Serge Nikolaïevitch Jastrebzoff (ook geschreven Sergey Yastrebzow en Sergueï Jaskebzov) was de tweede zoon van de Russische graaf Jastrebzoff, die in Moskou denkelijk op 28 maart 1881 was geboren. (Als geboortedatum wordt ook genoemd 28 mei 1881.) Met de famillie bracht hij tijdens zijn jeugd bezoeken aan Engeland, Frankrijk, Italië en Duitsland. In 1901 kwam Serge samen met barones Hélène d'Oettingen, die denkelijk de maitresse van zijn vader was, naar Parijs en ging hij studeren aan de Académie Julian te Parijs. Serge schilderde onder de naam Alexander Rudniev en later onder de naam Serge Férat. Vanaf 1906 exposeerde hij geregeld op de Salon des Indépendants. In Parijs ontmoette hij Pablo Picasso en Guillaume Apollinaire, waarmee hij samen met Hélène d'Oettingen in 1912 voor 200 honderd francs Les Soirées de Paris, een uitgave voor de Parijse avant-garde, van de oprichters overnam. Na vijf maanden niet verschenen te zijn brachten zij in november 1913 nummer 18 uit voorzien van illustraties. In dit nummer stonden vier werken van Picasso.
De woning van Serge en Hélène op de zevende verdieping Boulevard Raspail 229, die zij in de herfst van 1913 hadden betrokken in het nieuwe gebouw, werd een ontmoetingsplaats. Serge ging op een kubistische wijze schilderen, maar deed dat o.a. veel op glas. Denkelijk ging Picasso door Serge ook experimenteren op glas. Picasso liet b.v. delen onbeschilderd waardoor de achtergrond mee speelde in het schilderij. UItsluitend Viool en krant is bewaard gebleven.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging Serge Férat als vrijwillige militair werken in het 'Hôpital du Gouvernement Italien' in Parijs. Terwijl de vrouw van Picasso, Eva, in februari 1915 in het ziekenhuis lag, verbleef Picasso bij Hélène Oettingen en Serge Férat. Picasso kon bij hen de telefoon gebruiken en leerde tevens Russisch. In die tijd had Serge een relatie met Irène Lagut, die hij later aan Picasso kwijtraakte. Apollinaire schreef later over deze periode de novelle La Femme assise, die pas in 1920 verscheen.
Nadat Apollinaire op 17 maart 1917 gewond was geraakt zorgde Serge Férat ervoor dat Apollinaire werd opgenomen in het 'Hôpital du Gouvernement Italien' te Parijs. Kort daarna kreeg Apollinaire verlammingsverschijnselen, die door een hersenoperatie op 9 mei 1917 werden verholpen.
Door de Russische Oktoberrevolutie kwam er een eind aan het inkomen uit Rusland. Na de verkoop van de werken van Rousseau le Douanier ging Serge vooral voor het theater werken. Férat deed o.a. het decor e.d. voor Les Mamelles de Tirésias, een surrealistisch toneelstuk van Apollinaire in 1918. Irène Lagut ontwierp de costuums.
Serge Férat exposeerde in 1925 met de kubisten tijdens Section d'Or. Na het verlaten van het kubisme schilderde Serge volop circustaferelen. Hij overleed op 13 oktober 1958 te Parijs. Zijn bezit werd geërfd door Haba Roussot, die meer dan twintig jaar met hem had samengeleefd. Zij zorgde voor het tentoonstelling van zijn werken in o.a. Europa, Verenigde Staten en Japan. In 2001 overleed Haba. Haar zoon Alban zal haar werk voortzetten.
Hélène d'Oettingen (1887-1950) schreef gedichten onder de naam Léonard Pieux, romans onder de naam Roch Grey en schilderde onder de naam François Angiboult.
Op 22 oktober 2007 werd door het veilinghuis Artcurial in Hôtel Dassault te Parijs een veiling gehouden van een deel van de collectie van Haba en Alban Roussot. De veiling, bestaande uit 132 werken van Serge Férat, 38 werken van Léopold Survage, 10 van François Angiboult en 11 werken van Irène Lagut bracht ruim 2 miljoen euro op, waarvan 1,5 miljoen voor de werken van Ferat.
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Férat. | ![]() |