(Pseudoniem van Félix Elie Bonnet)
Félix Bonnet werd op 20 juli 1880 geboren te Bordeaux als zoon van de huisschilder Jean Bonnet en Claire Guillemet. In zijn jeugd was hij veel in de Baskische vissersplaats Ciboure, waar hij bevriend was met de latere componist Maurice Ravel. Tobeen kwam denkelijk via de verzamelaar Gabriël Frizeau (1870-1938), die in Bordeaux woonde, in contact met André Lhote. De verzamelaar ontving geregeld schrijvers en schilders, die les artistes aquitaines werden genoemd. In 1907 bezocht Tobeen Parijs en schreef hij Lhote over zijn ervaringen. Denkelijk kwam Tobeen rond 1910 definitief naar Parijs. Hij had een klein atelier op de Avenue Trudaine 17. Via Olivier Hourcade, volgens Guillaume Apollinaire le pape du cubisme en Aquitaine, kwam Tobeen in de kring der kubisten van Puteaux, die op zondag bij de gebroeders Duchamp bijeen kwam.
In 1910 exposeerde Tobeen op de Salon d'Automne en de Salon des Indépendants. In 1911 hingen zijn werken in dezelfde zaal als de werken van o.a. Lhote en Roger de la Fresnaye en naast zaal 41 waar de kubisten gezamenlijk hingen.
Tobeen werd algemeen bekend door met zijn werk De pelote-spelers, ingezonden naar de Salon des Indépendants van 1912. Tobeen nam met 11 schilderijen deel aan de eerste tentoonstelling van La Section d'Or (De Gulden Snede) in 1912. Het werk hing ook op de tentoonstelling Salon de Juin van de Société Normande de Peinture Moderne, die gehouden werd van 15 juni t/m 15 juli 1912 in de Salle du skating te Rouen. Op nevenstaande foto staan: Portretten van Marcel Duchamp, La Toilette van Marie Laurencin en De pelote-spelers. Rouen en omgeving maakte voor het eerst kennis met het kubisme. Tobeen werkte rond 1913 enigszins kubistisch maar koos al snel voor een poëtisch classicisme waarin sporen van het kubisme zichtbaar bleven.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Tobeen gemobiliseerd, maar werd op 21 september 1915 afgekeurd, nadat hij twee keer in het ziekenhuis had gelegen. Hij verbleef tot juni 1916 in Nice en via een verblijf in de Pyreneeën kwam hij in september in Parijs. Daar trouwde hij met Louise Justine Dewailly (1888-1969) en betrok een woning in de Rue de Dunkerque 79.
's Zomers bracht de familie Tobeen door aan de Middellandse Zee (o.a. Nice), het Franse Baskenland of aan Het Kanaal (Saint-Valéry-sur-Somme). Vanaf 1924 woonde Tobeen in Saint-Valéry-sur-Somme, een plaats in de buurt van Dieppe. Hij bezocht geregeld Parijs in verband met tentoonstellingen en bijeenkomsten met kunstenaars. Na 1925 reisde het echtpaar Tobeen minder. Op 14 maart 1938 overleed Tobeen na een langdurige ziekte.
In vergelijking met andere kubistische schilders schilderde Tobeen maar weinig, n.l. nog geen 300 schilderijen, die vaak niet gedateerd waren. Behalve het voormalig Frisia Museum, dat elf schilderijen en drie tekeningen bezat, heeft ook het Kröller-Müller Museum vier werken van Tobeen. Zie de webpagina van de in 2003 gehouden tentoonstelling Kubistisch avontuur.
| kunstwerk | titel | jaar | was te zien in |
![]() | De pelote-spelers | 1912 | Frisia Museum, Spanbroek |
![]() | Het net | 1913 | Frisia Museum, Spanbroek |
![]() | De vrouw met de bloemen | 1913 | |
![]() | De vijver in het park | 1913 |