Adriaan Lubbers werd op 22 januari 1892 geboren in Amsterdam als vijfde zoon van de makelaar Albert Eldrik Lubbers en Henriétte Caroline Skene. Na enkele jaren HBS volgde bij de MTS opleiding werktuigbouw. In 1911 werd hij door de firma Werkspoor uitgezonden naar Uruguay. Tijdens zijn afwezigheid stierf zijn vader in december 1911. Na Uruguay reisde Lubbers door naar Argentinié, waar hij technisch tekenaar werd bij de stedelijke trammaatschappij van Buenos Aires. In 1914 keerde hij terug Nederland waar hij in Vierhouten met enkele kunstenaars een boerderij huurde. Via een van de kunstenaars, de violist Dirk Gootjes, kwam Lubbers in contact met de schilder Leo Gestel (1881-1941), waarmee hij zeer bevriend werd. Samen met Gootjes ging Lubbers in 1916 naar New York. Lubbers mislukte als impressario, maar bleef in New York en had diverse baantjes. In zijn vrije tijd maakte hij tekeningen van New York.
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog keerde Lubbers terug naar Amsterdam, waar hij aan de Nieuwezijds Voorburgwal in 1919 een atelier betrok. Via Gestel, die vanaf 1915 de zomer en de herfst daar doorbracht, huurde Lubbers het atelier van Ben Essers in Bergen. Via zijn buurman, de kunstverzamelaar Piet Boendermaker, werd Lubbers snel bekend bij de kunstenaars van de Bergense School. De meeste kunstenaars zochten een eigen richting, die voortbouwde op het kubisme, futurisme en expressionisme. In het eerste deel van de bloeiperiode, die liep van 1915 tot 1925, was Henri Le Fauconnier een belangrijke inspiratiebron. Le Fauconnier, die van 1914 tot 1920 in Nederland woonde, schilderde aanvankelijk onder invloed van het kubisme, maar gaf later meer de voorkeur aan de directe weergave van het gevoel en de natuurbeleving.
Van 4 t/m 12 maart 1922 had Lubbers zijn eerste tentoonstelling in Gebouw Heystee te Amsterdam. Lubbers experimenteerde korte tijd met geometrische vormen in navolging van de kubisten. Deze werken hingen in 1923 op Lubbers eerste Duitse tentoonstelling in het Graphisches Kunstkabinett van I.B. Neumann te Berlijn. Na deze periode werd zijn werk meer expressionistisch.
Op 7 februari 1923 kwamen Leo Gestel, zijn vrouw en Zus Boendermaker, de dochter van de kunstverzamelaar, naar Dresden. Gezamenlijk bezochten zij diverse musea en kunsthandels in Berlijn. Na een kortstondig verblijf in New York om op 12 april 1923 in het huwelijk te treden met Miep Gantvoort, die hij in New York in 1919 had ontmoet, vestigde de familie Lubbers zich in Dresden (Duitsland). Vanaf eind april tot november 1923 verbleven de families Lubbers en Gestel in Eisenstein, waar zij schilderden en tekenden. Dit intensieve contact leidde tot wederzijdse beïnvloeding. In het najaar van 1923 ging het hele gezelschap naar Italië, waar zij vele plaatsen bezochten. Op 17 januari 1924 vestigde Lubbers zich in Positano, terwijl Gestel doorreisde naar Taormina op Sicilië. Tijdens zijn verblijf in Positano tot december 1924 maakte hij vele schilderijen, die zodanig de aandacht op hem vestigde dat een monografie in de serie 'Les artistes nouveaux' in 1925 aan Lubbers werd gewijd door de Italiaan Italo Tavolato. Vooral zijn kubistische en expressionistische elementen en de afwezigheid van het klassieke perspectief in zijn werken werden geprezen. Na terugkeer in Nederland (begin 1925) werden exposities gehouden, o.a. in het Gebouw Heystee (juni 1925) en bij de Hollandsche Kunstenaarskring (maart 1926) te Amsterdam.
Op 22 september 1926 ging Lubbers met het stoomschip de 'Nieuw Amsterdam' op weg naar New York. Een dag na zijn aankomst op 1 oktober werd hij al geinterviewd door de New York Times. In zijn werken kwamen de dominante lijnen van de wolkenkrabbers en de bruggen steeds duidelijker naar voren. Ondanks enkele tentoonstellingen in New York en een groeiende belangstelling besloot Lubbers terug te keren naar Europa. Op 11 mei 1928 vertrok Lubbers en vestigde hij zich in de Parijse voorstad Chatillon. Daar werkte hij zijn vele schetsen van New York uit. In Parijs raakte Lubbers bevriend met Piet Mondriaan.
Nadat Lubbers in 1930 geëxposeerd had bij Galerie Zak op de Rue de l'Abbaye 14) te Parijs organiseerde hij samen met Gerard Hordijk van 27 mei t/m 10 juni 1931 de 'Exposition d'Art Hollandais Contemporain' bij Galerie Zak. Op deze tentoonstelling waren ruim dertig Nederlandse kunstenaars, waaronder Mondriaan, vertegenwoordigd. Lubbers en Mondriaan bezochten elkaars atelier tot het vertrek van Lubbers naar Nederland in juni 1932. Lubbers vestigde zich in Laren (Noord Holland), een plaats in de buurt van Blaricum, waar Leo Gestel sinds 1929 woonde. In de jaren daarna schilderden beiden rond Spakenburg en Urk. Lubbers bleef reislustig en bezocht o.a in 1934 Chicago en in 1937 New York.
In de Tweede Wereldoorlog verbleef Lubbers lange tijd in de Achterhoek. In 1949 organiseerde Lubbers samen met W. Went en Tom Haartsen de expositie 'Kunst in het Bedrijfsleven'. Als vervolg op deze tentoonstelling werd in 1950 de stichting 'Kunst en Bedrijf' opgericht, waarvan Lubbers directeur werd. De stichting had tot doel het bedrijfsleven te adviseren bij opdrachten aan kunstenaars. Door een conflict werd Lubbers op 24 december 1953 ontslagen.
In 1953 en 1954 schilderde Lubbers weer 'Amerikaanse' schilderijen, die opvielen door de vele kleurrijke vlakken. Hij was ook bezig met glas-in-lood ramen voor de Statendam van de Holland-Amerika Lijn. In april 1954 vertrok Lubbers naar New York i.v.m. de tentoonstelling 'Portrait of New York' van de American Federation of Arts. Helaas kreeg hij een hersenbloeding en stierf hij op 14 mei 1954. Hij werd begraven in Glenhem, gelegen in de staat New York.
1957 | Stedelijk Museum, Amsterdam |
20 mei - 17 juli 1988 | Gemeentemuseum De Wieger, Deurne |
24 april - 26 juli 1992 | Museum of the City of New York |
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Lubbers. | ![]() |