk. De feestelijkheden waren zeer eenvoudig wegens het sneuvelen van Jacquelines broer kort daarvoor. Na het huwelijk voor de wet was de kerkelijke inzegening in de Saint Thomas Aquinas kerk. Voor de enkele huwelijksgasten was in de Rue d'Amboise bij Poccardi's een lunch. Alleen Picasso dineerde 's avonds bij het nieuwe echtpaar. Olga, de nieuwe liefde van Picasso, ontbrak, daar zij wegens de gevolgen van een operatie aan haar been, haar been in het gips had en verbleef in het Maison de Santé van Dr. Bonnet in de Rue de la Chaise te Parijs. Apollinaire keerde terug naar het ziekenhuis en Jacqueline vertrok een week later naar Engeland om te ontkomen aan de bombardementen op Parijs.

Verzwakt door zijn oorlogswonden stierf Apollinaire op 9 november 1918 aan Spaanse griep in Parijs. Hij werd op 13 november na de kerkdienst in de Saint Thomas d'Aquin begraven op het kerkhof Père-Lachaise. In de begrafenisstoet liepen op de eerste rij als begeleider van de moeder van Apollinaire en zijn vrouw Jacqueline Serge Férat en Max Jacob. Ook waren aanwezig Picasso en zijn vrouw Olga, Fernand Léger, André Derain en zijn vrouw en Constantin Brancusi. In Nederland zette het kunsttijdschrift De Stijl het overlijden prominent op de voorpagina van het decembernummer van 1918.

Square Laurent Prache Dora Maar

In 1928 maakte Picasso met hulp van de Spaanse beeldhouwer Julio Gonzalez een smeedijzeren monument voor Apollinaire. Op 5 juni 1959 werd in het Square Laurent Prache, dat ten noorden van L'église St Germain des Prés en vlak bij Apollinaires appartement aan de Boulevard St. Germain lag, een gedenkteken onthuld voor Apollinaire, dat gemaakt was door Picasso. Het bronzen beeld Hoofd van een vrouw stelde Dora Maar voor en was door Picasso in 1941 gemaakt.

In 1967 werd Apollinaires weduwe Jacqueline bijgezet in het graf van Apollinaire op het kerkhof Père-Lachaise.

Tentoonstellingen

Van 3 april t/m 4 mei 1965 werd in het Palais de Beaux-Arts te Lille de tentoonstelling Apollionaire et le cubisme gehouden.