De schilder en architect Le Corbusier ontwierp in de twintiger jaren een aantal huizen voor vrienden, welgestelde Fransen en buitenlanders. In 1926 lieten Gabrielle de Monzie (1882-1961), de sinds 1922 apart wonende echtgenote van Anatole de Monzie (1876-1947), en de Amerikanen Michael en Sarah Stein een huis door Le Corbusier ontwerpen. Michael Stein was de oudere broer van de schrijfster Gertrude Stein. Anatole de Monzie was van 1920 tot in 1929 een socialistische senator voor het departement Lot. In deze periode was hij vijf keer voor korte tijd minister, waarvan de belangrijkste voor de kunst zijn Ministre de l'Instruction publique et des Beaux-Arts van 17 april tot 11 oktober 1925 was. Als trouwe medestander van Le Corbusier maakte hij de bouw van het paviljoen L'Esprit Nouveau op de Exposition Internationale des Arts Décoratiefs in 1925 mogelijk. Volgens Kenneth Frampton in Modern Architecture 1851-1945 was de villa in eerste instantie voor Monzie bestemd. Van 1904 tot 1927 waren Anatole de Monzie en Julia-Gabrielle (roepnaam Gabrielle) Colaço-Osorio officieel getrouwd, maar sinds 1922 leefden zij gescheiden. Gabrielle en Sarah hadden elkaar via de Christian Science-kerk rond 1912 leren kennen. Gabrielle en haar geadopteerde dochter Jacqueline waren in 1922 al bij de Steins ingetrokken, toen zij in augustus 1922 een woning betrokken in de Rue de la Tour 59 in Parijs. Gabrielles vader D. Colaço-Osorio was een rijke bankier en Gabrielles adoptieve dochter, die geboren was op 13 januari 1918, was de dochter van haar overleden naaister Georgette Coral, waarvan de echtgenoot in de Eerste Wereldoorlog was omgekomen.
![]() |
In juli 1926 maakte Le Corbusier een aantal schetsen, die het uitgangspunt was voor het uiteindelijke ontwerp. De villa werd uitgevoerd in gewapend beton met vloeren gesteund door pilaren, die een tussenruimte van 5 meter of 2,5 meter hadden. De villa met de naam Les Terrasses, ook bekend als Villa Stein-de Monzie, werd gebouwd in de Rue du Professeur Victor-Pauchet 17 in de westelijke Parijse voorstad Garches (nu hoort de straat bij Vaucresson in het departement Hauts-de-Seine) op een stuk grond van 27 meter breed en 186 meter diep. (Aangegeven met 4 op de nevenstaande kaart.) De prijs was ongeveer 1,5 miljoen Francs. |
![]() |
Op de begane grond bevonden zich een garage, huishoudelijke ruimten en de hal met het trappenhuis. |
![]() |
Op de eerste verdieping, die van af de grond ook via een betonnen buitentrap bereikt kon worden, bevonden zich de ontvangstkamers, een eetkamer, een woonkamer, een overdekt terras en een gezamelijke keuken. |
|
De tweede verdieping was verdeeld in twee aparte appartementen met de slaapkamers en badkamers. |
| Op de derde verdieping waren twee logeerkamers en twee kamers voor het personeel. De rest was een tegen de wind beschermd dakterras. |
| Op nevenstaande foto van de achterkant van het gebouw is de buitentrap te zien en links het opengedeelte boven het binnenterras. |
Aan het begin van de zomer 1928 betrokken Michael en Sarah Stein en Gabrielle en Jacqueline de Monzie hun woningen. Rond 1930 kwam ook de kleinzoon Daniel, die in 1927 geboren was, met het kindermeisje bij de Steins wonen. Daniel kwam na de scheiding van zijn ouders, Allan Stein en Yvonne Daunt, bij zijn grootouders wonen.
In juli 1928 brachten Piet Mondriaan, de Zürichse architect Alfred Roth (1903-1998) en de bij Mondriaan logerende Nederlandse architect Mart Stam (1899-1986) samen een bezoek aan dit huis. Op dezelfde dag werden ook andere door Le Corbusier ontworpen huizen bezocht. Alfred Roth werkte bij het architectenbureau van Le Corbusier en Jeanneret en was met Mondriaan in contact gekomen door het ter restauratie brengen van een werk van Mondriaan, dat in het bezit was van de in Katwijk aan Zee wonende Pierre Emile René Trousselot (1878-1956). Volgens de website www.snap-dragon.com kocht Trousselot in 1927 via de architect J.J.P.Oud (1890-1963) het schilderij Compositie met zwart, rood en grijs uit 1927 van Mondriaan. Hierna waren zij geïnterresseerd geraakt in elkaars werk. Mondriaan bezocht in september 1928 opnieuw huizen ontworpen door Le Cobusier, maar nu in gezelschap van het echtpaar Sophie Küppers en El Lissitzky.
In 1930 maakte de Franse filmmaker Pierre Chenal (1904-1990) drie documentaires, die geproduceerd werden door het tijdschrift Architecture d'aujourd'hui. De films waren bedoeld om de moderne architectuur aan een breed publiek, zowel in Frankrijk als in het buitenland,te laten zien en voor het promoten van dit nieuwe architectuur tijdschrift, dat in 1930 was opgericht door Auguste Perret en Robert Mallet Stevens. In de korte films Batir (11 minuten), Architecture d'aujourd'hui (18 minuten) en de verdwenen film Trois chantiers werden o.a. gebouwen getoond, die ontworpen waren door Le Corbusier en Pierre Jeannneret (1896-1967), de gebroeders Auguste en Gustave Perret en Robert Mallet Stevens. De filmscripts waren geschreven door Pierre Chenal en Le Corbusier en de muziek door Albert Jeanneret, de broer van Le Corbusier. In mei 1931 werd in de bioscoop Rialto te Parijs de films voor het eerst vertoond.
In Architecture d'aujourd'hui werd de villa Stein-de Morzie zowel van buiten als van binnen getoond. Le Cobusier figureerde in de film door met zijn Voisin C12 auto de oprit van villa op te rijden en de trap naar het dak op te lopen. Het filmmuseum te Amsterdam bezit één van de vier nog bestaande originele kopieën. Het is het enige met Nederlandse ondertitels.
De film is te zien op YouTube.
In 1935 verkochten de Steins en Gabrielle Colaço-Osorio het gebouw aan een Deense bankier. Volgens Gertrude Stein duurden de verkoop en de ontruiming slechts een week. Alle bewoners, Michael, Sarah en Daniel Stein en Gabrielle Colaço-Osorio en Jacqueline de Monzie, verhuisden naar Palo Alto. In 1959 werden de woningen onderverdeeld in 5 appartementen. Op 12 mei 1975 werd het gebouw een officieel historisch monument. Het gebouw stond augustus 2006 te koop voor bijna 1,3 miljoen euro. Volgens de advertentie was het gebouw nu verdeeld in 8 appartementen van 261 m2.