Ardengo Soffici werd op 7april 1879 geboren in Rignano sull'Arno (Italië). Zijn ouders verhuisden naar Florence, waar hij vanaf 1897 tot 1903 de kunstacademie Fattori all'Accademia di Belle Arti di Firenze (andere bron: Accademia Libera del Nudo) volgde. In 1900 bezocht Soffici met drie vrienden Parijs om de Exposition Universelle (=wereldtentoonstelling) te zien. Om in hun levensonderhoud te voorzien probeerden zij hun tekeningen te verkopen aan de humoristische kranten. Soffici verkocht een aantal tekeningen en houtgravures aan het blad La Plume. In 1902 ontmoette Soffici, die aan diverse Franse tijdschriften meewerkte als schrijver en illustrator, Serge Férat en Hélène d'Oettingen. Zij schilderde onder de naam François Angiboult en schreef onder de pseudoniemen Roch Grey en Léonard Pieux.
In 1903 reisde Soffici opnieuw naar Parijs, werd de geliefde van Hélène d'Oettingen en verbleef daar tot 1907, al bracht hij de zomers door in Florence. In Parijs kwam Soffici in contact met de schilders Georges Braque, Pablo Picasso, André Derain, Juan Gris, en de schrijvers Guillaume Apollinaire en Max Jacob. Soffici werkte in Parijs als kunstenaar en kunstcriticus. Terug in Italië schreef hij over zijn Parijse vrienden in de eerste uitgave van het mede door hem gestichte tijdschrift La Voce(=De Stem), dat in de periode 1908-1916 verscheen. Onder dezelfde naam organiseerde Soffici een tentoonstelling van impressionisten in Florence in 1910. Op deze tentoonstelling was een zaal gewijd aan Medardo Rosso.
Volgens de schrijver Micael F. Zimmermann in het hoofdstuk Kritik und Theorie des Kubismus - Ardengo Soffici und Daniel-Henry Kahnweiler in het boek Prenez garde à la peinture!: Kunstkritik in Frankreich 1900-1945 (1999, ISBN:978-3050034041) was Soffici uitstekend op de hoogte van de discussies die Braque en Picasso samen over het kubisme voerden.
Eind februari 1910 bezocht Soffici opnieuw Parijs, waar hij Serge Férat en zijn exgeliefde Hélène d'Oettingen bezocht. Op 2 maart bracht Soffici een bezoek aan Picasso. Denkelijk zag Soffici de Salon des Indépendant van 1911. Soffici bleef tot en met mei 1911 in Parijs en had hij o.a. gesprekken met de kubisten Picasso en Braque. In het nummer van 24 augustus 1911 van La Voce met als titel Picasso e Braque schreef Soffici hierover. Het was het eerste artikel over het kubisme in Italië. Een Engelse vertaling staat in het in 2008 verschenen boek A Cubism Reader van Mark Antliff en Patricia Leighten (ISBN: 9780226021102). Bij het artikel stonden door de afwijzing van de hoofdredacteur Guiseppe Prezzolini geen illustraties. Pas in het decembernummer van 1911 stonden het nevenstaande schilderij De oude molen uit 1909, het nevenstaande Mademoiselle Léonie uit 1910 van Picasso en Glas, bord en mes uit 1910 van Braque afgebeeld.
In 1911 schreef Soffici een negatief artikel over de futurische tentoonstelling Esposizione d'Arte Libera in Milaan. Hierop werd Soffici aangevallen door Marinetti, Boccioni en Carrà. Van begin april tot eind juni 1912 bezocht Soffici opnieuw Parijs. Via Férat en d'Oettingen kwam Soffici in contact met de Russische kunstenaarskolonie in Parijs. Hij ging o.a. om met Larionov, Natalja Gontcharova en ontmoette hij op 23 april Aleksandra Exter. Met haar zou Soffici diverse perioden (tot augustus 1914) in Parijs en Italië samenleven en werken. In dezelfde periode maakte Soffici, toen hij Picasso ontmoette in Brasserie de l'Ermitage op de Boulevard Rochechouart, kennis met de schilder Gino Severini. Samen brachten zij al de volgende dag een bezoek aan de Italiaanse beeldhouwer Medardo Rosso (1858-1928). Severini probeerde de ruzie tussen Soffici en de futuristen, die ontstaan was door de in de ogen van de futuristen negatieve artikelen over hen door Soffici, op te lossen. Nadat Severini de zomer van 1912 bij zijn familie in Pienza had doorgebracht, bezocht hij beide partijen in Florence en Milaan. Het gevolg was een tijdschrift waarin ook aandacht kwam voor het futurisme.
Op 1 januari 1913 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift 'Lacerba', dat Soffici samen met Giovanni Papini had opgericht. Er zouden 70 nummers verschijnen tot 22 mei 1915. In de eerste drie nummers (1 januari, 1 en 15 februari) publiceerde Soffici een artikelenreeks over het kubisme onder de naam Cubismo e oltre. Ook afbeeldingen van papiers collés van Picasso, Braque en Severini werden in Lacerba getoond. Door het uitgebreide contact ontwikkelde zich een vriendschappelijke band met de futuristen. In 1913 sloot Soffici zich toch bij de futuristen aan en exposeerde hij op de door hem georganiseerde Futuristische tentoonstelling Pittura Futurista di Lacerba van november 1913 t/m januari 1914 in Galerie Gonnelli te Florence. Samen met Papini en Carrà bezocht Soffici in maart 1914 opnieuw Parijs en bracht hij Carrà in contact met Picasso. Daarna werd Soffici's samenwerking met de futuristen al wat minder.
In december 1914 publiceerde Soffici het artikel Cubismo e futurismo dat als bijlage bij Cubismo e oltre verscheen. In deze periode experimenteerde Soffici met diverse stijlen onder invloed van Cézanne en het kubisme. Nadat Italië in mei 1915 betrokken raakte bij de Eerste Wereldoorlog nam Soffici vrijwillig dienst. In december 1915 was hij tweede luitenant bij de infanterie. Na de oorlog verhuisde hij naar het Toscaanse platteland en schilderde Soffici in een Neoklassieke stijl, waarin hij vele naturalistische landschappen schilderde. Dit noemde hij 'Periplo dell'Arte'.
Soffici stierf op 19 augustus 1964 te Vittoria Apuana, Forte dei Marmi (Toscane).
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Soffici. | ![]() |